13.00.00 Het in het vrije verkeer brengen

Tekstnavigatie

Inhoud

Talen

Doelgroepen

Zoeken

Algemeen

Domeinen

Vaste functies

Waar ben ik?

Inhoud

Inhoudsopgave

Handboeken

Handboek Douane

13.00.00 Het in het vrije verkeer brengen

Handboek Douane

13.00.00 Het in het vrije verkeer brengen, 15 augustus 2011, Versie 9

1. Het in het vrije verkeer brengen

In dit Handboek vindt u een beschrijving van de formaliteiten en aanwijzingen voor uw werkzaamheden, die verband houden met het in het vrije verkeer brengen van goederen.

Dit deel van het Handboek is verdeeld in 11 hoofdstukken.

Hoofdstuk 1 geeft een algemene beschrijving van de procedure van het in het vrije verkeer brengen van goederen.

In hoofdstuk 2 vindt u een globale beschrijving van de werkzaamheden bij de normale (standaard) procedure van het in het vrije verkeer brengen van goederen.

Bij de werkzaamheden bij het in het vrije verkeer brengen van goederen onderscheiden we de volgende vijf deelprocessen.

a. aanvaarden;

b. registreren;

c. voorbewerken;

d. verificatie;

e. administratieve afhandeling.

De hoofdstukken 3 tot en met 7 gaan op deze deelprocessen dieper in.

Hoofdstuk 8 gaat in op de extra exemplaren die bij de aangifte voor het vrije verkeer aanwezig kunnen zijn.

Bijzonderheden over het in het vrije verkeer brengen van goederen volgens een van de vereenvoudigde procedures vindt u in hoofdstuk 9.

Uitbreidingen op de normale (standaard) procedure van het in het vrije verkeer brengen van goederen staan beschreven in hoofdstuk 10. U vindt hierin aanvullende bepalingen die verband houden met het toezicht na het in het vrije verkeer brengen van bepaalde goederen.

Uitzonderingen op de normale (standaard) procedure staan beschreven in hoofdstuk 11.

1.1. Wat is in het vrije verkeer brengen?

Goederen die het douanegebied zijn binnengebracht (en eventueel tijdelijk zijn opgeslagen) moeten een nadere bestemming krijgen. Een van de bestemmingen die goederen kunnen krijgen is plaatsing onder een douaneregeling. Dit gebeurt door middel van een aangifte. Het CDW kent in totaal acht douaneregelingen. Het in het vrije verkeer brengen van goederen is een voorbeeld van zo'n douaneregeling.

(artikel 4, leden 15 en 16 en artikel 58 en 59 CDW)

Als goederen in het vrije verkeer worden gebracht, zijn er drie mogelijkheden. De goederen worden vanuit het douanetoezicht:

- op de vrije markt gebracht;

- onder accijnstoezicht gebracht;

- onder toezicht van de verbruiksbelastingen gebracht.

Het in het vrije verkeer brengen vormt de laatste fase in de douanecontrole op goederen die het land worden binnengebracht. Door het in het vrije verkeer brengen, krijgen de goederen de douanestatus van communautaire goederen. Dit betekent dat de goederen deel kunnen nemen aan het vrije verkeer in de interne markt; zij verkeren in een vrije concurrentiepositie ten opzichte van goederen die in de Gemeenschap zijn voortgebracht.

(artikelen 79 en volgende CDW)

Uw werkzaamheden bij het in het vrije verkeer brengen van goederen vormen een belangrijk aspect van de taak van de Nederlandse Douane. De Douane moet er immers onder meer op toezien dat voor binnenkomende goederen de vereiste formaliteiten worden vervuld en dat de verschuldigde belastingen worden betaald of de betaling daarvan wordt zekergesteld.

1.1.1. EG­wetgeving over het in het vrije verkeer brengen

Voor de EG-wetgeving is het brengen van goederen in het vrije verkeer niet identiek aan invoer. Het is slechts één van de omstandigheden die een douaneschuld doet ontstaan.

Goederen die frauduleus zijn binnengebracht, zijn dan ook niet in het vrije verkeer voor de toepassing van het EG­verdrag en de daarop gegronde voorschriften, zoals het CDW.

(artikelen 201 en volgende CDW)

Ook niet in het vrije verkeer zijn bijvoorbeeld goederen die met toepassing van een schorsingsregeling of een economische douaneregeling onder bepaalde voorwaarden met vrijstelling van belasting worden ingevoerd of tijdelijk in het vrije verkeer worden gebracht.

De uitdrukking "in het vrije verkeer brengen" is op zichzelf vaag. De uitdrukking krijgt inhoud door de aanvullende omschrijving die het EG­Verdrag, geeft. In artikel 9 van dit verdrag wordt de uitdrukking "vrij verkeer gebruikt om de reikwijdte van het vrije goederenverkeer tussen de lidstaten vast te stellen.

De bepalingen van het vrije verkeer van goederen zijn van toepassing op:

- de producten die van oorsprong zijn uit de lidstaten;

- de producten uit derde landen die zich in de lidstaten in het vrije verkeer bevinden.

Het EG­verdrag zelf kent geen definitie van het begrip "oorsprong". Uit de definitie van het begrip "communautaire goederen" in artikel 4, lid 7, van het CDW blijkt echter dat als van oorsprong uit de lidstaten uitsluitend zijn aan te merken de goederen die geheel­en­al zijn verkregen in de lidstaten.

Voorbeelden zijn: de in de lidstaten geoogste producten, de in de lidstaten geboren en opgefokte levende dieren en de producten afkomstig van de in de lidstaten gehouden levende dieren.

Goederen die zich in het vrije verkeer van een lidstaat bevinden, zijn goederen die aan alle volgende criteria voldoen.

- De goederen komen uit derde landen.

- De invoerformaliteiten zijn in de lidstaat verricht.

- De verschuldigde douanerechten zijn voldaan.

- De heffingen van gelijke werking zijn voldaan.

- Er is geen gehele of gedeeltelijke teruggaaf van die rechten en heffingen verleend.

(artikel 9 en 10 EG­verdrag)

1.1.2. Nationale wetgeving over het in het vrije verkeer brengen

            Omzetbelastingwetgeving

In de Wet op de omzetbelasting 1968 wordt een definitie gegeven van elk van de belastbare feiten: te weten leveringen van goederen, diensten, intracommunautaire verwervingen van goederen en invoer van goederen.

Artikel 18 van deze wet definieert het belastbaar feit "invoer van goederen".Het artikel legt een verbinding met de douaneregelingen bij invoer. De wetsbepaling komt er in het kort op neer dat invoer van goederen het brengen van goederen in het vrije verkeer van Nederland is. Ook als invoer van goederen wordt aangemerkt het beëindigen of het onttrekken van goederen aan een douaneregime.

Hiervoor is al opgemerkt dat het begrip "in het vrije verkeer brengen" vaag is en nader omschreven moet worden. De definitie van artikel 10 van het EG­verdrag kan hier geen uitkomst bieden. Zij is niet geschreven voor de invoer van goederen en is ook niet identiek aan invoer. Bovendien geldt zij niet voor verbruiksbelastingen.

Van groot belang is in dit geval artikel 22 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Volgens deze bepaling vindt de heffing van omzetbelasting bij invoer plaats op de wijze die geldt voor het douanerecht.

            Accijnswetgeving

In artikel 3 van de Wet op de accijns wordt het begrip "invoer" omschreven als het vanuit een derde land brengen van een accijnsgoed in Nederland. De wet heeft hier gekozen voor een eigen invoerbegrip. Invoer wordt beschouwd als een fysieke gebeurtenis.

Er is dan ook sprake van invoer als de accijnsgoederen daadwerkelijk vanuit een derde land de grens overschrijden, waardoor de accijnsgoederen op het grondgebied van Nederland komen.

Invoer is ook het brengen van accijnsgoederen buiten een ruimte voor tijdelijke opslag of een entrepot. Ook het verbruik (anders dan als grondstof) in een ruimte voor tijdelijke opslag of een entrepot, merkt de wet als invoer aan.

            Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten

Artikel 5 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten bevat de definitie van het begrip invoer. Deze komt overeen met de in de voorgaande paragraaf behandelde definitie van het begrip invoer in artikel 3 van de Wet op de accijns.

1.2. Het in het vrije verkeer brengen: de procedure

Om niet-communautaire goederen in het vrije verkeer te brengen moet het volgende gebeuren:

a. er moet een aangifte worden gedaan (paragrafen 1.2.1 tot en met 1.2.4);

b. er moeten enige verdere formaliteiten worden vervuld (paragraaf 1.2.5);

c. er moeten wettelijk verschuldigde rechten worden voldaan (paragraaf 1.3).

(artikel 79 CDW)

Zoals in het onderdeel "Douaneregelingen", opgenomen onder nummer 12.00.00 van dit Handboek, al is uiteengezet, kent het CDW de volgende drie vormen voor het doen van een douaneaangifte:

- schriftelijk;

- met gebruikmaking van automatische gegevensverwerking;

- mondeling of door enige andere handeling.

1.2.1. Schriftelijke douaneaangifte

De schriftelijke douaneaangifte kan via de normale procedure of via een vereenvoudigde procedure worden gedaan.

            De normale procedure

De normale procedure voor het in het vrije verkeer brengen van goederen bestaat uit het inleveren van een schriftelijke aangifte op een formulier Enig document, op het aangiftepunt waar de goederen zich bevinden.

De aangifte moet zijn ondertekend. Bovendien moet de aangifte alle vermeldingen bevatten die voor deze douaneregeling nodig zijn. De gegevens die in het Enig document moeten worden ingevuld, blijken uit het formulier zelf en uit de toelichting erop. Bij de aangifte moeten alle vereiste bescheiden zijn gevoegd.

            De vereenvoudigde procedure

Goederen kunnen ook in het vrije verkeer worden gebracht volgens een vereenvoudigde procedure. Deze procedure kan onder bepaalde voorwaarden worden gevolgd als het doen van een schriftelijke douaneaangifte volgens de normale procedure niet goed mogelijk is. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de aangever nog niet over alle benodigde gegevens of bescheiden beschikt. De vereenvoudigde procedure kan ook dienen om de aangever de aangifteprocedure gemakkelijker en efficiënter te laten doorlopen.

In tabel 1 staan in het kort vermeld de vereenvoudigde procedures en hun bijzonderheden.

(artikelen 253 en volgende TVo. CDW)

Tabel 1

Soort procedure Kenmerken van de procedure
.................... ..................................................

Onvolledige aangifte

De procedure van de onvolledige aangifte houdt in dat de douane (op verzoek van de aangever) aangiften aanvaardt waarin sommige gegevens ontbreken of waarbij bepaalde vereiste bescheiden niet zijn gevoegd.

Vereenvoudigde aangifte

De procedure van de vereenvoudigde aangifte houdt in dat een vereenvoudigde aangifte wordt ingediend, gevolgd door een aanvullende aangifte.

De vereenvoudigde aangifte kan bestaan uit:

a. een onvolledig ingevuld formulier Enig document. Het verschil met de onvolledige aangifte is dat bij de vereenvoudigde aangifte nog meer gegevens mogen worden weggelaten;

b. een handels- of administratief bescheid, bijvoorbeeld een factuur.

De aanvullende aangifte kan een algemeen, periodiek of samenvattend karakter hebben. De aangever moet voor deze vorm van aangifte doen in het bezit zijn van een vergunning.

Domiciliëringsprocedure

De domiciliëringsprocedure houdt in dat goederen in de bedrijfsruimten van belanghebbende of in andere door de douane aangewezen of goedgekeurde plaatsen in het vrije verkeer worden gebracht. Om de domiciliëringsprocedure te kunnen volgen, moet de aangever in het bezit zijn van een vergunning.

1.2.2. Elektronische aangifte

Het enige verschil tussen een elektronische aangifte en een schriftelijke aangifte is dat de elektronische aangifte bij de douane wordt ingediend in gecodeerde vorm door middel van een EDI-bericht (electronic data interchange) of op diskette. Om aangifte te kunnen doen met behulp van een EDI-bericht moet de aangever een aansluiting hebben op het systeem Sagitta (Systeem voor de Automatische Gegevensverwerking met betrekking tot Invoeraangiften met Toepassing van Terminals voor het doen van Aangifte). Daarvoor is een vergunning van de inspecteur vereist.

Voor wat betreft het papierloos aangeven wordt verwezen naar dit Handboek, onderdeel 12.00.00 paragraaf 2.2.2.

Een elektronische aangifte bevat dezelfde gegevens als een schriftelijke aangifte. Bij het verlenen van de vergunning kan de inspecteur hiervan afwijken. De inspecteur neemt dit dan op in de vergunning.

(artikel 61, b, CDW, artikel 222 tot en met 224 en 253bis TVo. CDW en artikel 1:11 Algemene douaneregeling)

De douaneaangiften die worden gedaan met behulp van een vereenvoudigde procedure, mogen ook in combinatie met een elektronische aangifte worden toegepast.

1.2.3. Mondelinge aangifte en aangifte door enige andere handeling

De aangifte voor het in het vrije verkeer brengen van goederen mag in bepaalde gevallen worden gedaan door middel van een uitdrukkelijke mondelinge mededeling aan de douane dat men iets wil aangeven of door

middel van het gebruik van het groene kanaal "niets aan te geven" bij de douanekantoren waar een dubbel controlekanaal (rood/groen) aanwezig is.

(artikelen 225 en volgende TVo. CDW).

In tabel 2 staat vermeld in welke gevallen voor de douaneregeling "in het vrije verkeer brengen" de aangifte mondeling kan worden gedaan:

Tabel 2

Soort goederen Voorwaarden
.................. ......................................................

Niet-commerciële goederen (dit zijn "goederen waaraan elk handelskarakter vreemd is")

- die worden meegevoerd in de persoonlijke bagage van de reiziger; of

- die zich bevinden in aan particulieren gerichte zendingen; of

- waarvoor de douane de mondelinge aangifte toestaat. Dit mag de douane alleen toestaan in onbelangrijke gevallen.

    De douane staat dit bijvoorbeeld toe voor goederen:

    a. die niet in de statistiek worden opgenomen;

    b. waarvan de waarde en het gewicht beneden de statistische drempel blijven.

    Zie Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009, opgenomen in het boekwerk Wetgeving Douane, onder nummer 20.00.00, Verordening (EU) nr. 113/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 9 februari 2010, opgenomen in het boekwerk Wetgeving Douane, onder nummer 20.00.10 en het onderdeel "Statistiek", opgenomen onder nummer 37.00.00 van dit Handboek.

Commerciële goederen

a. die geen hogere waarde hebben dan € 1.000; en

b. die niet meer wegen dan 1.000 kg; schriftelijk/elektronisch aangifte doen en

c. die geen deel uitmaken van een regelmatige reeks van soortgelijke invoerbewegingen. Het moet dus gaan om incidentele zendingen; en

d. die geen deel uitmaken van een grotere lading die wordt vervoerd door een onafhankelijke vervoerder. Anders zou een vrachtwagenchauffeur bijvoorbeeld dertig maal een doos kunnen aangeven waarbij de waarde elke keer onder de € 800 blijft.

Op basis van artikel 225 Tvo. CDW en Verordening (EG) nr. 471/2009, artikel 3, lid 4 geldt schematisch gezien het volgende:

Zending < 1.000 euro + < 1.000 kg = mondeling aangeven + niet in de statistiek opnemen

Zending < 1.000 euro + > 1.000 kg = schriftelijk/elektronisch aangifte doen + in de statistiek opnemen

Zending > 1.000 euro + < 1.000 kg = schriftelijk/elektronisch aangifte doen + in de statistiek opnemen

Zending > 1.000 euro + > 1.000 kg = schriftelijk/elektronisch aangifte doen + in de statistiek opnemen

Overige goederen

a. voor zover deze als terugkerende goederen voor een vrijstelling in aanmerking komen;
Bijvoorbeeld leeg verpakkingsmateriaal dat gevuld werd uitgevoerd en waarop het merk voorkomt van een binnen de EG gevestigde onderneming.
Een limitatieve opsomming van de hier bedoelde goederen waarvoor de aangifte mondeling mag worden gedaan is opgenomen in artikel 229 TVo. CDW.

b. waarvoor ook een aangifte kan worden gedaan door enige andere handeling. Een limitatieve opsomming van de hier bedoelde goederen is opgenomen in artikel 230 TVo. CDW (zie hierna).

De aangifte kan soms ook worden gedaan door enige andere handeling. Deze aangiftevorm mag alleen voor bepaalde goederen worden gebruikt, zoals reizigersbagage, waarvoor vrijstelling van belasting geldt. De aangifte wordt gedaan door middel van het gebruik van het groene kanaal "niets aan te geven, bijvoorbeeld bij de douanekantoren die een dubbel controlekanaal (rood/groen) hebben of het gewoonweg overschrijden van de grens of het passeren van het douanekantoor.

(artikelen 230 en volgende TVo. CDW)

1.2.4. Bij de aangifte te voegen stukken

Zoals hiervoor al is opgemerkt, moeten bij de aangifte voor het vrije verkeer volgens de normale procedure alle vereiste bescheiden zijn gevoegd. Het gaat hier om de volgende bescheiden.

(artikel 218 TVo. CDW)

a. De factuur.
Een factuur is een bescheid dat een specificatie inhoudt van de geleverde goederen. Het bevat ten minste de volgende punten:

- naam­, adres­, woonplaatsgegevens van de verkoper;

- naam­, adres­, woonplaatsgegevens van de koper;

- gegevens over de goederen: hoeveelheid, prijs, kwaliteit, leveringsvoorwaarden en betalingscondities.

b. Een D.V.1
Een D.V.1 is een formulier voor de aangifte van gegevens inzake de douanewaarde van de goederen. Bij een elektronische aangifte wordt ook de D.V.1 elektronisch aangeleverd.
(artikelen 178 en volgende TVo. CDW)

c. De documenten die vereist zijn voor de toepassing van een preferentiële tariefregeling of van iedere andere van de normale voorschriften afwijkende regeling die op de aangegeven goederen van toepassing is.

Voor de toepassing van preferentiële tariefregelingen worden in het handelsverkeer verschillende documenten (certificaten) gebruikt. Dit zijn bijvoorbeeld een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, een formulier EUR.2, een certificaat van oorsprong Formulier A, een certificaat A.TR.1 en certificaat A.TR.3.

Ook bij autonome schorsingsregelingen moeten soms certificaten worden overgelegd. Zo'n schorsingsmaatregel voorziet in een verlaging of vrijstelling van de rechten bij invoer. Een voorbeeld van zo'n certificaat is het Echtheidscertificaat rundvlees.

Bovendien kunnen bepaalde goederen door hun aard of bijzondere bestemming in aanmerking komen voor een gunstige tariefbehandeling. Toepassing van zo'n gunstige tariefbehandeling is vaak afhankelijk van de overlegging van certificaten. Het gaat hierbij om certificaten:

- van echtheid: voor druiven, whisky, wodka en tabak;

- voor de "fondues" geheten preparaten;

- van benaming van oorsprong voor wijn;

- van kwaliteit voor natriumnitraat.

De modellen van de certificaten zijn in meerdere bijlagen bij de TVo. CDW vastgesteld. Een overzicht van de modellen van certificaten en vergunningen voor een bepaalde gunstige tariefregeling zijn opgenomen in het Overzicht certificaten van het boekwerk Heffingen bij invoer, deel II, onder nummer 2­001.

d. Alle andere bescheiden die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen voor het in het vrije verkeer brengen.

Deze stukken dienen om aan te tonen dat aan de nationale of communautaire voorwaarden is voldaan. Bijvoorbeeld een grenspassagecertificaat waaruit blijkt dat levende dieren en bepaalde veterinaire producten bij het binnenbrengen zijn aangemeld en bij de keuring in orde zijn bevonden. Zie verder onder paragraaf 1.2.5.

e. Een paklijst.
Wanneer eenzelfde soort goederen in verscheidene colli wordt aangeboden, kunt u eisen dat een paklijst of een gelijkwaardig bescheid wordt overgelegd, waarin de inhoud van ieder collo is vermeld.

1.2.5. Het vervullen van verdere formaliteiten

Naast de aangifte zijn er nog enkele verdere formaliteiten. Het gaat hier om het in acht nemen van nationale of communautaire voorwaarden op het gebied van de landbouwpolitiek, de handelspolitiek (onder andere maatregelen van toezicht of vrijwaringsmaatregelen, kwantitatieve beperkingen, invoerverboden), veterinaire en fytosanitaire maatregelen en maatregelen in het kader van de volksgezondheid, de milieuwetgeving, de openbare orde en verkeer en veiligheid.

De voorschriftgeving op deze terreinen vindt u met name in dit boekwerk Handboek, onderdeel 13.01.00 en het Handboek Veiligheid, Gezondheid, Economie en Milieu

Het voldoen aan nationale of communautaire voorwaarden wordt meestal aangetoond door het overleggen van bepaalde bescheiden bij de aangifte. Het gaat hier vooral om:

a. vergunningen (hieronder vallen in het bijzonder de invoervergunningen bedoeld in de artikelen 5:2 tot en met 5:8 Algemene douaneregeling)

b. toezichtformulieren voor de producten die onder communautair toezicht zijn geplaatst in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek;

c. certificaten voor landbouwgoederen, zoals bedoeld in artikel 3:1 Algemeen douanebesluit;

d. niet-preferentiële certificaten van oorsprong;

e. Cites certificaten (op grond van de Washington Convention on the International Trade of Endangered Species) voor bedreigde uitheemse dier­ en plantensoorten;

f. veterinaire certificaten voor dieren en dierlijke producten, zoals grenspassagecertificaten;

g. fytosanitaire certificaten voor planten, bloemen, groenten en fruit;

h. consenten voor vuurwapens;

i. vervoers­ en keuringsdocumenten van gevaarlijke stoffen.

Soms moet op de goederen een keurmerk zijn aangebracht ten teken dat aan bepaalde voorwaarden is voldaan, bijvoorbeeld op brandblusapparaten.

1.3. Het voldoen van de wettelijk verschuldigde rechten

De aangever moet de wettelijk verschuldigde rechten betalen. Naast de aangever kunnen ook andere personen voor de douaneschuld worden aangesproken.

(artikel 201 CDW)

Hierna vindt u achtereenvolgens beschreven:

- welke rechten de EG­wetgeving hieronder verstaat;

- welke nationale belastingen (omzetbelasting, accijns en verbruiksbelasting) bij invoer verschuldigd zijn;

Hier worden tevens de gevallen toegelicht waarin de heffing van omzetbelasting is of kan worden verlegd van de grens naar het binnenland. Daarnaast worden de mogelijkheden uiteengezet die er zijn om de heffing van accijns en verbruiksbelastingen bij invoer uit te stellen.

Ook wordt ingegaan op de gevallen waarin een buitenlandse ondernemer zich voor de heffing van nationale belastingen kan laten vertegenwoordigen door een fiscaal vertegenwoordiger.

- de berekening van de belasting, de betaling van de belasting en uitstel van de betaling.

1.3.1. Wettelijk verschuldigde rechten op grond van EG­wetgeving

Met de wettelijk verschuldigde rechten worden bedoeld de rechten bij invoer, gedefinieerd in artikel 4, lid 10, CDW. In tabel 3 is een overzicht opgenomen van de "rechten bij invoer" op grond van EG-wetgeving.

Onder rechten bij invoer vallen:

Tabel 3

Recht bij invoer Basis voor toepassing
.................... .....................................................

Douanerechten

Dit zijn ten eerste de rechten die worden geheven op basis van het gemeenschappelijk douanetarief van de EG (Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (Pb. EG L 256) (bekend als gecombineerde nomenclatuur, kortweg GN).

Ten tweede hebben de lidstaten in een beperkt aantal gevallen nog de bevoegdheid om nationaal douanerechten in te stellen. Het instellen van deze rechten is gebaseerd op multilaterale verdragen waarbij de Benelux-landen partij zijn, of op besluiten van bij die verdragen opgerichte volkenrechtelijke organisaties. Men kan hierbij met name denken aan de heffingen op goederen die vallen onder de werkingssfeer van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (Trb. 1951, 82; 1953, 50).

Heffingen met een gelijke werking als een douanerecht

Dit zijn heffingen die om bijzondere handelspolitieke redenen naast het gewone recht bij invoer worden ingesteld. Hiertoe behoren anti­dumpingheffingen en compenserende heffingen.

Anti­dumpingheffingen worden ingesteld als een in de EG gevestigde bedrijfstak schade ondervindt of dreigt te ondervinden doordat producten uit derde landen in de Gemeenschap in het vrije verkeer worden gebracht beneden de thuismarktprijs van het exporterende land.

Als schade of dreigende schade wordt veroorzaakt door producten waarvoor subsidies zijn verleend in het land van oorsprong of uitvoer, kan voor die producten een compenserend recht worden ingesteld.

Rechten van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT)
(v/h landbouwheffingen)

Deze heffingen (voorheen "landbouwheffingen" genoemd) zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Als gevolg van de overeenkomst inzake de landbouw, gesloten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Urugay­Ronde (GATT-Overeenkomst (landbouw)), gelden thans:

a. rechten van het GDT voor vrijwel alle landbouwproducten;

b. invoerrechten voor granen en rijst;

c. aanvullende invoerrechten in de gevallen dat marktverstoring (in de Europese Unie) dreigt.

Heffingen die zijn vastgesteld op basis van specifieke regelingen

Dit betreft heffingen die van toepassing zijn op bepaalde goederen waarin grondstoffen zijn verwerkt waarvoor een gemeenschappelijk landbouwbeleid is vastgesteld ("verwerkte goederen" of "non­annex II producten" genoemd). Deze heffingen dienen om te voorkomen dat de verwerkende industrie binnen de Gemeenschap door de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief zou worden ontwricht. Voor de goederen die verkregen zijn door verwerking van landbouwproducten, kunnen geen "rechten van het gemeenschappelijk douanetarief" worden vastgesteld. Deze heffingen kunnen namelijk alleen betrekking hebben op primaire landbouwproducten die zijn genoemd in Bijlage II van het EG­Verdrag.

Met primaire landbouwproducten worden bedoeld de voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij, en ook de producten in eerste graad van bewerking die met de genoemde voortbrengselen rechtstreeks verband houden. Dit zijn bijvoorbeeld levende dieren, vlees en bereidingen van vlees en van vis, melk en zuivelproducten, groenten, fruit en bereidingen van groenten en van vruchten, granen en producten van de meelindustrie.

1.3.2. Nationale belastingen: omzetbelasting, accijns, verbruiksbelasting

De omzetbelasting, de accijns en de verbruiksbelastingen vallen niet onder de douanerechten. Voor deze belastingen bij invoer is aansluiting gezocht bij het CDW en de Algemene douanewet. Dit houdt in dat de regels omtrent de heffing en invordering van zowel deze drie belastingsoorten bij invoer als de rechten bij invoer onder de werkingssfeer vallen van het CDW, de Algemene douanewet en de Invorderingswet 1990. Het praktische voordeel hiervan is dat alle noodzakelijke heffingen en belastingen op dezelfde wijze en tegelijkertijd kunnen worden gerealiseerd.

(artikel 22 Wet op de omzetbelasting 1968, artikel 62 Wet op de accijns en artikel 26 Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten)

1.3.3. Verlegging van de heffing of uitstel van de heffing

In bepaalde gevallen kan de heffing van omzetbelasting bij invoer van goederen op grond van artikel 23 van de Wet op de omzetbelasting 1968 van de grens naar het binnenland worden verlegd. De verlegging kan ook plaatsvinden voor een buitenlandse ondernemer die in Nederland in aanraking komt met de heffing van omzetbelasting. Hij moet zich daartoe in Nederland laten vertegenwoordigen door een zogenaamde fiscaal vertegenwoordiger.

De wet op de accijns en de wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten bevatten eveneens voorzieningen om de accijnsheffing en de heffing van verbruiksbelastingen bij invoer uit te stellen.

Hieronder worden de verlegging van de omzetbelasting, de fiscale vertegenwoordiging en het uitstel van de heffing van accijns en verbruiksbelasting toegelicht.

1.3.4. Verlegging van de heffing van omzetbelasting naar het binnenland

Artikel 23 Wet op de omzetbelasting 1968 opent de mogelijkheid de bij invoer van goederen verschuldigde omzetbelasting te heffen van de ondernemer die de goederen invoert of doet invoeren. Deze verlegging betekent dat de belasting niet bij het doen van de aangifte voor het vrije verkeer behoeft te worden voldaan, maar dat de ondernemer het verschuldigde bedrag periodiek op aangifte kan voldoen. Daarmee komt de heffing geheel los te staan van de Algemene douanewet en wordt zij beheerst door de regelen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen die gelden voor een aangiftebelasting.

De wegens invoer van goederen verschuldigde omzetbelasting moet de ondernemer opnemen in een daarvoor aangewezen rubriek van de binnenlandse aangifte voor leveringen of diensten, die periodiek (per maand of per kwartaal) ingediend moet worden. Het wegens invoer van goederen verschuldigde bedrag moet hij zelf berekenen en op de aangifte invullen.

De verlegging staat geheel los van de eventuele heffing van recht bij invoer of van eventuele verschuldigdheid van accijns of landbouwheffing. Toepassing van de verleggingsregeling is gebonden aan een aanwijzing door of namens de Minister van Financiën. Hieraan is in de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 uitvoering gegeven door aanwijzing van goederen en van ondernemers.

            Aangewezen goederen

Toepassing van de verleggingsregeling geldt voor alle ondernemers voor wat betreft ten invoer tot verbruik bestemde goederen die zijn opgenomen in bijlage A van de Uitvoeringsbeschikking.

(artikel 17 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Bij invoer van deze goederen door of ten behoeve van ondernemers behoeft dus nooit omzetbelasting aan de grens te worden betaald, maar wordt de heffing daarvan (verplicht) verlegd naar het binnenland.

De goederen die in bijlage A zijn opgenomen, zijn in het algemeen goederen die niet voor particulier gebruik geschikt zijn (voornamelijk grondstoffen en halffabrikaten) en die gemakkelijk herkenbaar zijn. Bij het samenstellen van bijlage A is aansluiting gezocht bij de posten en onderverdelingen van de gecombineerde nomenclatuur. Voorbeelden van de in bijlage A genoemde goederen zijn:

- haar van varkens en van wilde zwijnen van post 05.02;

- cacaobonen van post 18.01;

- metaalertsen en concentraten daarvan van de posten 26.01 tot en met 26.17;

- bepaalde halffabrikaten van ijzer of van niet­gelegeerd staal van (ex)post 72.08 en bepaalde gewalste platte producten, van ijzer of van niet­gelegeerd staal van de (ex)posten 72. 08, 72.09 en 72.11;

- luchtvaartuigmotoren van de GN­onderverdelingen 8407 1010 en 8407 10 90. Dit zijn bepaalde luchtvaartuigmotoren die zijn ingericht om te worden voorzien van een luchtschroef of van een rotor;

- turbinestraalmotoren, schroefturbines en straalmotoren (reactiemotoren) van de GN­onderverdelingen 8411 1110 tot en met 8411 1290 en 8412 1010 en 8412 1090.

            Aangewezen ondernemers

Toepassing van de verleggingsregeling geldt ook voor alle ondernemers die door de inspecteur der omzetbelasting zijn aangewezen.

(artikel 18 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Een ondernemer kan op zijn verzoek worden aangewezen voor de toepassing van artikel 23 Wet op de omzetbelasting 1968. De belangrijkste standaardvoorwaarden voor een aanwijzing zijn dat belanghebbende geregeld goederen uit het buitenland betrekt en dat zijn bedrijfsadministratie aan bepaalde eisen voldoet. Bij inwilliging van het verzoek wordt aan de ondernemer een BTW­identificatienummer toegekend, het zogenaamde BTW­codenummer. Dit moet u niet verwarren met het omzetbelastingnummer of BTW­nummer, waaronder een ondernemer in de administratie van de inspecteur der omzetbelasting bekend is.

Aanwijzing betekent dat de heffing van omzetbelasting wegens invoer van goederen wordt verlegd naar de binnenlandse aangifte omzetbelasting en niet plaatsvindt op dezelfde wijze als het recht bij invoer. Zolang de ondernemer niet over een aanwijzing voor de toepassing van artikel 23 Wet op de omzetbelasting 1968 beschikt, wordt de omzetbelasting ter zake van de invoer van goederen geheven op dezelfde manier als het recht bij invoer, dat wil zeggen in beginsel bij het doen van de aangifte voor het vrije verkeer.

Bij invoer met verlegging bestaat de verplichting op eerste vordering een kopiefactuur of een daarmee gelijk te stellen bescheid in te leveren.

1.3.5. Buitenlandse ondernemers en Fiscale vertegenwoordiging voor de heffing van omzetbelasting

Op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 is het brengen van goederen in het vrije verkeer van Nederland één van de grondslagen voor de heffing van omzetbelasting. Er is sprake van invoer van goederen in de zin van de Wet op de omzetbelasting. Een buitenlandse ondernemer die zijn goederen in Nederland in het vrije verkeer brengt, komt hierdoor in Nederland in aanraking met de heffing van omzetbelasting. Een buitenlandse ondernemer is een ondernemer die niet in Nederland woont of is gevestigd en hier ook niet een vaste inrichting heeft.

            Registratie

Iedere buitenlandse ondernemer die in Nederland in aanraking komt met de heffing van omzetbelasting, moet zich in Nederland laten registreren. Voor de registratie moet een Nederlandse BTW­identificatienummer worden aangevraagd bij: Belastingdienst / Particulieren / Ondernemingen Buitenland, afdeling ondernemingen te Heerlen.

Registratie is niet nodig in de gevallen dat uitsluitend wordt geopereerd door middel van een fiscaal vertegenwoordiger met een beperkte vergunning (zie hierna.

            Fiscaal vertegenwoordiger

De fiscale verplichtingen voor de Nederlandse omzetbelasting kan de buitenlandse ondernemer zelf voldoen, of hij kan daarvoor een fiscaal vertegenwoordiger aanstellen.

Artikel 33a van de Wet op de omzetbelasting 1968 opent de mogelijkheid voor een buitenlandse ondernemer om zich in Nederland te laten vertegenwoordigen door een fiscaal vertegenwoordiger. Deze treedt op namens de buitenlandse ondernemer met betrekking tot alle rechten en verplichtingen inzake de aangifte en de betaling van de belasting.

In het kort komen de bepalingen er op neer dat in de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 een voorziening is opgenomen waardoor aan een buitenlandse ondernemer met een fiscaal vertegenwoordiger een vergunning ingevolge artikel 23 Wet op de omzetbelasting 1968 kan worden verleend.

Er zijn twee vormen van fiscale vertegenwoordiging:

- een fiscale vertegenwoordiger met een algemene vergunning;

- een fiscale vertegenwoordiger met een beperkte vergunning.

Een fiscaal vertegenwoordiger met algemene vergunning treedt op namens de buitenlandse ondernemer voor alle leveringen en diensten waarvoor de buitenlandse ondernemer belasting is verschuldigd, de intracommunautaire verwervingen en de invoer, behalve voor de gevallen dat bij invoer en de daarop volgende leveringen een fiscaal vertegenwoordiger met een beperkte vergunning is aangesteld. Per buitenlandse ondernemer kan slechts van de diensten van één fiscaal vertegenwoordiger met een algemene vergunning gebruik worden gemaakt. Voor deze vorm van fiscaal vertegenwoordiging moet de buitenlandse ondernemer in Nederland geregistreerd zijn.

In de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 is een voorziening opgenomen waardoor aan een fiscaal vertegenwoordiger met algemene vergunning, op verzoek, een vergunning op grond van artikel 23 Wet op de omzetbelasting 1968 kan worden verleend om de bij invoer verschuldigde omzetbelasting te verleggen naar de periodieke aangifte omzetbelasting. De fiscaal vertegenwoordiger met algemene vergunning moet per buitenlandse ondernemer zo'n artikel 23­vergunning aanvragen.

(Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 en artikel 23 Wet op de omzetbelasting 1968)

De buitenlandse ondernemer is verplicht een fiscaal vertegenwoordiger met algemene vergunning aan te stellen als hij het nultarief van de omzetbelasting van toepassing wil laten zijn bij leveringen naar of in een accijnsgoederenplaats of een inrichting.

Bij invoer van accijnsgoederen, alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak is verlegging van de verschuldigde accijnsheffing of heffing verbruiksbelasting via een fiscaal vertegenwoordiger niet mogelijk. De Wet op de accijns en de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten voorzien hier niet in.

Een fiscaal vertegenwoordiger met een beperkte vergunning treedt op namens de buitenlandse ondernemer voor de invoer van goederen en de daarop volgende leveringen. Een buitenlandse ondernemer kan van de diensten van meer dan één fiscaal vertegenwoordiger met beperkte vergunning gebruik maken.

Als de buitenlandse ondernemer gebruik maakt van de diensten van een fiscaal vertegenwoordiger met een beperkte vergunning is geen individuele registratie van die ondernemer in Nederland nodig.

Een fiscaal vertegenwoordiger met een beperkte vergunning kan bij het in het vrije verkeer brengen van derde­landen-goederen aangifte voor het vrije verkeer doen. Hij moet in de aangifte het BTW­codenummer vermelden dat aan hem is toegekend in zijn hoedanigheid van fiscaal vertegenwoordiger (in verband met de verlegging op de voet van artikel 23 Wet op de omzetbelasting 1968, met voldoening van invoerrechten en heffingen.

1.3.6. Uitstel van de heffing van accijns en van verbruiksbelasting

De accijns en de verbruiksbelastingen zijn al bij overschrijding van de grens vanuit een derde land verschuldigd. De wet op de accijns en de wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten bevatten echter de mogelijkheid om deze heffingen bij invoer uit te stellen.

In de volgende gevallen kan de accijnsheffing bij binnenkomst in Nederland voorlopig achterwege blijven:

- de goederen worden weer buiten Nederland gebracht;

- de goederen worden overgebracht naar een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed is aangewezen.

Een accijnsgoederenplaats is een inrichting waar goederen onder schorsing van de accijns (onder andere) mogen worden ontvangen en verzonden. Het overbrengen naar een accijnsgoederenplaats moet worden aangetoond met een vervoersopdracht. De vervoersopdracht moet worden overgelegd bij de aangifte voor het vrije verkeer ten bewijze dat geen accijns ter zake van de invoer verschuldigd is. Als de accijnsgoederen op de juiste wijze zijn overgebracht, zal de accijns pas verschuldigd worden bij de uitslag uit de accijnsgoederenplaats.

(artikel 3, lid 3, Wet op de accijns en artikel 4 Uitvoeringsbesluit accijns)

Voor alcoholvrije dranken, pruimtabak en snuiftabak geldt dat de heffing van verbruiksbelasting voorlopig achterwege kan blijven bij binnenkomst in Nederland vanuit een derde land in de volgende gevallen:

- de goederen worden weer buiten Nederland gebracht;

- de goederen worden overgebracht naar een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen.

Een "inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen" is een inrichting waar goederen onder schorsing van de verbruiksbelasting (onder andere) mogen worden ontvangen en verzonden.

Het overbrengen naar een "inrichting die voor dat soort goed is aangewezen" moet worden aangetoond met een vervoersopdracht. De vervoersopdracht moet worden overgelegd bij de aangifte voor het vrije verkeer ten bewijze dat geen verbruiksbelasting ter zake van de invoer verschuldigd is. Als de goederen op de juiste wijze zijn overgebracht, zal de verbruiksbelasting pas verschuldigd worden bij de uitslag uit de inrichting.

(artikel 5, lid 3, Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten en artikel 8 Uitvoeringsbesluit alcoholvrije dranken en van enkele andere producten)

            Fiscale vertegenwoordiging en heffing accijns of verbruiksbelasting

Bij de invoer van accijnsgoederen, alcoholvrije dranken, pruimtabak en snuiftabak is verlegging van de verschuldigde accijnsheffing of verbruiksbelasting via een fiscaal vertegenwoordiger niet mogelijk.

Dit betekent dat de accijns of de verbruiksbelasting ofwel bij invoer moet worden voldaan, ofwel dat de betreffende goederen naar een accijnsgoederenplaats of naar een inrichting worden gebracht waar de goederen onder schorsing van de accijns of de verbruiksbelasting mogen worden ontvangen en worden verzonden.

Wil een buitenlandse ondernemer het nultarief van de omzetbelasting van toepassing laten zijn bij zijn leveringen naar of in een accijnsgoederenplaats of een inrichting, dan is hij verplicht een fiscaal vertegenwoordiger met algemene vergunning of met een beperkte vergunning aan te stellen.

1.3.7. Berekening van de belasting, betaling van de belasting en uitstel van betaling

Voor de berekening van de belasting is in beginsel bepalend het tijdstip waarop de ambtenaren de aangifte aanvaarden.

(artikel 67 CDW)

De verschuldigde belasting moet worden betaald uiterlijk 10 dagen nadat de verificatie is geëindigd of, indien geen verificatie plaatsvindt, nadat daarvan mededeling is gedaan aan de aangever.

De aangever kan overigens pas beschikken over de goederen als de belasting is voldaan of als uitstel van betaling is verleend.

(artikel 74 en 222 CDW)

Op verzoek kan uitstel van betaling worden verleend. Aan het verlenen van uitstel van betaling is de voorwaarde verbonden dat de verzoeker zekerheid stelt.

(artikel 224 CDW)

De meest bekende vorm is uitstel in de vorm van maandbetalingen. Voor de belasting die gedurende een kalendermaand verschuldigd wordt, wordt uitstel van betaling verleend tot de vijftiende dag van de maand volgende op de maand waarin de goederen ter beschikking van de aangever zijn gesteld.

            Voorbeeld uitstel maandbetalingen

Voor de belasting die de aangever verschuldigd wordt in de periode van 1 tot en met 30 juni wegens aangiften voor het vrije verkeer krijgt hij uitstel van betaling tot 15 juli.

1.4. Verliezen van de douanestatus communautaire goederen

Door het in het vrije verkeer brengen krijgen de goederen de douanestatus van communautaire goederen. In bepaalde gevallen kunnen de goederen die status verliezen.

(artikel 79 en 83 CDW)

Goederen die de status van communautaire goederen verliezen, krijgen hierdoor de douanestatus niet­communautaire goederen. De goederen zijn dan niet langer in het vrije verkeer van de lidstaat.

(artikel 4 en 83 CDW)

In de volgende gevallen verliezen goederen hun status van communautaire goederen.

a. Een reeds aanvaarde aangifte voor het vrije verkeer wordt na vrijgave van de goederen ongeldig gemaakt.

b. De rechten bij invoer voor deze goederen worden terugbetaald of kwijtgescholden.

Beide situaties worden hieronder uitgewerkt.

1.4.1. Ongeldig maken van de aangifte na vrijgave van de goederen

Onder bepaalde omstandigheden kan de douane een aangifte voor het vrije verkeer na vrijgave ongeldig maken.

(artikel 66, lid 2, CDW)

Dit gebeurt op verzoek en onder de in artikel 251 TVo. CDW opgenomen voorwaarden. Verder moet een van de volgende situaties zijn vastgesteld:

- De goederen zijn bij vergissing aangegeven voor het vrije verkeer, in plaats van onder een andere douaneregeling te zijn gebracht.

- De goederen zijn bij vergissing in de plaats van andere goederen aangegeven voor het vrije verkeer.

Daarnaast geldt een speciale regeling voor goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht in het kader van een postorderverkoop. De aangifte voor het vrije verkeer voor deze goederen kan ongeldig gemaakt worden als:

- een verzoek tot ongeldigmaking wordt ingediend;

- het verzoek binnen drie maanden na aanvaarding van de aangifte wordt ingediend;

- de goederen naar het adres van de oorspronkelijke leverancier (of naar een ander adres dat door de oorspronkelijke leverancier is opgegeven) zijn uitgevoerd.

(artikel 251, lid 1ter, TVo. CDW)

Voor meer informatie over ongeldigmaking kunt u hoofdstuk 11 van onderdeel 12.00.00 van dit Handboek raadplegen.

1.4.2. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer

Hieronder worden drie situaties beschreven waarin sprake kan zijn van terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer.

a. Ten eerste kan terugbetaling of kwijtschelding plaatsvinden als een houder van een vergunning actieve veredeling in de vorm van het terugbetalingssysteem aantoont dat de goederen (in de vorm van veredelingsproducten of in ongewijzigde staat) met het oog op de latere wederuitvoer ervan, onder de regeling douanevervoer, het stelsel van douane-entrepots, de regeling tijdelijke invoer of de regeling actieve veredeling (schorsingssysteem) zijn geplaatst dan wel in een vrije zone of vrij entrepot zijn gebracht.
(artikel 128 CDW)

b. Ten tweede kan terugbetaling of kwijtschelding plaatsvinden als wordt vastgesteld dat de goederen door de importeur worden geweigerd omdat zij gebreken vertonen of niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het contract op grond waarvan zij zijn ingevoerd.
(artikel 238 CDW)

c. Ten derde kan terugbetaling of kwijtschelding plaatsvinden in situaties die niet het gevolg zijn frauduleus handelen of klaarblijkelijke nalatigheid van belanghebbende. De situaties en voorwaarden waarin tot terugbetaling of kwijtschelding kan worden overgegaan zijn vastgesteld in de artikelen 899 en volgende TVo. CDW. Zo kan bijvoorbeeld tot terugbetaling of kwijtschelding worden overgegaan, wanneer:

- een rechterlijke instantie een verbod heeft uitgevaardigd op het in de handel brengen van de goederen;

- goederen door een aangever die bevoegd is dit te doen in het vrije verkeer zijn gebracht en zij, om een oorzaak buiten de wil van deze aangever, niet aan de geadresseerde konden worden geleverd;

- goederen aan de geadresseerde werden geleverd door een vergissing van de afzender.

(artikel 239 CDW, artikelen 899 en volgende TVo. CDW)

1.5. Nadere bepalingen

Hierna komen in het kort enkele aanvullende bepalingen op de normale (standaard)aangifteprocedure aan de orde.

1.5.1. Extra exemplaren van de aangifte

In sommige gevallen zijn bij een schriftelijke aangifte extra exemplaren van de aangifte noodzakelijk omdat er nog bepaalde handelingen moeten worden verricht nadat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht. Denk hierbij aan het terugvragen van omzetbelasting door een in het buitenland gevestigde ondernemer. Als de aangifte elektronisch wordt gedaan, moeten in dat geval extra bescheiden (zogenaamde hard copy's van de elektronische aangifte worden afgedrukt.

Verdere bijzonderheden hierover staan opgenomen in hoofdstuk 8.

1.5.2. Aanvullende bepalingen die verband houden met het douanetoezicht

Voor de volgende goederen houdt bij de vrijgave het douanetoezicht niet op.

a. Goederen die met toepassing van een gunstige tariefregeling uit hoofde van hun bijzondere bestemming in het vrije verkeer zijn gebracht.

b. Goederen die met toepassing van een schorsingsregeling of een economische douaneregeling met vrijstelling van belasting zijn ingevoerd of tijdelijk in het vrije verkeer zijn gebracht.

Ten behoeve van het verdere douanetoezicht moeten enkele aanvullende formaliteiten in acht worden genomen. Nadere bijzonderheden hierover staan opgenomen in hoofdstuk 10.

1.6. Uitzonderingen

De normale (standaard) aangifteprocedure gaat ervan uit dat de douane niet eerder aangiften voor het vrije verkeer aanvaardt dan nadat de goederen bij de douane zijn aangebracht en dat de douane alleen die aangiften aanvaardt die volledig zijn ingevuld en waarbij alle bescheiden zijn gevoegd die voor het in het vrije verkeer brengen van de betreffende goederen zijn vereist. De douane geeft de goederen pas vrij nadat de aangever alle formaliteiten voor de goederen heeft vervuld.

(artikel 63 CDW)

Op deze normale (standaard)procedure bestaan uitzonderingen.

1.6.1. Vereenvoudigde procedures

Bepaalde uitzonderingen zien op vereenvoudigingen ten opzichte van de normale (standaard) procedure van het in het vrije verkeer brengen van goederen. We onderscheiden hierbij de:

aangiften vooraf;

onvolledige aangiften;

vereenvoudigde aangiften;

domiciliëringsprocedure.

Nadere bijzonderheden hierover staan opgenomen in hoofdstuk 9.

1.6.2. Afwijkingen van de normale (standaard) procedure

Andere uitzonderingen betreffen afwijkingen van de normale (standaard) aangifteprocedure die te maken hebben met de soort van de goederen die in het vrije verkeer worden gebracht, zoals ramsj, monsters van opgeslagen goederen, goederen die deel uitmaken van postzendingen en militaire goederen.

Ook bestaat er bijvoorbeeld een afwijkende regeling als ná het aanvaarden van de aangifte, maar vóór het moment van vrijgave van de goederen het tarief van het recht bij invoer wordt verlaagd.

Uitzondering wordt ook gemaakt voor de wederinvoer van communautaire goederen die tijdelijk zijn uitgevoerd onder dekking van een carnet ATA

Verder is voor het in het vrije verkeer brengen van goederen voor het Koninklijk Huis een speciale regeling getroffen.

Een geheel afwijkende procedure geldt voorts voor het in het vrije verkeer brengen met vrijstelling van belasting van diplomatieke goederen en consulaire goederen.

Hierna vindt u enkele bijzonderheden over de volgende afwijkende regelingen:

toepassing gunstiger tarief bij vrijgave;

toepassing hoogste recht;

aangifte ten invoer tot verbruik van monsters van opgeslagen goederen;

aangifte met gebruikmaking van carnet ATA;

postzendingen;

militaire goederen;

Koninklijk Huis;

diplomatieke en consulaire goederen; Douane 39;

- visserijproducten gevangen in de territoriale wateren van derde landen.

            Toepassing gunstiger tarief bij vrijgave ­ Verzoek toepassing artikel 80 CDW

Voor de berekening van de douanerechten en de heffingen van gelijke werking is in beginsel bepalend het tijdstip waarop de aangifte door de ambtenaren bij wie de aangifte is gedaan, is aanvaard. Van dit beginsel kan echter worden afgeweken. Als het tarief van de genoemde rechten en heffingen op het moment van vrijgave van de goederen lager is dan bij aanvaarding van de aangifte, dan kan als beslissend tijdstip gelden het moment van vrijgave van de goederen. Als het tarief wordt verlaagd voordat de goederen zijn vrijgegeven, mag de aangever om toepassing van dit gunstiger tarief verzoeken.

(artikelen 67 en 80 CDW)

Details van deze uitzondering zijn opgenomen in paragraaf 6.3.1.

            Toepassing hoogste recht ­ Verzoek toepassing artikel 81 CDW

De normale (standaard)procedure gaat ervan uit dat bij het in het vrije verkeer brengen van goederen aangifte worden gedaan naar de onderscheidingen van het tarief. Op verzoek van de aangever kan de douane toestaan dat een zending of een gedeelte daarvan wordt aangegeven naar de soort van de goederen waarvoor de hoogste belasting is verschuldigd.

Verdere bijzonderheden hierover vindt u in paragraaf 11.2.

            Aangifte met gebruikmaking van carnet ATA

Als communautaire goederen tijdelijk zijn uitgevoerd met een carnet ATA kan bij terugkomst van de goederen de aangifte voor het vrije verkeer worden gedaan met gebruikmaking van het carnet ATA.

(artikel 290 TVo. CDW)

Bijzonderheden hierover vindt u in paragraaf 11.3.

            Postzendingen

Op grond van diverse internationale overeenkomsten gelden voor goederen die als postzendingen zijn aan te merken vereenvoudigde procedures voor wat betreft de douanebehandeling daarvan.

(artikel 38, lid 4, CDW en artikel 237 en 238 TVo. CDW en artikel 7:29 en 7:30 Algemene douaneregeling)

Postzendingen zijn goederen die door of vanwege de Post worden behandeld op de voet van:

- het op 5 juli 1974 te Lausanne gesloten Algemeen Postverdrag;

- de overeenkomsten van de Wereldpostvereniging;

- de andere in artikel 22 van de Constitutie van de Wereldpostvereniging (Wenen, 10 juli 1964, Trb. 1975, 91) bedoelde bepalingen.

Bij bepaalde postzendigen worden afwijkende procedures gehanteerd bij het doen van aangiften voor het vrije verkeer. Deze aangifteprocedure bestaat uit het simpele overschrijden van de grens dan wel doordat gebruik wordt gemaakt van afwijkende aangifteformulieren.

De douanebehandeling van postzendingen vindt u meer uitgebreid in het onderdeel "Douanevervoer - Bijzondere regelingen betreffende Postzendingen", opgenomen onder nummer 43.00.00 van dit Handboek. Bijzonderheden over het in het vrije verkeer brengen van postzendingen zijn opgenomen in paragraaf 11.4.

            Militaire goederen

Voor militaire goederen die door bemiddeling van de Productgroep Douane Zaken (PDZ) van de Directie Materieel van de Landmacht voor het vrije verkeer worden aangegeven geldt een afwijkende procedure.

Bijzonderheden over het in het vrije verkeer brengen van militaire goederen zijn opgenomen in paragraaf 11.5.

            Koninklijk Huis

Voor het in het vrije verkeer brengen van goederen voor het Koninklijk Huis is een speciale regeling getroffen. Zie hiervoor paragraaf 11.6.

            Diplomatieke en consulaire goederen; Douane 39

Voor het in het vrije verkeer brengen met voorwaardelijke vrijstelling van belasting met een aangifte Douane 39 van diplomatieke goederen en consulaire goederen geldt een afwijkende procedure waarvan de bijzonderheden zijn uitgewerkt in paragraaf 11.7.

            Visserijproducten gevangen in de territoriale wateren van derde landen

Visserijproducten die door communautaire vissersvaartuigen in de territoriale wateren van derde landen worden gevangen zijn vrijgesteld van rechten bij invoer. Om voor de vrijstelling in aanmerking te komen moet bij de aangifte voor het vrije verkeer een attest worden overgelegd. In onderdeel 26.00.00 van dit Handboek vindt u daarover meer informatie.

(artikel 188 CDW en artikel 856bis TVo. CDW)

1.7. Strafbepalingen

Deze paragraaf behandelt enkele van de strafbepalingen waarmee u bij het in het vrije verkeer brengen van goederen in aanraking kan komen.

1.7.1. Onjuiste / onvolledige aangifte

Het onjuist doen of onvolledig doen van een aangifte is strafbaar.

(artikel 10:5, lid 1, letter a, Algemene douanewet)

De onjuistheid of onvolledigheid hoeft niet verschillen tussen de goederen en de omschrijving daarvan in de aangifte te betreffen. Het kan ook gaan om andere bijzonderheden die in de aangifte vermeld moeten zijn: bijvoorbeeld gegevens over het vervoermiddel waarmee de goederen zijn aangebracht of het codenummer met betrekking tot de verlegging van de heffing van omzetbelasting bij invoer.

Medeplichtigheid aan het doen van een onjuiste of onvolledige aangifte is ook strafbaar.

(artikel 10:16 Algemene douanewet)

1.7.2. Valse of vervalste bescheiden

Het gebruik maken van valse of vervalste bescheiden is strafbaar gesteld bij artikel 10:5, lid 1, Algemene douanewet. Voor de strafbaarheid van het overleggen van valse of vervalste bescheiden bij de verificatie van aangiften is niet vereist dat die overlegging heeft plaatsgevonden op vordering van de ambtenaren.

Gebruiken is niet alleen het indienen of overleggen ter plaatse waar het stuk uitwerking moet of kan hebben, maar ook het overhandigen aan iemand die daarvan verder gebruik moet maken. Gebruiken kan ook plaatsvinden door middel van handelingen waartoe men een ander beweegt, zonder dat "doen plegen" in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht aanwezig behoeft te zijn.

Voor het misdrijf, voorzien in lid 2 van artikel 10:5 Algemene douanewet zal de wetenschap van de dader, dat het geschrift vals of vervalst is, moeten vaststaan.

Meer dan bij andere strafbare feiten kan het hier voorkomen dat de omstandigheden van het geval tot de gevolgtrekking bewegen dat de intellectuele dader het feit in het buitenland heeft gepleegd.

            Uitbreiding werking Nederlandse strafwet

Zou dan het bewijs van het opzettelijk begaan niet kunnen worden geleverd, dan kan in ieder geval de in artikel 10:5, lid 1, letter b., onder 3º, Algemene douanewet omschreven overtreding ten laste worden gelegd, aangezien dat feit op grond van artikel 10:17 Algemene douanewet inzake rijksbelastingen ook strafbaar is, als het in het buitenland is begaan.

1.7.3. Geven van een niet­toegelaten bestemming

Het geven van een niet toegelaten bestemming aan goederen waarvoor een verlaagd recht bij invoer of een nulrecht van toepassing is uit hoofde van de bijzondere bestemming van die goederen is strafbaar.

(artikel 10:4 Algemene douanewet)

Het gebruik voor een andere bestemming is immers een vorm van misbruik die niet alleen de Staat benadeelt, maar ook kan leiden tot verstoring van de concurrentieverhoudingen.

1.7.4. Verplichtingen douane-expediteur

De douane-expediteur die aan zijn opdrachtgever geen gespecificeerde rekening verstrekt, is strafbaar.

(artikel 10:6 juncto artikel 1:11 Algemene douanewet)

1.7.5. Verplichtingen aangever

De aangever is strafbaar als hij niet voldoet aan de eis van de douane om bij het onderzoek van de goederen of de monsterneming aanwezig te zijn of zich daarbij te laten vertegenwoordigen om de noodzakelijke bijstand te verlenen met het doel dit onderzoek of deze monsterneming te vergemakkelijken.

(artikel 10:6 Algemene douanewet juncto artikel 69, lid 2, CDW)

Terug naar tekstnavigatie

Algemeen

Terug naar tekstnavigatie

Domeinen

Website Belastingdienst
Website Douane
Website Toeslagen
Terug naar tekstnavigatie

Vaste functies

Terug naar tekstnavigatie