11.00.00 Tijdelijke opslag van goederen

Tekstnavigatie

Inhoud

Talen

Doelgroepen

Zoeken

Algemeen

Domeinen

Vaste functies

Waar ben ik?

Inhoud

Inhoudsopgave

Handboek Douane

11.00.00 Tijdelijke opslag van goederen, 19 juli 2010, Versie 3

1. Ruimte voor tijdelijke opslag

In de inleiding is het een en ander verteld over de tijdelijke opslag. Deze vorm van opslag vindt meestal plaats in een ruimte voor tijdelijke opslag. Daarover gaat dit hoofdstuk.

(artikelen 50 en volgende CDW; artikelen 185 en volgende TVo. CDW; artikelen 2:6 tot en met 2:8 Algemene douaneregeling)

In paragraaf 1.1 worden de eisen voor vestiging van zo'n ruimte behandeld.

Paragraaf 1.2 behandelt de procedure voor het verlenen van de benodigde vergunning. Bij de goedkeuring van een ruimte als ruimte voor tijdelijke opslag moet een proces-verbaal van situatie worden opgemaakt. Ook deze procedure staat in paragraaf 1.2.

In paragraaf 1.3 "Nadere bepalingen" komen verschillende onderwerpen aan de orde.

Paragraaf 1.4 "Uitzonderingen" beschrijft de tijdelijke opslag buiten de ruimte voor tijdelijke opslag.

Tenslotte staan in paragraaf 1.5 de bij deze opslag meest voorkomende strafbepalingen.

1.1. Algemeen

Een lokaal of gebouw en dergelijke als ruimte voor tijdelijke opslag is een plaats die door de douane ambtelijk gesloten moet kunnen worden waarvoor een permanente goedkeuring voor tijdelijke opslag is verleend. Voorbeeld: gebouwen, tanks, silo's, schepen, terreinen.

(artikel 185 TVo. CDW; artikel 2:6 Algemene douaneregeling)

1.1.1. Toezichtvereisten

Voor permanente goedkeuring van een ruimte voor tijdelijke opslag, moet rekening worden gehouden met het volgende:

a. Als in een ruimte voor tijdelijke opslag niet wordt gewerkt en geen ambtelijk toezicht aanwezig is, moet de ruimte door middel van douaneslot gesloten kunnen worden. De afsluiting gebeurt als regel met twee sleutels waarvan één onder beheer van de douane blijft.
Indien de inspecteur evenwel van mening is dat het toezicht op andere wijze kan worden gewaarborgd - bijvoorbeeld aan de hand van de administratie van belanghebbende - kan worden afgezien van de eis van versluiting.
(artikel 13 CDW; artikel 185 TVo. CDW)

b. De beheerder van de ruimte moet een voorraadadministratie voeren. Aan de hand daarvan moeten de goederen gevolgd kunnen worden. In het algemeen kan worden volstaan met een summiere administratie, omdat het controlekantoor al beschikt over bepaalde gegevens van de aangiften en documenten.
(artikel 185 TVo. CDW)

c. De beheerder moet in voorkomend geval zorgen voor kantoorruimte voor de ambtenaren die belast zijn met het toezicht.

1.1.2. Bouwtechnische eisen

Een ruimte kan worden goedgekeurd als ruimte voor tijdelijke opslag als aan de volgende eisen voor afsluitbaarheid wordt voldaan:

a. Ligging, afscheiding van andere percelen, bouw en inrichting moeten zodanig zijn dat in voldoende mate toezicht kan worden uitgeoefend.

b. Een gebouw moet van hechte constructie zijn.

c. De inrichting van de ruimte voor tijdelijke opslag moet zodanig zijn dat er sporen van braak zichtbaar zijn als er bijvoorbeeld is ingebroken.
(artikel 13 CDW)

1.2. Procedure en ambtelijke werkzaamheden

In deze paragraaf worden twee procedures beschreven die te maken hebben met de ruimte voor tijdelijke opslag:

de procedure goedkeuring van een ruimte voor tijdelijke opslag (paragraaf 1.2.1);

de procedure opstellen van een proces-verbaal van situatie (paragraaf 1.2.2).

1.2.1. Goedkeuring ruimte voor tijdelijke opslag

Voor het beheren van een ruimte voor tijdelijke opslag is een goedkeuring vereist van de inspecteur over het ambtsgebied waarin de ruimte zich bevindt. De procedure voor het verlenen van die goedkeuring verloopt als volgt:

1. Degene die de ruimte voor tijdelijke opslag wil exploiteren, moet bij de inspecteur een schriftelijk verzoek indienen om goedkeuring te verkrijgen.
Hij gebruikt daarvoor een formulier naar het model dat is opgenomen in bijlage 1.
(artikel 2:6 Algemene douaneregeling)

2. In het verzoek moeten alle van belang zijnde gegevens zijn vermeld. Belangrijke gegevens zijn:

de naam van de beheerder;

de locatie;

een beschrijving van de ruimte;

(in voorkomend geval) een beschrijving van het sluitingssysteem.

3. De inspecteur beslist bij schriftelijke beschikking over het verzoek. Ook in afwijzend geval moet hij beslissen bij beschikking. Belanghebbende kan tegen de beschikking in bezwaar gaan. In de beschikking moet deze mogelijkheid worden vermeld.
(zie voor informatie over beschikkingen onderdeel 3.00.00 van dit handboek en zie voor informatie over bezwaar en beroep onderdeel 32.00.00 van dit Handboek.

4. In geval van goedkeuring geeft de inspecteur een vergunning af. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het model dat is opgenomen in het Modellenboek. (zie voor een voorbeeld bijlage 2).

      Let op:

Op de aanvraag zijn van toepassing de termijnen van artikel 4:13 (maximaal 8 weken na ontvangst) en artikel 4:14 (een redelijke termijn) Algemene wet bestuursrecht.

1.2.2. Proces-verbaal van situatie

Als de inspecteur een plaats goedkeurt als ruimte voor tijdelijke opslag, moet hij zorgen dat een proces-verbaal van situatie wordt opgemaakt. De procedure die daarbij hoort wordt hierna beschreven.

1. Het proces-verbaal moet in drievoud worden opgemaakt. Daarin staan de volgende gegevens:

de naam en het adres van de beheerder van het gebouw, terrein, schip en dergelijke;

een verwijzing naar de tekening van de ruimte voor tijdelijke opslag;

de plaats waar het gebouw, terrein en dergelijke gelegen is, met vermelding van gemeente en kadastrale aanduiding, dan wel de ligplaats van het schip;

een omschrijving van het gebouw, terrein, schip en dergelijke; ook een omschrijving van de bouw en inrichting daarvan met in het bijzonder de gegevens over ramen, deuren en andere openingen;

de wijze waarop het gebouw, terrein en dergelijke is afgescheiden van andere percelen;

de wijze waarop het gebouw, terrein, schip en dergelijke ambtelijk kan worden gesloten.

2. De inspecteur moet de beheerder van de ruimte voor tijdelijke opslag uitnodigen om het proces-verbaal mede te ondertekenen.

3. De inspecteur zorgt dat de tekening van de ruimte voor tijdelijke opslag in drievoud wordt overgelegd, zodat bij elk van de exemplaren van het proces-verbaal een exemplaar kan worden gevoegd.

4. De inspecteur bewaart het proces-verbaal van situatie en de tekening bij de minute van de beschikking tot goedkeuring als ruimte voor tijdelijke opslag.

5. De inspecteur zendt afschriften van het proces-verbaal van situatie en de tekening als bijlage bij de beschikking tot goedkeuring aan de beheerder en aan het controlekantoor.

1.3. Nadere bepalingen

In deze paragraaf worden verschillende onderwerpen behandeld:

- douaneslot (paragraaf 1.3.1);

- wijzigingen van de ruimte (paragraaf 1.3.2);

- opheffing van de ruimte (paragraaf 1.3.3);

- zekerheid (paragraaf 1.3.4).

1.3.1. Douaneslot

De ambtelijke sluiting gebeurt met sloten die door de douane zijn verstrekt. Om misbruik te voorkomen moet de inspecteur zorg dragen dat de sloten op onregelmatige tijdstippen, maar ten minste twee maal per jaar, worden verwisseld of vervangen.

(artikel 13 CDW)

1.3.2. Wijziging ruimte voor tijdelijke opslag

Het kan voorkomen dat er behoefte ontstaat aan wijzigingen in de afscheiding, de bouw of de inrichting van de ruimte voor tijdelijke opslag. Deze wijzigingen zouden er toe kunnen leiden dat niet meer aan de goedkeuring wordt voldaan. In dat geval moet de beheerder vooraf nadere goedkeuring van de ruimte vragen aan de inspecteur.

(artikel 2:7 Algemene douaneregeling)

1.3.3. Opheffing ruimte voor tijdelijke opslag

De inspecteur kan een ruimte voor tijdelijke opslag opheffen. Dit kan in de volgende gevallen:

a. De beheerder doet zelf een schriftelijk verzoek tot opheffing.

b. De inspecteur is van mening dat de ruimte tot tijdelijke opslag niet meer in die mate wordt gebruikt dat handhaving daarvan gerechtvaardigd is.

c. De vergunning werd verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. De aanvrager was hiervan op de hoogte of had redelijkerwijze op de hoogte kunnen zijn. Op grond van deze onjuiste of onvolledige gegevens had een vergunning niet kunnen worden verleend.

d. Er wordt niet meer voldaan aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend.

e. De voorwaarden voor de toepassing van de tijdelijke opslag worden niet meer nagekomen.

f. De bedrijfsactiviteiten van de vergunninghouder zijn beëindigd.
(artikelen 8 tot en met 10 CDW; artikel 2:7 Algemene douaneregeling)

De procedure voor het opheffen van een ruimte voor tijdelijke opslag verloopt als volgt:

1. De opheffing moet plaats vinden bij beschikking van de inspecteur. Tegen de beschikking kan bezwaar worden gemaakt. Zie voor meer informatie over beschikkingen onderdeel 3.00.00 van dit Handboek.Zie voor informatie over bezwaar en beroep onderdeel 32.00.00 van dit Handboek
(
artikelen 6 tot en met 10, en 243 CDW; artikel 2:7 Algemene douaneregeling)

2. De beheerder moet voor de opheffing van de ruimte voor tijdelijke opslag de goederen in tijdelijke opslag een nadere douanebestemming geven. Laat hij dit na, dan neemt de douane maatregelen om de situatie van goederen te regelen. Ze kunnen in bewaring worden genomen. Zie hiervoor het onderdeel "Overige bepalingen", onder nummer 5.00.00 van dit Handboek.
(
artikelen 53 en 56 CDW; artikel 1:31 Algemene douanewet)

1.3.4. Zekerheid

Er moet zekerheid zijn gesteld voor de belasting die verschuldigd is of kan worden voor de goederen die in de ruimte voor tijdelijke opslag zijn opgeslagen. Die verplichting rust op de houder van de goederen, dat is degene die moet zorgen voor de zuivering van de bij de goederen behorende aangiften en documenten.

(artikel 51 CDW)

1.4. Uitzonderingen

In deze paragraaf worden twee uitzonderingen beschreven:

- tijdelijke opslag buiten ruimten voor tijdelijke opslag (paragraaf 1.4.1);

- combinatie ruimte tijdelijke opslag/entrepot (paragraaf 1.4.2).

1.4.1. Tijdelijke opslag buiten ruimten voor tijdelijke opslag

Opslag van goederen in tijdelijke opslag moet in principe plaats vinden in een ruimte die voor dat doel permanent is goedgekeurd. De inspecteur kan evenwel in bijzondere gevallen toestemming verlenen tot tijdelijke opslag van goederen op plaatsen waarvoor geen permanente goedkeuring is verleend.

Dat gebeurt dan op door hem te stellen voorwaarden en alleen als de vaststelling van de identiteit van de goederen voldoende is verzekerd. Behalve in incidentele gevallen wordt deze opslag buiten ruimten voor tijdelijke opslag alleen toegestaan voor:

a. zware of omvangrijke voorwerpen;

b. goederen waarvan de soort zonder opening van de colli is te onderscheiden en die geen bijzondere fiscale en niet-fiscale risico's opleveren (bijvoorbeeld pakken cellulose, pakken rubber, chemicaliën, ertsen, veevoeder, et cetera);

c. goederen die bij invoer niet aan belasting zijn onderworpen.

In deze gevallen vermeldt de inspecteur in de vergunning steeds voor welke goederen en voor welke plaatsen de vergunning is afgegeven. In een eenmalige vergunning vermeldt de inspecteur ook de periode waarin die opslag is toegestaan.

(artikel 51 CDW)

1.4.2. Combinatie ruimte tijdelijke opslag/entrepot

De tweede uitzondering betreft een bijzondere regeling: de combinatie van een ruimte voor tijdelijke opslag met een entrepot.

De wettelijke bepalingen maken het mogelijk dat een douane-entrepot wordt gevestigd binnen een ruimte voor tijdelijke opslag. Een douane-entrepot heeft in het algemeen geen douanesluiting. In deze situatie echter, wordt het douane-entrepot ambtelijk gesloten omdat het is gevestigd in de gesloten ruimte voor tijdelijke opslag.

Indien de inspecteur evenwel van mening is dat het toezicht op andere wijze kan worden gewaarborgd - bijvoorbeeld aan de hand van de administratie van belanghebbende - kan worden afgezien van de eis van versluiting.

(artikel 526, lid 1, TVo. CDW)

Bij deze combinatie blijft er sprake van twee afzonderlijke instituten met hun eigen douaneregime. Voor deze combinatie gelden de volgende bijzondere regels:

a. Er moet steeds op doelmatige wijze kunnen worden vastgesteld onder welk douaneregime de opgeslagen goederen zich bevinden. De beheerder van de ruimte en de entreposeur of entrepositaris (dat kan dezelfde persoon zijn) moet op uw verzoek het douaneregime dat van toepassing is, aantonen. In beide verleende vergunningen moet een bepaling zijn opgenomen waarin deze voorwaarde staat.

b. Bij inslag en uitslag van goederen via de ruimte voor tijdelijke opslag moet uit de begeleidende bescheiden altijd blijken of het gaat om goederen onder tijdelijke opslag of om entrepotgoederen.

c. Voor de plaatsing van goederen vanuit de tijdelijke opslag naar het stelsel van douane-entrepots moet aangifte worden gedaan op de gebruikelijke wijze, dus met de exemplaren 6, 7 en 8 van het formulier Enig document; zie verder de procedure bij hoofdstuk 5 van dit onderdeel.

Het is niet beslist noodzakelijk dat de goederen in verband met de overgang bij deze combinatie intern worden verplaatst. Voorwaarde is dan wel dat vast staat welke goederen onder welk douaneregime horen. Hierbij zijn de identiteitskenmerken en de administratie van de beheerder van belang.

1.5. Strafbepalingen

In dit hoofdstuk zijn geen strafbepalingen van toepassing.

Terug naar tekstnavigatie

Algemeen

Terug naar tekstnavigatie

Domeinen

Website Belastingdienst
Website Douane
Website Toeslagen
Terug naar tekstnavigatie

Vaste functies

Terug naar tekstnavigatie