15.00.00 Douane-entrepots

Tekstnavigatie

Inhoud

Talen

Doelgroepen

Zoeken

Algemeen

Domeinen

Vaste functies

Waar ben ik?

Inhoud

Inhoudsopgave

Handboeken

Handboek Douane

15.00.00 Douane-entrepots

Handboek Douane

15.00.00 Douane-entrepots, 27 september 2010, Versie 5

2. Algemeen

De regeling douane-entrepots is één van de douanebestemmingen die genoemd zijn in het CDW. Deze regeling behoort tot de economische douaneregelingen en is tegelijkertijd een schorsingsregeling. Schorsing wil hier zeggen dat de heffing van belastingen-bij-invoer over de in het douane-entrepot geplaatste goederen en de toepassing van handelspolitieke maatregelen niet direkt bij de binnenkomst van de goederen in het douanegebied plaats vinden. Deze zaken worden door de plaatsing in een douane-entrepot verschoven naar een later, dikwijls nog onbekend tijdstip. De schorsing kan voor belanghebbenden bij de goederen belangrijk zijn. Dat is zeker het geval als er nog kans is op wederuitvoer van de goederen uit het EU-douanegebied.

De wettelijke basis voor douane-entrepots ligt dus in het CDW. De nadere uitgewerking vindt u in de toepassingsverordening bij het CDW. Daarin zijn bijvoorbeeld de diverse types douane-entrepots benoemd en zijn de procedures beschreven voor aanvraag en verlening van de benodigde vergunning(en). Aanvullend zijn in de Nederlandse douanewetgeving nog enkele nationale bepalingen voor douane-entrepots opgenomen.

(artikelen 84, 98 tot en met 113 CDW; artikelen 496 tot en met 535 TVo. CDW; artikelen 26 tot en met 29 Douanebesluit; artikel 55 Douaneregeling)

Voor entrepots geldt in het algemeen het volgende:

- De opslagtermijn in entrepots is onbeperkt.

- Met het betalen van de rechten en belastingen van de opgeslagen goederen kan gewacht worden tot een later tijdstip, bijvoorbeeld tot men de goederen nodig heeft.

- In principe zijn douane-entrepots niet ambtelijk gesloten. Een uitzondering op deze regel kan het entrepot type B zijn. Daar kan de aard van de opgeslagen goederen meebrengen dat toch ambtelijke sluiting plaats vindt.
(artikel 4 en 98 CDW)

- Voor het beheren van een entrepot heeft men een vergunning nodig van de inspecteur.
(artikel 100 CDW; artikel 3 Douanebesluit)

De paragraafindeling van dit hoofdstuk wijkt af van de standaard paragraafindeling van het Handboek.

2.1. Typen douane-entrepots; entreposeurs en entrepositarissen

De communautaire douanewetgeving kent een hoofdindeling van douane-entrepots in publieke entrepots en particuliere entrepots:

- publieke entrepots zijn bestemd voor opslag van goederen door iedereen;

- particuliere entrepots zijn bestemd voor opslag van goederen door de beheerder/vergunninghouder (ook aangeduid als de entreposeur) van het entrepot.

De toepassingsverordening CDW maakt nog een verdergaande onderverdeling als volgt:

Type entrepot Omschrijving
............ ............................................................

Type A

Dit is een publiek entrepot waarin iedereen zijn goederen kan opslaan en waarbij de beheerder van dat entrepot verantwoordelijk is.

Type B

Dit is een publiek entrepot waarin iedereen zijn goederen kan opslaan en waarbij de beheerder van de goederen verantwoordelijk is.

Type C

Dit is een particulier entrepot waarin alleen goederen mogen worden opgeslagen door de beheerder van het entrepot; het is niet nodig dat hij ook de eigenaar van de goederen is.

Type D

Dit is een particulier entrepot waarin alleen goederen mogen worden opgeslagen door de beheerder van het entrepot; het is niet nodig dat hij ook de eigenaar van de goederen is. Anders dan bij de andere entrepots het geval is, wordt de belasting over de goederen bij dit entrepot in principe berekend op basis van de goederengegevens op het tijdstip van de plaatsing in het entrepot.

Type E

Dit is een particulier entrepot waarin alleen goederen mogen worden opgeslagen door de beheerder van het entrepot; het is niet nodig dat hij ook de eigenaar van de goederen is. Dit entrepot voldoet aan hoge eisen voor administratie en administratieve organisatie.

Type F

Dit is een publiek entrepot waarin iedereen goederen mag opslaan; dit type entrepot beheert de douane zelf.

Een bijzonderheid is dat entrepot type E niet beperkt is tot een bepaalde plaats of ruimte; de andere entrepottypen zijn dat wel.

(artikel 525 en 526 TVo. CDW)

          Entreposeurs en entrepositarissen

De beheerder/vergunninghouder van een douane-entrepot wordt aangeduid als de entreposeur. Bij de particuliere entrepots (type C, D en E) is de entreposeur verantwoordelijk voor alle zaken die het entrepot betreffen.

Bij de publieke entrepots (type A, B en F) is voor de goederen verantwoordelijk degene die als titularis is vermeld op de aangifte waarmee de goederen in het entrepot zijn opgeslagen. In de communautaire wetgeving wordt hij aangeduid als de entrepositaris.

(artikel 98 en 99 CDW; artikelen 525 en volgende TVo. CDW)

2.2. Situatie in Nederland

In Nederland worden tot dusver de entrepots type A en F niet toegepast. Daarom zal in het Handboek hieraan geen aandacht worden besteed. Als er behoefte aan deze entrepottypen blijkt te bestaan, moet dit worden voorgelegd aan B/CPP, Keten Douane.

Wel worden in Nederland de entrepottypen B, C, D en E toegepast.

          Entrepots type B:

Opslag in entrepots type B gebeurt meestal om vervoerstechnische redenen. Er wordt een korte periode overbrugd die nodig is voor het wachten op verder vervoer van de goederen. Deze mogelijkheid is vooral van belang voor stuwadoors-, expeditie- en transportbedrijven.

Daardoor zijn entrepots type B vooral gevestigd bij internationale zee- en luchthavens. Er vindt zowel opslag plaats van de EU binnengekomen goederen als van de EU uit te voeren goederen.

De entreposeur behoeft bij entrepot type B geen voorraadadministratie te voeren. In plaats daarvan bewaart de douane bij wijze van voorraadadministratie de aangiften tot plaatsing van de goederen in entrepot. De aangifte tot de plaatsing wordt in de praktijk veelal gedaan door middel van een extra exemplaar of een kopie van de aangifte waarmee de goederen bij het entrepot zijn aangevoerd.

(artikel 528 TVo. CDW; artikelen 37 tot en met 41 Douanebesluit)

          Entrepots type C, D en E:

Opslag in entrepots type C, D en E vindt meestal plaats voor het eigen bedrijf van de entreposeur. Hij hoeft niet de eigenaar te zijn van de goederen. De opslagredenen zijn uiteenlopend, zoals voorraadvorming, speculatie, verplaatsen van het ontstaan van de douaneschuld naar het tijdstip waarop de goederen daadwerkelijke nodig zijn, de bestemming van de goederen is nog onbekend en kan zelfs nog wederuitvoer zijn, enzovoort.

In de zee- en luchthavens gaat het bij entrepots type C dikwijls om opslag voor een korte tijd in afwachting van vervoer naar verdere bestemmingen. Het betreft daarbij niet alleen de EU binnengekomen goederen maar ook de opslag van uitgaande goederen.

Voor entrepots type C, D en E is een voorraadadministratie wettelijk vereist. Deze moet door de entreposeur worden bijgehouden. Zie hierover de paragrafen 2.3.7 tot en met 2.3.9. Vorm en niveau van voorraadadministraties zijn in de praktijk heel verschillend. Juistheid, tijdigheid en volledigheid van de registraties daarin zijn voor de douane van essentieel belang en mede bepalend voor vergunningverlening. De douane moet niet alleen besluiten over soort en type entrepot maar per geval ook over hoe de toe benodigde controlemix er uit moet zien. Dat wil zeggen: vaststellen welke combinatie bij het entrepot wenselijk is tussen de administratieve en de aanvullende fysieke controles en met welke frequentie en diepgang die controles bij het entrepot moeten gebeuren.

Of vergunning kan worden verleend hangt sterk af van wat een aanvrager zelf voor de eigen bedrijfsvoering vastlegt. In zijn administratie en administratieve organisatie moeten waarborgen liggen voor de juiste toepassing van de douanewetgeving. Voor entrepot type E is daarbij ook van belang of in het bedrijf er maatregelen van interne controle worden toepast.

(artikelen 528 tot en met 530 TVo. CDW; artikelen 37 tot en met 41 Douanebesluit)

          Vereenvoudigde regelingen en procedures

Van het niveau van de voorraadadministratie hangt ook af of vereenvoudigde regelingen of procedures bij een entrepot toepasbaar zijn en zo ja, welke dat zijn. In de modulaire aanpak van de communautaire wetgeving staat elke regeling of procedure op zichzelf. De douane moet afzonderlijk vaststellen of een door belanghebbende gevraagde vereenvoudigde regeling of vereenvoudigde procedure voldoende gewaarborgd is. Bij douane-entrepots gaat het in het bijzonder om:

- regelingen voor toegelaten afzender en toegelaten geadresseerde (begin en eind van het douanevervoer, zie dit Handboek, onderdeel 14.45.00);

- procedures onvolledige aangifte, vereenvoudigde aangifte en domiciliëringsprocedure bij de plaatsing onder en/of beëindiging van de entrepotregeling (zie dit Handboek, onderdeel 12.50.00).

          Vestigingsplaatsen

Bij elk type douane-entrepot moet douane toezien op de juiste toepassing van de douanewetgeving. Dat gebeurt voor een deel aan de hand van de bij het douanekantoor binnengekomen verplichte meldingen van aankomst of vertrek. Maar ook door middel van plaatsingsaangiften, inventarisaties, deelinventarisaties, administratieve controles en daarop aanvullende fysieke controles. De douane selecteert voor de fysieke controles onder andere aan de hand van de verplichte meldingen van de entreposeurs. Frequentie en diepgang van die controles zijn zowel afhankelijk van het entrepottype als van de fiscale en niet-fiscale risico's die aan de goederen verbonden zijn.

Bij het ene type douane-entrepot geeft de administratie een beter houvast voor toezicht en controle dan bij het andere type douane-entrepot. Daarom speelt voor de besluitvorming omtrent de te verlenen vergunning het type douane-entrepot een belangrijke rol. In verband daarmee kan zowel voor de douane als voor degene die vergunning vraagt de vestigingsplaats van een nieuw douane-entrepot belangrijk zijn. Voor de aanvrager kan dat bijvoorbeeld als hij voor werkzaamheden toch dikwijls de douane nodig heeft en de afstand voor hem te belemmerend zou werken. Voor de douane ligt het belang vooral bij de kosten voor toezicht en controles. Die kosten moeten in verhouding blijven met de economische behoefte. In de besluitvorming over een vergunningaanvraag moeten daarom naast bijvoorbeeld elementen als de aard van goederen en toezicht bij gebruikelijke behandelingen ook de frequentie en diepgang van de benodigde administratieve en fysieke controles worden meegenomen. Zie verder bij paragraaf 2.3.3.

(artikel 86 CDW; artikel 527, derde lid, TVo. CDW)

2.2.1. Aansluitende regelingen

Vanuit een douane-entrepot kunnen goederen aansluitend worden aangegeven voor alle mogelijke douaneregelingen. Meest voorkomend daarbij zijn:

- communautair douanevervoer;

- het in het vrije verkeer brengen;

- tijdelijke invoer;

- (weder-)uitvoer.

2.2.2. Behandeling van goederen en gezamenlijke opslag

In een douane-entrepot kunnen de goederen tijdens de opslag bepaalde behandelingen ondergaan. Dat kan zijn in het kader van:

- de gebruikelijke behandelingen zoals beschreven in hoofdstuk 7 hierna;

- de regeling Actieve veredeling ( onderdeel 16.00.00 van dit Handboek);

- de regeling Behandeling onder douanetoezicht (onderdeel 17.00.00 van dit Handboek).

(artikel 106 en 109 CDW; artikel 531, bijlage 72 TVo. CDW)

Ook is het mogelijk dat bij de niet-communautaire goederen in het entrepot opslag plaats vindt van goederen met een andere douanestatus. Dit kan als voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden. De uitwerking van deze mogelijkheid vindt u in hoofdstuk 8.

(artikel 98 en 106 CDW; artikel 534 TVo. CDW; artikel 37 tot en met 40 Douanebesluit)

2.2.3. Wetgeving over douane-entrepots

De wettelijke bepalingen over douane-entrepots bestaan uit:

- communautaire bepalingen;

- nationale bepalingen.

Door de directe werking van de communautaire wettelijke bepalingen zijn in de nationale wetgeving alleen aanvullende regels opgenomen, bijvoorbeeld de strafrechtelijke bepalingen.

(artikel 46 en 50 Douanewet; artikel 82 Douanebesluit)

2.2.4. Voorschriftgeving over douane-entrepots

De voorschriftgeving over douane-entrepots vindt u zo veel mogelijk in dit onderdeel van het Handboek. Enkele bijzondere onderwerpen waarvoor specifieke voorschriften zijn ingesteld, zijn echter ergens anders behandeld.

Voorbeelden:

- de opslag in het kader van de regeling prefinanciering van landbouwgoederen: deze opslag is uitgewerkt in onderdeel 1.01.00 (Gemeenschappelijk Landbouwbeleid), van dit Handboek;

- de opslag van accijnsgoederen: deze opslag valt grotendeels onder de Wet op de accijns en is uitgewerkt in de daarbij horende voorschriften.

Waar dat nodig is, wordt naar die voorschriften verwezen. In dit Handboek vindt u alleen de uitwerking van enkele raakpunten.

2.3. Voorwaarden voor douane-entrepot

Voor het oprichten en beheren van een douane-entrepot is een vergunning vereist van de bevoegde douane-autoriteit. In Nederland is dat de inspecteur van het douane district waar de belanghebbende gevestigd is of zich zal vestigen.

Een entrepotvergunning moet schriftelijk worden aangevraagd bij de inspecteur. Voor verkrijging daarvan moet aan de voorwaarden van de communautaire douanewetgeving zijn voldaan. Die kunnen verschillen per type entrepot. Voor wat betreft entrepot type E zijn aanvullende voorwaarden gesteld ten aanzien van de administratieve organisatie en administratie. Die komen er op neer dat een vergunning voor type E alleen kan worden verleend als de administratieve organisatie van de aanvrager zodanig is dat er voldoende waarborgen zijn voor juiste vastlegging van de bedrijfshandelingen. Verder moet de administratie zodanig zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze de door de douane benodigde gegevens over de entrepotgoederen zijn opgenomen.

(artikelen 85 en 100 CDW; artikelen 3 en 26 Douanebesluit)

De inspecteur beoordeelt of een belanghebbende in aanmerking komt voor de door hem gevraagde entrepotvergunning. Ook moet hij beoordelen welke waarborgen de douane daarbij nodig heeft.

De belangrijkste elementen voor die beoordeling zijn:

- de persoon van de aanvrager (zie paragraaf 2.3.1);

- de economische behoefte aan entrepotopslag (zie paragraaf 2.3.2);

- de plaats van vestiging van het entrepot (zie paragraaf 2.3.3);

- de soort(en) van de goederen voor het entrepot (zie paragraaf 2.3.4);

- de fiscale en niet-fiscale belangen die met de goederen verband houden (zie paragraaf 2.3.5);

- het systeem van douanetoezicht voor het entrepot (zie paragraaf 2.3.6);

- het niveau van de administratie van het entrepot (zie paragraaf 2.3.7);

- de administratieve organisatie van het entrepotbedrijf (zie paragraaf 2.3.8);

- het controleprogramma en controleplan bij het entrepot (zie paragraaf 2.3.9).

2.3.1. Persoon van de aanvrager

De vergunning voor het beheren van een douane-entrepot kan alleen worden afgegeven aan personen die alle noodzakelijke waarborgen bieden voor een goed verloop van de handelingen met betrekking tot het entrepot. Beleid is dat hiervoor dezelfde normen worden toegepast als voor de vereenvoudigde aangifteprocedures.

(artikel 20 Douanebesluit)

Dat betekent dat de aanvrager:

- in de laatste vijf jaren niet mag zijn veroordeeld wegens een bij de wettelijke bepalingen strafbaar gesteld misdrijf;

- niet herhaalde malen mag zijn veroordeeld wegens overtreding van de wettelijke bepalingen;

- in de laatste vijf jaren niet herhaalde malen een administratieve boete op grond van de wettelijke bepalingen mag hebben gekregen.

Verder is van belang dat de vergunning alleen kan worden verleend aan een belanghebbende die gevestigd is in het douanegebied van de Gemeenschap.

(artikel 86 en 100 CDW)

2.3.2. Economische behoefte

Een vergunning voor douane-entrepot wordt alleen verleend als een voldoende economische behoefte daaraan wordt aangetoond. Die behoefte moet de aanvrager aantonen bij het indienen van de vergunningaanvraag. Het entrepot moet in hoofdzaak bestemd zijn voor opslag van goederen; behandeling van de opgeslagen goederen mag slechts van ondergeschikt belang zijn.

Bij zijn beoordeling moet de inspecteur meewegen dat douanetoezicht en controle kunnen worden uitgeoefend zonder dat de douane daarvoor buitensporig hoge administratieve kosten moet maken.

(artikel 86 en 100 CDW; artikel 527 TVo. CDW)

2.3.3. Vestigingsplaats

Douane-entrepots kunnen alleen worden toegestaan als de wettelijke bepalingen ter zake daarvan worden nageleefd.

Niet elk type douane-entrepot kan zonder meer overal in Nederland worden gesitueerd. Douane-entrepots zijn gebonden aan een lokatie of vestiging dan wel lokaties of vestigingen. Deze lokatie(s) of vestiging(en) moet(en) worden beheerst door de beheerder van het douane-entrepot. De beheerder van het douane-entrepot heeft verplichtingen jegens de douane. De beheerder is verantwoordelijk voor de opslagactiviteiten, maar ook voor de inslag- en uitslagactiviteiten. Deze activiteiten moeten door hem zelf worden uitgevoerd of onder zijn verantwoordelijkheid worden verricht. Dat geldt eveneens ter zake van het houden van de (voorraad)administratie.

Een voorziening die in feite valt onder de verantwoordelijkheid van een derde kan niet worden gerekend tot het douane-entrepot van de beheerder.

De correcte toepassing vereist dat bij elk douane-entrepot voldoende controles door de douane worden gedaan. Daaronder vallen naast (deel-) inventarisaties bijvoorbeeld ook controles bij in- en uitslag van goederen en toezicht op het gebruik van regelingen voor toegelaten geadresseerde en toegelaten afzender. Bij elk douane-entrepot hoort immers een stuk fysieke controle. Bij de afweging of de door een aanvrager beoogde vestigingsplaats en het gevraagde type douane-entrepot verantwoord zijn, moeten daarom de controleaspecten meetellen. Toekenning van een entrepot moet dus passen bij de wijze waarop het toezicht moet worden uitgeoefend:

- vooral fysiek toezicht of

- deels fysiek en deels administratief toezicht of

- voornamelijk administratief toezicht met slechts beperkt fysieke controles.

(artikelen 13 en 86 CDW; artikel 527, derde lid, TVo. CDW)

          Entrepots type B, C en D

Deze entrepots bestaan uit een of meer daarvoor aangewezen en goedgekeurde gebouwen, lokalen of andere afgebakende ruimten, zoals bijvoorbeeld opslagtanks, silo's, terreinen. De entrepotvergunning geldt uitsluitend voor de aangewezen locatie.

          Entrepot type E

Het entrepot type E is niet gebonden aan een bepaalde plaats of lokaliteit. Voor dit entrepot geldt als de plaats van vestiging de plaats waar de hoofdadministratie van de entreposeur gevestigd is.

Voor alle entrepottypen geldt dat vergunning van de inspecteur vereist is. Welke technische zaken daarbij nodig zijn vindt u in paragraaf 2.4.3. In elk geval moeten de lokalen of andere plaatsen die als entrepot type B, C of D zijn goedgekeurd bij de vergunningverlening nauwkeurig zijn beschreven.

(artikel 526 TVo. CDW; artikelen 11, 12 en 17 Douanewet)

Een plaats die door de douane is goedgekeurd als ruimte voor tijdelijke opslag, kan tevens worden goedgekeurd als douane-entrepot. Zie hiervoor verder in paragraaf 2.6.1.

(artikel 526 TVo. CDW)

Voor de plaats waar een entrepot kan worden gevestigd, geldt het volgende:

Type entrepot Geldende bepalingen
........ ............................................................

B

Dit entrepottype kan alleen worden toegestaan op plaatsen waar een douanekantoor is gevestigd. Deze beperking is nodig omdat bij dit entrepot het fysieke douanetoezicht een belangrijk deel is van het controlesysteem. De aangiften tot plaatsing in het entrepot en tot beëindiging van de opslag worden per individuele zending gedaan.

C

Of vestiging van een entrepot type C moet worden beperkt tot een locatie nabij een douanekantoor danwel of vestiging in principe ook elders kan worden toegestaan, hangt af van het niveau van de administratie en administratieve organisatie van de aanvrager.

Als sprake is van een beperkte administratievorm waarbij goederensoorten, hoeveelheden en waarden slechts oppervlakkig of soms geheel niet bekend en dus ook niet door het bedrijf heen te volgen zijn, dan moet er in het algemeen van worden uitgegaan dat, net als bij entrepots type B in belangrijke mate aanvullend fysiek toezicht nodig zal zijn. Bij dit administratieniveau is het doen van periodieke aangiften achteraf niet mogelijk maar moeten aangiften tot plaatsing in het entrepot en tot beëindiging van de opslag per individuele zending worden gedaan. Vestiging in de nabijheid van een douanekantoor is dan noodzakelijk, om te bereiken dat de fysieke controles regelmatig kunnen plaats vinden zonder dat de douane voor het toezicht kosten moet maken die niet in verhouding staan tot de economische behoefte van het entrepot.

In het scala van administratieve voorzieningen bij bedrijven zijn er ook ruimere mogelijkheden voor vestiging van een entrepot type C. Dat is het geval als de aanvrager een uitgebreide administratie voert waarbij de goederensoorten, hoeveelheden en waarden door het entrepotbedrijf heen te volgen zijn. Daarbij moet het bedrijf ook een administratieve organisatie hebben die voldoende waarborgen biedt voor vergunning voor de vereenvoudiging van periodieke aangifte met administratieve controles achteraf. In zo'n geval zijn de vestigingsmogelijkheden niet beperkt.

D

Vestiging van entrepot type D is in principe overal mogelijk. Voor dit entrepottype gelden zware eisen aan de administratie en de administratieve organisatie (vergelijkbaar met die voor een entrepot type C met de uitgebreide voorraadadministratie). Bij dit entrepottype is een vergunning mogelijk voor de vereenvoudiging om periodiek aangifte te doen. Het bijzondere van dit entrepottype zit in het tijdstip dat bepalend is voor de berekening van de rechten bij invoer. Waar bij alle andere entrepottypen de rechten bepaald worden naar de waarde, de aard en de hoeveelheid van de goederen op het tijdstip van beëindiging van de entrepotopslag, is dit bij type D het tijdstip van de plaatsing van de goederen in het entrepot. Deze systematiek kan overigens ook voorkomen bij entrepot type E. Zie daarover paragraaf 2.3.8.

E

Entrepot type E onderscheidt zich van de andere entrepottypen onder andere doordat dit entrepot niet aan één bepaalde plaats is gebonden. Het is een entrepot waarbij de douanecontrole vooral gebaseerd is op de administratie van de entreposeur. De administratie en administratieve organisatie moeten van hoog niveau zijn en het bedrijf moet functiescheidingen en interne controles kennen. Bij dit entrepottype is de mogelijkheid voor vergunning om periodiek aangifte te doen. De plaatsen waar de entrepotgoederen mogen worden opgeslagen moeten in de entrepotvergunning zijn vastgelegd zodat de douane ook daar controles en (deel-)inventarisaties kan uitvoeren. In de administratie moet blijken welke entrepotgoederen zich op welke plaatsen bevinden. Ook alle andere voor de douane van belang zijnde gegevens moeten uit de administratie blijken.

Bij entrepot type E geldt nog als bijzonderheid dat in aangiften voor het vrije verkeer voor de vaststellling van de waarde, de aard en de hoeveelheid van goederen een van type E afwijkend tijdstip kan worden gekozen. Zie daarover verder in paragraaf 2.3.8.

2.3.4. Goederensoort(en)

De communautaire wetgeving gaat er van uit dat douane-entrepots bestemd zijn voor opslag van niet-communautaire goederen. Bijkomstig is ook opslag van andere goederen mogelijk gemaakt. Hierna vindt u per entrepottype de goederensoorten vermeld.

Type entrepot Goederensoorten
......... ....................................................................

B

a. niet-communautaire accijnsgoederen

b. andere niet-communautaire goederen, ongeacht de soort

c. communautaire goederen in uitgaande opslag (met inbegrip van communautaire accijnsgoederen in uitgaande opslag)

d. communautaire accijnsgoederen bestemd voor bevoorrading van schepen en luchtvaartuigen

e. communautaire accijnsgoederen met andere bestemming dan c of d, wanneer voor het entrepot ook vergunning is verleend als accijnsgoederenplaats

f. goederen uit het vrije verkeer die door de inslag in het entrepot geacht worden te zijn uitgevoerd;

g. andere goederen uit het vrije verkeer die worden opgeslagen om de ruimte zo economisch mogelijk te benutten. Hiervoor gelden voorwaarden. Over deze opslag handelt hoofdstuk 8. De douanestatus van deze goederen verandert door de entrepotopslag niet;

h. landbouwgoederen uitsluitend onder de daarvoor genoemde voorwaarden en beperkingen. Deze vindt u in het boekwerk "Wetgeving Douane Landbouw". Algemene lijnen daarover zijn opgenomen in dit Handboek, onderdeel 1.01.00, Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.

C

In dit entrepot kunnen de goederen worden opgeslagen die genoemd zijn onder de letters a tot en met h zoals hiervoor genoemd. Goederen bedoeld onder letter c kunnen echter alleen worden opgeslagen wanneer het entrepot is gevestigd op een plaats waar een douanekantoor aanwezig is.

D

In dit entrepot kunnen de goederen worden opgeslagen die genoemd zijn onder de letters a, b en d tot en met g hiervoor.

E

In dit entrepot kunnen de goederen worden opgeslagen die genoemd zijn onder de letters a, b en d tot en met g hiervoor.

(artikel 106 CDW; artikel 529 en 530 TVo. CDW; artikel 38 en 39 Uitvoeringsbesluit accijns; artikel 37 Douanebesluit)

2.3.5. Fiscale en niet-fiscale belangen

Het douanetoezicht op goederen in entrepot moet zowel rekening houden met de fiscale als met de niet-fiscale belangen bij de goederen.

Fiscale belangen houden verband met de eventuele belastingschuld die ontstaat als er goederen aan het toezicht zijn onttrokken. Het gaat dan om de douanerechten en heffingen bij invoer (zie artikel 1 Douanewet) maar daarnaast ook om andere fiscale belangen zoals accijnzen en landbouwrestituties voor goederen die in het kader van de accijns- of landbouwwetgeving in het entrepot zijn opgeslagen.

Niet-fiscale belangen kunnen verband houden met allerlei zaken, zoals:

- veiligheid, bijvoorbeeld strategische goederen, wapens;

- gezondheid, bijvoorbeeld eisen aan geneesmiddelen;

- milieu, bijvoorbeeld vervuilende stoffen, bescherming uitheemse dieren;

- kwaliteitseisen, enzovoort.

Daarbij kan sprake zijn van invoer- of uitvoerverboden of beperkingen. De invoer of uitvoer kan in dit verband gebonden zijn aan vergunningen.

          Statistiekgegevens

Eén van de niet-fiscale taken van de douane ligt op het vlak van statistieken van het internationale goederenverkeer. Over dit verkeer voor zover dit loopt via douane-entrepots worden de statistiekgegevens bij gebruik van vereenvoudigde aangiften en domiciliëringsprocedures in hoofdzaak verkregen door middel van aanvullende aangiften. Aangevers moeten daarbij rechtstreeks zelf het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) over de goederenbewegingen berichten. Een vergunning voor vereenvoudigde procedures kan daarom pas in werking treden als het CBS met een aangever hierover afspraken heeft gemaakt. Het is om die reden nuttig dat een belanghebbende bij het doen van zijn aanvraag tegelijkertijd voor de gewenste regeling met het CBS kontakt opneemt.

Het CBS, divisie Bedrijfseconomische Statistieken, te Heerlen draagt er zorg voor dat aan het betrokken douanekantoor wordt gemeld dat afspraken tussen de vergunningaanvrager en het CBS zijn gemaakt. Vanzelfsprekend houdt het CBS rekening met de voor behandeling van vergunningaanvragen genoemde termijnen. Zie verder het onderdeel Statistiek van dit Handboek, opgenomen in nummer 37.00.00.

(Statistiekwet 1950)

2.3.6. Systeem van douanetoezicht en kennisgevingen

Centraal in de regeling voor douane-entrepot staat het controlekantoor. Dat is het douanekantoor in het ambtsgebied waar het entrepot is gevestigd of waar in het geval dat er onder dezelfde vergunning meerdere entrepotlocaties zijn, de hoofdadministratie van het entrepot wordt bijgehouden. Het controlekantoor functioneert als spin in het controleweb van de douane. Het controlekantoor is belast met het totaal toezicht over goederen die zich in het entrepot bevinden en over goederen die daarin worden ingeslagen c.q. daaruit worden uitgeslagen. Het controlekantoor stelt in beginsel vast welke controles, wanneer en hoe diepgaand bij het entrepot moeten worden gedaan. Het controlekantoor is in de praktijk dikwijls ook kantoor van plaatsing. Daarnaast kent de douanewetgeving de mogelijkheid dat goederen al elders onder de entrepotregeling van een vergunninghouder worden geplaatst. Dat kan bijvoorbeeld bij één of meer daarvoor in de entrepotvergunning genoemde douanekantoren van binnenkomst. Ook die douanekantoren fungeren dan als kantoor van plaatsing.

Bij alle douane-entrepots moet voor het douanetoezicht een controlemix worden toegepast. Dat houdt in dat de douane een combinatie moet toepassen van administratieve controles en fysieke controles. Deze combinatie wordt aangeduid met het begrip "controlemix". Hiervoor gelden de volgende hoofdlijnen.

Type entrepot Hoofdlijnen "controlemix"
......... ......................................................................

B

Bij deze entrepots ligt het zwaartepunt bij de fysieke controles. De in- en uitslag van goederen moet hier per zending gedekt zijn door geldige aangiften of documenten. Voorafgaand aan de in- of uitslag is toestemming van de douane vereist.

De aard van de opgeslagen goederen kan meebrengen dat bij type B permanent douanetoezicht is. Zelfs is bij opslag van bepaalde goederen ambtelijke sluiting mogelijk als in het entrepot niet wordt gewerkt, bijvoorbeeld: opslag van niet-EG-goedgekeurde veterinaire goederen

C

Bij entrepots type C is het verplicht om een administratie te voeren. Het is dienstig te weten dat de administraties bij entrepots type C een heel verschillend niveau kunnen hebben. Hierbij zijn wel uitersten zichtbaar die ook moeten leiden tot gevolgen voor de controlemix. Dat komt omdat de gegevens die in entrepotadministratie over de goederen worden vastgelegd en de diepgang waarmee deze daarin te volgen zijn, per entrepot type C sterk kunnen verschillen. Een en ander houdt vooral verband met de mate van betrokkenheid die de beheerder bij de goederen heeft.

In een aantal gevallen gaat het om bedrijven die geen andere taak hebben dan alleen in opdracht van anderen opslaan en uitleveren van de goederen. Dat beeld is vergelijkbaar met de gang van zaken bij entrepots type B: de opslaghouder weet dan in feite zelfs niet precies om welke goederensoorten en douanewaarden het gaat. De goederengegevens die worden vastgelegd zijn daardoor tamelijk beperkt en bestaan meestal alleen uit het aantal colli van een zending, de identiteitskenmerken, de afmetingen, de brutogewichten, en dergelijke. Bij een entrepot type C met een zodanige administratie is in het kader van de controlemix intensief aanvullend fysiek toezicht noodzakelijk dat is afgestemd op de aard van de goederen in het entrepot en de risiko's daarbij. De in- en uitslag van goederen moet, net als bij type B, per zending zijn gedekt door geldige aangiften of documenten Voorafgaand aan de in- of uitslag is toestemming van de douane nodig. Daarvoor dient het systeem van kennisgevingen. Kennisgevingen moeten plaats vinden door de in- of uitslag vooraf op de voorgeschreven wijze te registreren of door voorafgaande actieve melding.

In de controlemix kan het aandeel fysieke controle enigszins worden bijgesteld wanneer meer specieke gegevens over de goederen bekend zijn en in de administratie worden vastgelegd. Te denken valt bijvoorbeeld aan een omschrijving van de goederen die indeling mogelijk maakt in de goederennomenclatuur en aan registratie van de douanewaarde van de goederen. Dit maakt het mogelijk om de daarop drukkende douanerechten en heffingen te berekenen. Als ook deze gegevens in de administratie te vinden zijn kan de aanvulling met fysieke controles daarop worden afgestemd.

In de meest optimale vorm steunt entrepot type C met een voorraadadministratie met alle voor de douanerechten en heffingen benodigde gegevens, op een administratieve organisatie die voldoende waarborgen biedt voor het douanetoezicht om periodieke aangifte met controles achteraf toe te staan. Een "hoger gekwalificeerd" type entrepot zoals type E is niet haalbaar omdat veelal de AO/IC van belanghebbende voor dat niveau nog één of enkele hiaten vertoont. Wel is het niveau zo hoog dat aan de hand van de entrepotadministratie de douane controles ook achteraf kan verrichten. Daarnaast blijven ook bij entrepots op dit niveau aanvullende fysieke controles noodzakelijk. Alleen langs die weg is het immers mogelijk om te zien of de papieren gegevens nog overeenstemmen met de feitelijke situatie van de goederen.

D

De gegevens over de goederen bij de inslag en in de administratie van deze entrepots moeten altijd specifiek zijn. In de administratie van het entrepot moeten alle goederengegevens zijn opgenomen die nodig zijn voor de belastingheffing en voor het toezicht op het naleven van de niet-fiscale bepalingen.

Bij de inslag van goederen moet per zending een aangifte aanwezig zijn. Bij de uitslag van goederen met bestemming vrij verkeer zal de aangifte hier meestal achteraf gebeuren.

Het controlesysteem bestaat ook hier uit twee elementen. De nadruk ligt op administratieve controle. Maar ook bij deze entrepots zijn aanvullende fysieke controles noodzakelijk. De frequentie en omvang daarvan kunnen in het algemeen beperkt zijn. De controleprogramma's bevatten hiervoor aanwijzingen. Voor andere bestemmingen dan het vrije verkeer is toestemming van de douane voorafgaand aan de inslag of uitslag, vereist.

E

Voor dit type entrepot geldt in pricipe dezelfde controlemix als bij type D. Ten opzichte van alle andere entrepottypen is type E anders doordat het entrepot niet beperkt is tot één bepaalde locatie.Dat hoeft niet omdat de administratie en de administratieve organisatie van de vergunninghouder zodanig zijn, dat de douane daarin in principe voldoende waarborgen heeft voor goed douanetoezicht.

Toch is het ook bij dit entrepot noodzakelijk dat de douane in beperkte mate aanvullende fysieke controles verricht. De controleprogramma's bevatten hiervoor aanwijzingen. Voor andere bestemmingen dan het vrije verkeer is toestemming van de douane voorafgaand aan de inslag of uitslag, vereist.

          Aansluiting met andere vergunningen

Voor alle "open" douane-entrepots is het mogelijk dat op verzoek van de entreposeur vergunningen worden verleend die het functioneren van het entrepotbedrijf eenvoudiger en soepeler maken. Bij aanwezigheid van een voorraadadministratie die de douane voldoende waarborgen geeft voor douanetoezicht, kan de entreposeur in aanmerking komen voor:

- een vergunning als toegelaten geadresseerde; en/of

- een vergunning als toegelaten afzender.

Deze vergunningen houden verband met begin en afsluiting van de regelingen voor communautair en gemeenschappelijk douanevervoer. Een entreposeur die een van deze vergunningen of beide heeft, kan douanegoederen in ontvangst nemen c.q. verzenden zonder die goederen bij het douanekantoor aan te brengen. Wel moet hij op de in de vergunning voorgeschreven wijze tijdig kennisgeven aan de douane van de aankomst c.q. het vertrek. De douane heeft daardoor de gelegenheid om te besluiten of op de zending fysieke controles worden toegepast. De regelingen toegelaten geadresseerde en toegelaten afzender worden behandeld in onderdeel 14.45.00 van dit Handboek.

          Let op:

In de praktijk kunnen de kennisgevingen van het douanevervoer samenvallen met de kennisgevingen die bij de vergunning voor de entrepotregeling horen, zoals bijvoorbeeld die van de domiciliëringsprocedures bij plaatsing in c.q. wegvoering van goederen uit het entrepot.

          Systeem van kennisgevingen

In verband met douanetoezicht en -controles bij entrepots kent de communautaire wetgeving een systeem van verplichte kennisgevingen voor plaatsing in en uitslag van goederen uit douane-entrepots. Het nalaten van een verplichte kennisgeving wordt aangemerkt als een overtreding en is strafbaar gesteld.

(artikel 80 en 82 Douanebesluit)

Het systeem van kennisgevingen heeft zowel voor de belanghebbenden als voor de douane een gunstige uitwerking:

- voor de belanghebbenden betekent het veelal voorkomen van onnodig oponthoud;

- voor de douane biedt het de mogelijkheid selectief te controleren.

De douane voert gericht of steekproefsgewijs bij een entrepot fysieke controles uit. Dit kan gebeuren bij:

- de plaatsing van de goederen onder het entrepotstelsel (inslag);

- tijdens de opslag;

- bij de beëindiging van het entrepotstelsel (uitslag).

Deze controles worden in principe gedaan op basis van het controleprogramma voor een entrepot (zie paragraaf 2.3.10). Daarbij kan met behulp van de kennisgevingen geselecteerd worden:

- welke fysieke controles er moeten worden gedaan bij de in- en uitslag van de goederen;

- op welk tijdstip deze controles moeten worden gedaan bij de in- en uitslag van de goederen.

Voor het douanetoezicht bij de douane-entrepots zijn deze kennisgevingen van essentieel belang. Voordat met de werkzaamheden wordt begonnen, moet de belanghebbende daarvan kennisgeven aan de douane. Voor de goederenbeweging (in- of uitslag) moet hij van de douane toestemming hebben gekregen.

Dit geldt ook voor andere werkzaamheden, zoals:

- lossen, laden, inslag en uitslag van goederen;

- wegvoeren van goederen of vertrekken met een vervoermiddel;

- gebruikelijke behandelingen.

(artikel 76 CDW; artikel 273 TVo. CDW; artikel 80 en 82 Douanebesluit)

Het kennis geven en het verzoeken om toestemming voor werkzaamheden die horen onder verschillende douaneregelingen, vallen in de praktijk vaak

samen. Een voorbeeld hiervan is dat de kennisgeving van inslag in het entrepot meestal zal samenvallen met de kennisgeving van aankomst en lossing. Hetzelfde geldt voor de combinatie van uitslag, inlading en aanvang van het communautair douanevervoer.

Vroeger was voor iedere voorgenomen goederenbeweging een gang van de belanghebbende naar de douane noodzakelijk. Bij entrepots type B is in beginsel nog deze (klassieke) manier van toepassing.

Bij de entrepots type C, D en E is een systeem voor de kennisgevingen van toepassing dat bij deze entrepots de procedure voor kennisgeven eenvoudig maakt. Dit systeem kent twee methodes van kennisgevingen:

a. kennisgeving door registratie;

b. directe kennisgeving door een schriftelijk of fax-bericht.

De hoofdlijnen voor het kennis geven en het verkrijgen van de wettelijk vereiste toestemming zijn als volgt:

Type entrepot Hoofdlijnen kennisgeven
............. .....................................

B

Bij dit entrepottype is in de regel een douane-ambtenaar aanwezig. Aan deze ambtenaar die ter plekke met het toezicht is belast, moet vooraf kennis worden gegeven van de werkzaamheden. Hij/zij beoordeelt of voor die handeling de vereiste ambtelijke toestemming kan worden verleend.

Gelet op de aard van de goederen in een entrepot type B kan het controlekantoor met de entreposeur voor dit kennis geven dezelfde systematiek afspreken als welke geldt voor de entrepots type C, D en E hierna. Dit is mogelijk bij bijvoorbeeld niet belaste of laag belaste goederen waarop bijzondere regels zoals niet-fiscale bepalingen niet van toepassing zijn.

C, D en E

Bij deze entrepottypen moet de entreposeur zelf een register bijhouden waarin alle werkzaamheden voor de aanvang moeten worden ingeschreven. De inschrijving moet gebeuren met onuitwisbaar schrift. De inschrijving wordt aangemerkt als kennisgeving door registratie. Bij deze kennisgeving wordt de vereiste toestemming voor de werkzaamheden geacht te zijn verleend.

De douane kan aan de entreposeur mededelen dat gedurende een aangewezen periode de directe kennisgeving moet worden toegepast. Dit houdt in dat dan naast de kennisgeving door registratie de entreposeur ook het controlekantoor rechtstreeks in kennis moet stellen van de voorgenomen werkzaamheden. Het controlekantoor spreekt met de entreposeur af op welke wijze dat moet gebeuren. Daarbij moet zo veel mogelijk rekening worden gehouden met het controleprogramma voor het entrepot. Deze kennisgevingsmethode is vooral van belang voor toepassing van de benodigde fysieke controles.

Dit staat niet in de weg dat ook tussentijds bij wijze van steekproef fysieke controles worden gedaan. Die controles zullen mede gericht zijn op tijdigheid en correctheid van de kennisgevingen en registraties door de entreposeur.

De kennisgeving kan plaats vinden direct bij aankomst of vertrek van goederen, maar ook langere tijd vooraf. In de praktijk weet een entreposeur vrijwel altijd welke goederen hij in een bepaald tijdvak (dag, week) in zijn entrepot zal in-, uit- of opslaan. Deze wetenschap heeft hij zelf nodig voor de indeling van de eigen werkzaamheden. Daardoor kan hij vaak ook de douane vroegtijdig inlichten. In dat geval heeft de entreposeur het voordeel van geen of een zo kort mogelijke wachttijd bij fysieke controle.

          Inhoud kennisgeving

De kennisgeving, zowel de kennisgeving door registratie als de directe kennisgeving, moet ten minste de volgende gegevens bevatten:

- hoeveelheid en soort van de goederen;

- het vervoermiddel van aanvoer c.q. wegvoering;

- het tijdstip van aankomst/lossing/inslag c.q. uitslag/lading/vertrek.

Deze gegevens heeft het controlekantoor nodig voor selectie van de controlewerkzaamheden. Een vroegtijdige kennisgeving waarbij nog niet al deze gegevens beschikbaar zijn, kan zo nodig later nog worden aangevuld.

Het kennisgevingsregister moet op elk tijdstip beschikbaar zijn voor inzage door de controlerende douane-ambtenaren. De registratie kan per geval maar ook per bepaalde periode plaatsvinden, bijvoorbeeld een dagplanning van het entrepotbedrijf.

Naast kennisgeving door registratie kan de douane voorschrijven dat de kennisgeving op directe wijze moet worden gedaan. Dit wil zeggen dat de belanghebbende de kennisgeving vooraf rechtstreeks aan het controlekantoor moet doen. Het controlekantoor geeft daarvoor aanwijzingen aan de entreposeur. Het baseert zich voor zijn aanwijzingen op het controleprogramma. Daarin is onder andere bepaald hoe vaak, wanneer en met welke diepgang bij het betreffende entrepot fysieke controle moet worden gedaan.

Het controlekantoor maakt over de directe kennisgeving afspraken met de entreposeur. Deze worden schriftelijk vastgelegd met vermelding van de geldigheidsduur. Hierin wordt aangegeven op welk tijdstip en hoe de entreposeur de directe kennisgeving moet doen, bijvoorbeeld:

- per geval, voor een bepaalde dag, week, of anderszins;

- per telefoon, telefax of op andere wijze.

Uit het oogpunt van controletechniek zullen controlebezoeken onaangekondigd moeten plaats vinden.

Bij directe kennisgeving geldt daarom dat vanaf het/de in de kennisgeving genoemde tijdstip/tijdstippen een standaardwachttijd moet worden toegepast. Die wachttijd wordt door het controlekantoor met de entreposeur afgesproken. Bij het afspreken van de wachttijd moet uiteraard rekening worden gehouden met afstand en reistijd van de ambtenaren.

De douane kan deze wachttijd benutten voor het inzetten van controles.

Voor de entreposeur is daarmee helder wanneer hij met de werkzaamheden kan aanvangen.

Als de douane binnen de wachttijd ter plaatse is zal de toestemming voor de aanvang van de werkzaamheden worden verleend door de betreffende ambtenaar. Als de douane niet binnen de wachttijd is gearriveerd, kan de entreposeur de werkzaamheden beginnen.

De controle zal in principe plaats vinden in overeenstemming met het controleprogramma.

Bij entrepot type E kunnen de goederen ook buiten het ambtsgebied van het controlekantoor worden opgeslagen. Die plaatsen moeten wel in de vergunning genoemd zijn. In dat geval maakt het controlekantoor afspraken voor fysieke controles met het douanekantoor over het ambtsgebied waar de feitelijke opslag zal plaats vinden.

2.3.7. Administratie

Voor de douanecontrole en het douanetoezicht hecht de douane grote waarde aan de administratie en administratieve organisatie van de entreposeur. Deze zijn mede bepalend voor welk type entrepot een vergunning kan worden verleend.

Verder moet van de entrepot typen C, D en E de administratie voor de ingebruikstelling van het entrepot door de douane zijn goedgekeurd. Op elk moment moet uit de administratie blijken welke goederen zich onder het entrepotstelsel moeten bevinden. Zo nodig zullen ook gegevens voor het niet-fiscale douanetoezicht uit de administratie moeten blijken.

Bovendien is voor de douane de entrepotadministratie een belangrijk uitgangspunt voor het vaststellen van een tekort of overmaat in het entrepot.

Een tekort kan zijn ontstaan doordat goederen verloren zijn gegaan maar ook doordat zij aan het entrepot zijn onttrokken of door fouten die zijn gemaakt bij de uitlevering. Een tekort of ondermaat (minderbevinding) zal in het algemeen verschuldigdheid van de douanerechten veroorzaken.

Aan een bevonden vermis van entrepotgoederen moet het controlekantoor in de regel rechtsgevolgen verbinden zoals onder andere invordering van verschuldigde douanerechten en heffingen. Bij bevinding van een teveel of overmaat worden de te veel bevonden goederen geacht onder het stelsel van douane-entrepots te zijn geplaatst.

(artikel 528 TVo. CDW; artikelen 28, 81 en 82 Douanebesluit)

Het niveau van de administratie speelt een belangrijke rol bij het bepalen van de frequentie en diepgang van de douanecontroles.

Voor de verschillende entrepottypen volgen in paragraaf 2.3.8 hieronder eerst de basiseisen voor de administratie en de daarin te vermelden gegevens. De paragraaf besluit met een lijst met de vindplaatsen van de meeste gegevens zoals die zijn vermeld in het formulier Enig document.

2.3.8. Eisen aan de entrepotadministratie

Type entrepot Eisen aan entrepotadministratie
...... .....................................

B

Voor dit type entrepot is een voorraadadministratie niet verplicht.

Elke in- en uitslag van goederen moet gedekt zijn door een geldige aangifte of document. De douane is bij het entrepot aanwezig en verricht fysieke controles bij de in- en uitslagen. De goederen in het entrepot verblijven daar onder douanetoezicht. De douane voert dit toezicht uit met behulp van de op het controlekantoor bij wijze van voorraadadministratie in bewaring zijnde exemplaren van de plaatsingsaangiften. Ook voert de douane aanvullend fysieke controles en tussentijdse (deel-)inventarisaties uit. Aldus wordt gecontroleerd of de entrepotregeling op de juiste wijze wordt toegepast en beëindigd. Daarom is het belangrijk dat de entrepositaris na de plaatsing van goederen in het entrepot er voor zorgt dat de inslagaangiften en -documenten worden ingeleverd op het controlekantoor. Dit is ook al noodzakelijk om de voorgaande douaneregeling aan te zuiveren.

(artikel 528 TVo. CDW; artikelen 81 en 82 Douanebesluit)

C

Bij entrepot type C is een voorraadadministratie verplicht. Aan de hand daarvan moeten de goederenstromen door het entrepot heen te volgen zijn. In- en uitslagen moeten op het tijdstip van die werkzaamheden in de administratie zijn opgenomen. Verder moet van de in- en uitslagen tijdig vooraf op de voor het entrepot voorgeschreven wijze kennis worden gegeven aan de douane (zie hierna de paragraaf over het kennisgevingssysteem). Dit geeft de douane gelegenheid voor de fysieke controles die nodig zijn als aanvulling op de administratieve controles. Voor de mate van de fysieke controles zijn de soort van de goederen en het controleprogramma dat voor elk entrepot moet worden opgesteld, de uitgangspunten.

Naast de entrepotvergunning kunnen vergunningen worden verleend voor het toepassen van vereenvoudigde procedures bij plaatsing van goederen onder de entrepotregeling en/of bij beëindiging van die regeling. Afhankelijk van het niveau van de administratie en administratieve organisatie van de aanvrager moeten afzonderlijke aangiften worden gedaan voor elke individuele goederenbeweging in of uit het entrepot, danwel kan aangifte op vereenvoudigde wijze of zelfs periodiek achteraf worden gedaan

Het komt er voor de praktijk op neer dat wanneer in de administratie van een aanvrager onvoldoende informatie of verbanden bevat om achteraf deugdelijk te kunnen vaststellen of alle goederen hun bestemming hebben gevolgd, er van elke afzonderlijke in- en uitslag vooraf aangifte moet worden gedaan op het douanekantoor. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als een eenvoudige administratie wordt gevoerd, zoals een administratie in dossiervorm of een registeradministratie. Als de administratie naast inhoudelijke gegevens over de goederen wèl voldoende verbanden geeft, dan is wellicht vereenvoudigde aangifte of een domiciliëringsprocedure mogelijk.

De administratie en administratieve organisatie van de belanghebbende moet dan van een niveau zijn dat het douanetoezicht op de goederen voor een belangrijk deel aan de hand daarvan kan worden uitgeoefend. Zo is bijvoorbeeld in het belang van het douanetoezicht op de aanzuivering van de entrepotregeling in principe een vergunning voor een vereenvoudigde aangifteprocedure alleen mogelijk als de aanvrager meer administreert dan alleen de inslag, de opslag en de uitslag van de goederen. Daarbij valt te denken aan gegevens over de goederensoorten, hoeveelheid en waarde. Maar voor een domiciliëringsprocedure ook aan vastlegging van handelsactiviteiten zoals bestellingen, inkopen en verkopen, betalingen, creditnota's voor retourzendingen, en dergelijke. Aan de hand van die gegevens moet ook achteraf de juiste heffing kunnen worden berekend van de belastingen bij invoer en moet de naleving van alle fiscale en niet-fiscale wettelijke bepalingen gecontroleerd kunnen worden. In het Handboek is dit uitgewerkt in de onderdelen 12.00.00 en 13.00.00.

De administratie van entrepot type C omvat de volgende gegevens:

a. een uniek dossier- en/of referentienummer

b. datum van inslag

c. soort, nummer, datum en plaats van afgifte van de aanvoeraangifte

d. soort en aantal aanvullende formulieren bij aankomst (ladinglijsten en dergelijke)

e. de gegevens van de plaatsingsaangifte:

    - aangiftenummer

    - alle gegevens die nodig zijn om de goederen te kunnen identificeren (merken, nummers, aantal en soort van de colli; bij onverpakte goederen het aantal voorwerpen of "los gestort" vermelden

    - goederenomschrijving onder de gebruikelijke handelsbenaming (of indien bekend de specieke goederenomschrijving waarmee indeling in de gecombineerde nomenclatuur mogelijk is)

    - alle gegevens die nodig zijn op grond van bijzondere voorschriften (accijns, omzetbelasting, landbouwbepalingen, niet-fiscale wetgeving, enzovoort)

    - voor goederen met prefinanciering de goederencode

    - brutomassa

    - nettomassa

    - voor goederen met prefinanciering aanvullende eenheden / bijzondere maatstaf

    - gegevens die zijn vereist op grond van bijzondere voorschriften

    - bescheiden die zijn vereist op grond van bijzondere voorschriften (T5, certificaten, vergunningen en degelijke, met vermelding van eventuele nummers)

    - de waarde van de goederen

f. geconstateerde verschillen

g. datum van uitslag

h. soort, nummer, datum en plaats van aanvaarding wegvoeringsaangifte

i. soort en aantal aanvullende formulieren bij wegvoering (ladingslijsten en dergelijke).

(artikel 516 TVo. CDW)

Als bij entrepots type C goederen hoofdzakelijk zijn opgeslagen in afwachting van verdergaand vervoer, kan van sommige gegevens worden afgezien als dit geen nadelige invloed heeft op het douanetoezicht. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn met:

- gegevens over herkomst en oorsprong,

- de goederencode,

- de waarde van de goederen,

- de nettomassa bij verpakte goederen.

(artikel 516 TVo. CDW)

Containerterminals waarvoor een vergunning entrepot type C is verleend zijn entrepots waarop het vorenstaande van toepassing is.

Goederen geladen in een container worden veelal met een aangifte T aangeleverd en als de goederen niet voldoende geïdentificeerd kunnen worden aan de hand van de gegevens in de aangifte is de container voorzien van een douaneverzegeling. Vaak zijn er niet meer gegevens beschikbaar dan vermeld in de aangifte T. Om deze goederen in de korte onderbreking van het vervoer toch te kunnen plaatsen in het entrepot type C kan worden volstaan met de gegevens zoals die zijn vermeld in de aangifte T en de douaneverzegeling op de container. Deze gegevens waaronder die van de douaneverzegeling moeten worden vastgelegd in de (voorraad)administratie en bieden een aanvullende waarborg voor het handhaven van de identiteit van de goederen gedurende de opslag in het entrepot type C.

Containers opgeslagen op containerterminals zijn vaak tijdens de opslag niet toegankelijk, containers worden gestapeld. De controle van de aanwezige douaneverzegeling moet daarom plaatsvinden zowel bij inslag als bij uitslag.

D en E

Evenals bij entrepot type C is ook bij type D- en E-entrepots een administratie verplicht.

Bij entrepot type D betreft de administratie alle op de entrepotlocatie opgeslagen goederen.

Bij entrepot type E omvat de administratie alle onder het entrepotstelsel geplaatste goederen. Daarbij moet ook duidelijk zijn welke goederen zich op welke plaats bevinden.

Het douanetoezicht gebeurt bij type D en E voornamelijk aan de hand van de administratie, maar ook hier zijn aanvullende fysieke controles belangrijk.

De administratie bij type D en E moet tenminste dezelfde gegevens bevatten als vereist is voor entrepots type C. Ook bij deze entrepottypen kan naast de entrepotvergunning vergunning worden verleend voor vereenvoudigde procedures bij in- en uitslag zoals de vereenvoudigde aangifte en de domiciliëringsprocedure en ook hier geldt dat van bepaalde gegevens kan worden afgezien als dit geen nadelige invloed heeft op het douanetoezicht, zoals bij type C hiervoor is beschreven.

(artikel 516 TVo. CDW).

Verdere administratieve bijzonderheden per entrepot type zijn:

          Voor entrepot type C

Bij dit entrepottype wordt het douanevervoer in de regel afgesloten onder de regeling voor toegelaten geadresseerde. Bij de plaatsing van goederen in het entrepot moet de inschrijving in de entrepotadministratie gebeuren van de daadwerkelijk aanwezige goederen. Eerder ontstane verschillen moeten in principe worden toegerekend aan de voorafgaande douaneregeling.

De administratie moet de gegevens vasthouden voor vaststelling van de douanerechten over de goederen op het tijdstip van hun uitslag. Voor entrepots type C met daarnaast een vergunning voor periodieke aangiften, is bovendien de administratieve organisatie van het bedrijf van belang om het douanetoezicht mogelijk te maken. Deze wordt besproken in paragraaf 2.3.9.

          Voor entrepot type D

Voor entrepot type D is naast de administratie een goede administratieve organisatie van het bedrijf belangrijk. Zie daarvoor verder in paragraaf 2.3.9.

Bij entrepot type D moeten de gegevens als genoemd bij type C worden vastgelegd in de administatie, met dien verstande dat de volgende gegevens moeten worden vermeld zoals ze zijn bij de inslag:

- de soort(en) van de goederen (specifiek omschreven);

- de goederencode volgens het gebruikstarief;

- de hoeveelheid (aantal stuks, kgs, liters of andere volgens het gebruikstarief toe te passen maatstaven);

- de waarde van de goederen;

- de oorsprong van de goederen.

De reden hiervoor is dat voor de vaststelling van deze gegevens het tijdstip van de plaatsing in het entrepot bepalend is; voor de andere gegevens is het tijdstip van de uitslag bepalend. De aanvullende fysieke controles zullen bij entrepot type D dan ook vooral moeten gebeuren bij de inslag.

Deze regeling voor de vaststelling op het tijdstip van de plaatsing maakt het een entreposeur mogelijk om de voor zijn bedrijf meest zekere weg te kiezen. Dit kan bijvoorbeeld nuttig zijn bij goederen met sterk wisselende waarden, goederen die langdurig in opslag zijn, seizoenartikelen, en dergelijke.

Aan type D is de domiciliëringsprocedure voor het brengen van de goederen in het vrije verkeer verbonden. Daar moet dus steeds bij type D vergunning voor worden verleend.

(artikel 525 TVo. CDW)

          Voor entrepot type E

Voor entrepot type E is naast de administratie een goede administratieve organisatie van het bedrijf belangrijk. Zie daarvoor verder in paragraaf 2.3.9.

Behalve dezelfde gegevens als bij entrepot type C moeten in de administratie van entrepot type E alle grondslagen worden vastgelegd die voor de juiste belastingheffing van belang zijn.

Bij entrepot type E gelden voor het vaststellen van de douanerechten van goederen die voor het vrije verkeer bestemd zijn, de elementen waarde, hoedanigheid en hoeveelheid van de goederen op het tijdstip van de uitslag uit het entrepot. De entreposeur kan bij dit entrepot echter ook kiezen voor de vaststelling van deze elementen op het tijdstip van de plaatsing in het entrepot. Deze keuze kan permanent of incidenteel zijn. De keuze kan verband houden met onder andere schommeling van koersen, tariefwijzigingen, prijzen op de wereldmarkt, enzovoort. Voor gebruik van die keuzemogelijkheid moet in de vergunning toestemming zijn verleend. De entrepotadministratie moet vanaf de plaatsing van de goederen in entrepot dan ook gegevens bevatten die qua inhoud vergelijkbaar zijn met die voor entrepot type D, te weten:

- de soort(en) van de goederen (specifiek omschreven);

- de goederencode volgens het gebruikstarief;

- de hoeveelheid (aantal stuks, kgs, liters of andere volgens het gebruikstarief toe te passen maatstaven);

- de waarde van de goederen;

- de oorsprong van de goederen.

In dit geval is voor die gegevens de situatie op het tijdstip van de plaatsing in het entrepot bepalend; voor de andere gegevens is het tijdstip van de uitslag bepalend.

Ook bij dit entrepot type zijn aanvullende fysieke controles noodzakelijk, zowel bij de keuze voor het "gewone" entrepot type E als bij entrepot type E met toepassing van systematiek van type D. Mede omdat bij het entrepot type E het systeem van douanetoezicht voor een belangrijk deel berust op de administratie, zullen de fysieke controles voornamelijk moeten gebeuren als goederen voor de plaatsing onder de entrepotregeling worden aangegeven.

(artikel 112, lid 3, CDW; artikel 525, lid 3, TVo. CDW)

          Bewaarplicht administratie

Op de entreposeurs en entrepositarissen rust een wettelijke bewaarplicht van de administratie. Dat betekent dat zij alle bescheiden die met hun bedrijf verband houden in ieder geval een bepaalde periode moeten bewaren. Dat moet gebeuren in leesbare vorm, zodat bijvoorbeeld bij verandering van een computersysteem de douane toch controle kan uitoefenen.

In de communautaire bepalingen is voor de bewaring een termijn genoemd van ten minste drie kalenderjaren. Dat laat onverlet de bewaringsplicht op grond van andere wetten. Zo geldt op grond van de nationale wetgeving in Nederland een bewaartermijn van zeven jaar.

(artikel 16 CDW; artikel 8 Douanewet; artikel 6 Wetboek van Koophandel)

          Boekhouding

Als de boekhouding van de belanghebende alle gegevens bevat die nodig zijn voor de douanecontrole van het door hem aangevraagde douane-entrepot en deze gegevens daarvoor bruikbaar zijn, kan de inspecteur de boekhouding als voorraadadministratie van het entrepot aanvaarden.

(artikel 515 TVo. CDW)

          Vindplaatsen van gegevens overeenkomstig het formulier Enig document die voor de entrepotadministratie van belang zijn

Hieronder vindt u een specificatie van gegevens voor de administratie van de entrepots. Daarbij is tussen de haakjes zo veel mogelijk verwezen naar het vak waarin deze gegevens te vinden zijn als de inslag plaatsvindt met een aangifte(formulier) Enig document:

  Gegevens/vindplaatsen
.... .......................................................................

a.

Uit de aangifte tot plaatsing onder het entrepotstelsel (IM 7):

- (vak 1) IM 7;

- (vak 3) het aantal formulieren waaruit de aangifte bestaat;

- (vak 5) het aantal artikelen van de aangifte;

- (vak 8) de geadresseerde;

- (vak 14) de aangever of zijn vertegenwoordiger;

- (vak 19) gebruik van container(s);

- (vak 31) de omschrijving van de goederen (merken, nummers, aantal en soort van de goederen en hun verpakking);

- (vak 32) het volgnummer van het artikel in verband met vak 5;

- (vak 33) de goederencode;

- (vak 35) de brutomassa;

- (vak 37) de douaneregeling die van toepassing is;

- (vak 38) de nettomassa van de goederen;

- (vak 40) voorafgaande aangifte of document;

- (vak 44) bijzondere vermeldingen, certificaten en vergunningen;

- (vak 46) de douanewaarde / statistische waarde;

- (vak 47) berekening van de belastingen.

b.

de datum en verwijzing naar andere douane-aangiften en bescheiden die betrekking hebben op de plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots;

c.

de datum en verwijzing naar de aangifte waarmee voor de goederen het stelsel van douane-entrepots wordt aangezuiverd;

d.

de gegevens die nodig zijn om de goederenbeweging te kunnen volgen (met name de plaats van opslag in het entrepot en de gegevens over overbrenging naar een ander douane-entrepot zonder dat het stelsel wordt beëindigd);

e.

de gegevens bij gezamenlijke opslag van de goederen;

f.

eventuele aanvullende gegevens die nodig zijn om de goederen te identificeren (bijvoorbeeld verwijzing naar monsters van massagoederen);

g.

de gegevens over gebruikelijke behandelingen die de goederen ondergaan;

h.

de gegevens over tijdelijke uitslag uit het entrepot.

2.3.9. Administratieve organisatie

In paragraaf 2.3.7 en 2.3.8 is besproken welke gegevens in de administratie moeten worden opgenomen. In deze paragraaf wordt de administratieve organisatie behandeld.

Met administratieve organisatie van een bedrijf wordt bedoeld het logisch samenhangend geheel van organisatorische maatregelen. Deze maatregelen moeten een betrouwbare informatievoorziening waarborgen. Enkele van deze maatregelen zijn:

- de wijze van inrichting van de administratie; deze bestaat uit alle schriftelijke of op andere wijze vastgelegde bedrijfsgegevens;

- de verbanden tussen geld- en goederenstroom zoals die in de boekhouding zijn vastgelegd. De boekhouding of financiële administratie is het deel van de administratie waarin de financiële bedrijfsgegevens worden vastgelegd;

- functiescheiding(en) in het bedrijf;

- andere interne controlemaatregelen zoals bijvoorbeeld instructies, procedurebeschrijvingen, en dergelijke.

De administratieve organisatie van entrepotbedrijven is voor de douane van groot belang. Dit betreft vooral de entrepots waar het mogelijk is om aangiften achteraf te doen.

Als de administratie en administratieve organisatie van een aanvrager voldoende waarborgen bieden voor een betrouwbare informatievoorziening, kan een vergunning voor zo'n entrepot worden verleend. Of zo'n vergunning kan worden verleend, wordt beoordeeld door ambtenaren die de inspecteur daarvoor heeft aangewezen.

Bij een bedrijf dat in aanmerking wil komen voor een entrepotvergunning, moet de administratieve organisatie waarborgen inhouden voor:

- een juiste vastlegging van de bedrijfshandelingen in de administratie;

- een volledige vastlegging van de bedrijfshandelingen in de administratie;

- een tijdige vastlegging van de bedrijfshandelingen in de administratie.

De juistheid, volledigheid en tijdigheid van de vastleggingen moeten controleerbaar zijn voor de douane.

Dit stelt eisen aan de maatregelen van interne controle bij het bedrijf. De eisen aan de administratieve organisatie en de interne controlemaatregelen van het bedrijf kunnen per bedrijf verschillen. Veel is afhankelijk van:

a. het type bedrijf: bijvoorbeeld een handelsonderneming, een productieonderneming of een dienstverlenend bedrijf;

b. de fiscale en niet-fiscale belangen van het bedrijf bij de opgeslagen goederen.

          Eisen aan de administratieve organisatie

- Handelsonderneming:
Bij een handelsonderneming als eigenaar van de goederen kan gesteund worden op harde verbanden tussen goederen en geld (waardenkringloop). De financiële administratie is daarbij een belangrijk controlemiddel. Gelet op die harde verbanden zal er dan ook vaak sprake zijn van vervangbare interne controlemaatregelen. Daardoor hoeft bijvoorbeeld een beperkte functievermenging niet de vergunningverlening voor een entrepot type E te belemmeren als ter compensatie een andere controlemaatregel wordt toegepast.

- Dienstverlenend bedrijf:
Bij een dienstverlenend bedrijf zoals een opslagbedrijf is men geen eigenaar van de goederen. Daardoor ontbreekt meestal een hard verband tussen de goederen- en de geldstroom. Hierdoor is vaak sprake van onvervangbare interne controlemaatregelen. Om aan de eisen van juistheid, volledigheid en tijdigheid te kunnen voldoen, zullen er immers controletechnische scheidingen moeten zijn tussen de verschillende functies in het bedrijf. Ontbreken deze scheidingen, dan is het niet mogelijk om dit te compenseren door andere controlemaatregelen.

De belangrijkste functies zijn in dit verband:

- de beschikkende functie

bijvoorbeeld de directeur, de inkoper en dergelijke

- de bewarende functie

bijvoorbeeld de magazijnmeester

- de uitvoerende functie

bijvoorbeeld de inpakker

- de regidtrerende functie

bijvoorbeeld de boekhouder

- de controlerende functie

bijvoorbeeld de interne controleur

Ook binnen de genoemde functies kunnen scheidingen nodig zijn die aansluiten bij de diverse bevoegdheden. Zo zullen bij het dienstverlenend bedrijf ook tussen de diverse beschikkende functies in het bedrijf controletechnische scheidingen moeten zijn. Tevens zullen er hogere eisen dan bij een handelsonderneming gesteld moeten worden aan de administratie. Op deze wijze is het bij dit type bedrijf toch mogelijk om een juiste, volledige en tijdige vastlegging van de bedrijfshandelingen te waarborgen.

          Fiscale en niet-fiscale belangen

Bij handelsondernemingen en opslagbedrijven speelt de voorraadadministratie een centrale rol voor het verkrijgen van een vergunning voor entrepot type C, D of E. Passend bij het gevraagde entrepottype moeten aan die administratie specifieke eisen worden gesteld. De voorraadadministratie moet zodanig gedetailleerd zijn dat daaruit kan worden afgeleid:

- de bepaling van de verschuldigde belastingen;

- het tijdstip van het ontstaan van de belastingschuld;

- de naleving van de niet-fiscale bepalingen die van toepassing zijn op de opgeslagen goederen.

Om hieraan te kunnen voldoen zal een daarvoor deugdelijke administratie gevoerd moeten worden. De heffingsgegevens en de gegevens van belang voor de naleving van de niet-fiscale wetgeving moeten daarin worden geregistreerd. Ook moeten de identiteitskenmerken van de goederen daarin geregistreerd worden.

Als vervangbare interne controlemaatregelen niet door of namens het bedrijf zelf kunnen worden uitgeoefend, is in beginsel een vergunning voor entrepot type E niet mogelijk.

Wellicht kan in dat geval wel een vergunning voor type C of type D worden verleend. Daarbij vult de douane de controlemaatregelen aan.

          Voorbeeld:

De controlemaatregelen kunnen worden ingevuld door fysieke controles tijdens de opslag (gehele of gedeeltelijke inventarisatie). Deze controles moeten wel op doelmatige wijze kunnen worden verricht.

(artikelen 515 en 516 TVo. CDW; artikel 26 Douanebesluit)

Voor de beoordeling welk type entrepot kan worden verleend, is in het algemeen een initieel onderzoek nodig. Zie in dat verband paragraaf 2.4.2.

2.3.10. Controleprogramma en controleplan

Voor de controle en het toezicht op een douane-entrepot is het controlekantoor verantwoordelijk. Hierbij spelen een tweetal instrumenten een belangrijke rol:

- het controleprogramma;

- het controleplan.

Beiden worden uitvoerig behandeld in het Handboek Controle Douane. In dit onderdeel van het Handboek vindt u daaruit alleen de belangrijkste punten voor douane-entrepots.

          Het controleprogramma

Het controleprogramma is een beschrijving van de controlemaatregelen die bij een entrepot moeten worden uitgevoerd. Deze maatregelen zijn zo samen gesteld dat daarmee de fiscale en niet-fiscale risiko's die aan het entrepot zijn verbonden, worden afgedekt. Om deze risiko's te kunnen inschatten is een goed beeld van het bedrijf nodig. Bij het initieel onderzoek voor afgifte van de vergunning, wordt veel informatie verzameld. Het initieel onderzoek verschaft met name inzicht in:

- de persoon van de aangever,

- de activiteiten van zijn bedrijf,

- de administratieve organisatie en

- de interne controlemaatregelen van het bedrijf.

Op deze wijze zijn in het controleprogramma de aard, de frequentie, de methoden en de omvang van de controles (de controlemiddelen) aangegeven. Ook blijkt hieruit welke controlemix moet worden toegepast.

Dat wil zeggen hoe bij dit entrepot de verhoudingen moeten zijn tussen administratieve en fysieke controles.

Aangezien de activiteiten en het goederenpakket kunnen veranderen, moet het controleprogramma periodiek worden bezien en eventueel bijgesteld.

Per type douane-entrepot is een model-controleprogramma gemaakt. Hierin worden per opslagregeling de mogelijke controlemaatregelen opgesomd. De model-controleprogramma's zijn een hulpmiddel om de op risiko-analyse gebaseerde controleprogramma's per bedrijf op te stellen. De modelcontroleprogramma's zijn opgenomen in het Handboek Controle.

          Het controleplan

Het controleplan is het plan van aanpak van alle controlewerkzaamheden van de douane-eenheid die de controle moet uitvoeren. Dit kan het controlekantoor zijn maar ook een andere door dat kantoor bij het entrepot betrokken eenheid.

Het controleplan is gebaseerd op de gegevens van de controleprogramma's binnen het ambtsgebied van de betrokken douane-eenheid. In het controleplan wordt rekening gehouden met de controlecapaciteit.

2.4. Procedures en ambtelijke werkzaamheden

Uit het controleplan moet blijken welke keuzen voor de controles zijn gemaakt.

In deze paragraaf worden een aantal procedures en werkzaamheden beschreven die te maken hebben met het douane-entrepot.

Eerst volgt een paragraaf "Algemeen" (paragraaf 2.4.1). Daarin wordt gezegd:

- welke soorten controles de douane moet uitvoeren;

- welke regelingen er zijn om die controles te verrichten.

Dan volgen de volgende procedures:

- procedure aanvraag vergunning (paragraaf 2.4.2);

- procedure goedkeuring vergunning (paragraaf 2.4.3);

- procedure afgifte vergunning (paragraaf 2.4.4);

- procedure weigering vergunning (paragraaf 2.4.5).

2.4.1. Algemeen

De douane moet controlemaatregelen nemen die voor de toepassing van de douanewetgeving nodig zijn. Deze maatregelen zijn bij de regeling douane-entrepots vooral gericht op de locatie van een entrepot c.q. bij een entrepot type E op de plaats waar de goederen moeten zijn. Voor een entrepot moet een vergunning zijn verleend. De douane weet daardoor precies wat de plaats is van het entrepot c.q. waar bij type E de goederen zich moeten bevinden. De entrepotgoederen moeten daadwerkelijk op die plaats voor handen zijn.

Andere controlemaatregelen bij de regeling douane-entrepots zijn:

- administratieve controles;

- fysieke controles.

(artikel 13 CDW)

          - ad Administratieve controles

Deze controles vinden plaats aan de hand van de (voorraad)administratie:

Type entrepot Administratie
............. ..................................................................

B

Hier wordt de administratie gevormd door de op het controlekantoor na inslag van de goederen ingeleverde exemplaren van aangiften tot inslag.

C, D en E

Bij deze entrepots is de basis de (voorraad) administratie van de entreposeur.

De controle van de administratie kan plaats vinden:

- bij ambulante controles: het is dan zaak dat de ambtenaren behalve controle van de voorraad of een deel daarvan ook controleren of de in gang zijnde goederenbewegingen in de administratie zijn vermeld;

- bij periodieke controles achteraf: daarbij moet duidelijk worden of de goederen die zijn ingeslagen in het entrepot op regelmatige wijze hun bestemming hebben gevolgd c.q. nog in het entrepot aanwezig zijn.

          - ad Fysieke controle s:

De fysieke controles vinden in beginsel plaats in overeenstemming met het controleprogramma en het controleplan. Er kunnen bijzondere redenen zijn om daarvan af te wijken, bijvoorbeeld vermoeden van onjuistheden.

Fysieke controles kunnen worden gedaan bij:

- de plaatsing van de goederen onder het entrepotstelsel;

- tijdens de opslag;

- bij de aanzuivering van het entrepotstelsel.

De fysieke controles bij de inslag in c.q. uitslag uit het entrepot vallen vaak samen met controles op grond van andere douaneregelingen.

          Voorbeeld:

De controle bij de aankomst, lossing en inslag. Daarbij eindigt de regeling douanevervoer. Hoewel dit een op zichzelf staande regeling is, is deze regeling nauw betrokken bij de regeling douane-entrepots.

Het systeem van de kennisgevingen (zie paragraaf 2.3.6) geeft voor de fysieke controles belangrijke informatie.

De fysieke controle van het entrepot kan plaats vinden door:

- ambulante controle's;

- periodieke controle's.

          Ambtelijke werkzaamheden

Uw werkzaamheden bij ambulante controles zijn de volgende:

- u gaat aan de hand van het kennisgevingenregister van de entreposeur na of van de goederenbeweging kennis is gegeven door registratie;

- u controleert of de inslag c.q. uitslag van de goederen in overeenstemming is met de bijbehorende aangiften.

Uw werkzaamheden bij de periodieke controles zijn:

- u gaat door de gehele of gedeeltelijke inventarisatie van de goederen in het entrepot na of de opslag van de goederen overeenstemt met de administratie.

U kunt daarbij van twee mogelijkheden uitgaan:

a. van de aanwezige goederen: u controleert dan of deze zijn vermeld in de administratie;

b. van de administratie: u controleert dan of de daarin vermelde goederen conform aanwezig zijn in het entrepot.

2.4.2. Procedure aanvraag vergunning

De aanvraag voor het entrepot moet worden ingediend bij de inspecteur in wiens ambtsgebied het entrepot gevestigd zal worden.

(artikel 498 TVo. CDW; artikel 3 Douanebesluit)

Douane-entrepot behoort tot de economische douaneregelingen. De aanvraag voor een economische douaneregeling moet schriftelijk worden gedaan. Het communautaire model daarvoor is, met inbegrip van een aanvullend formulier dat specifiek bedoeld is voor douane-entrepots, maakt deel uit van een aanvraag- en vergunningset. Het aanvraagformulier is te downloaden op www.douane.nl. De aanvrager moet bij het indienen alle documenten overleggen die voor de juiste beoordeling van de aanvraag van belang kunnen zijn.

Dit zijn in elk geval:

- een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel;

- een beschrijving van de (voorraad-)administratie en de administratieve organisatie van zijn bedrijf;

- voor entrepots typen B, C en D tekeningen of plattegronden van de ruimte waarvoor de vergunning gevraagd wordt.

(bijlage 67 TVo. CDW)

Het verlenen van een entrepotvergunning hangt af van de economische behoefte aan opslag. De aanvrager moet die behoefte aantonen.

De aanvrager moet alle noodzakelijke waarborgen bieden voor het goede verloop van de entrepothandelingen. Zie hierbij paragraaf 2.3.1.

(artikelen 85 tot en met 87 CDW)

De aanvrager zal zekerheid moeten stellen als waarborg voor de betaling van de douaneschuld. Een uitzondering op deze regel geldt voor entrepot type B. Bij dat type entrepot is al zekerheid gesteld door de titularissen van de desbetreffende aangiften tot opslag.

(artikel 88 CDW; artikel 55 Douaneregeling)

Bij de beoordeling van de aanvraag moet de inspecteur ook rekening houden met de kosten die de douane zal moeten maken voor controle en toezicht op het entrepot. Deze kosten moeten in een redelijke verhouding staan met de economische behoefte aan opslag.

(artikel 86 CDW)

          Ambtelijke werkzaamheden

Als u belast bent met de behandeling van de aanvraag, doet u het volgende:

1. U legt de ontvangst van de aanvraag vast in het postregistratiesysteem.

2. U legt voor de aanvraag en de daarbij te voegen bescheiden een dossier aan (zie hierbij paragraaf 2.4.6).

3. U gaat na of voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

    a. de aanvrager is gevestigd binnen het douanegebied van de Gemeenschap (zie paragraaf 2.3.1);

    b. de aanvrager biedt de nodige waarborgen voor het goede verloop van de entrepothandelingen (zie paragraaf 2.3.1),

    c. de aanvrager heeft een voldoende economisch belang om goederen op te slaan in entrepot (zie paragraaf 2.3.2);

    d. het economisch belang van de opslag weegt op tegen de kosten van douanetoezicht voor dit entrepot (zie paragraaf 2.3.2);

    e. de ruimte van het entrepot zal hoofdzakelijk bestemd zijn voor de opslag van:

    - niet-communautaire goederen;

    - bepaalde communautaire goederen (bijvoorbeeld landbouwgoederen met prefinanciering);

f. de aanvrager kan voldoende zekerheid stellen voor toepassing van de gevraagde douaneregeling (zie paragraaf 2.4.3);

g. het lokaal of andere ruimte voor het entrepot voldoet aan de te stellen voorwaarden (zie paragraaf 2.4.3).

Voor zover u de gegevens niet of niet voldoende zelf kunt vaststellen, doet u het volgende:

- Verzoek de ambtenaren die belast zijn met het initieel onderzoek ook hierover rapport uit te brengen;

- Zend de bescheiden voor initieel onderzoek aan deze ambtenaren.

          Let op:

Voor de behandeling van de aanvraag geldt een beperkte termijn. De wetgever is er bij de vaststelling van die termijn van uit gegaan dat een belanghebbende zelf alle nodige voorbereidingen voor de aanvraag en vergunningverkrijging heeft verricht of laten verrichten. Binnen 60 dagen nadat de aanvraag door de douane is ontvangen, moet aan de aanvrager worden medegedeeld dat de vergunning wordt afgegeven of moet aan hem worden medegedeeld waarom de vergunning niet wordt afgegeven. Deze termijn kan worden verlengd wanneer de aanvraag niet compleet is en de aanvrager de gegevens nog moet aanvullen. In dat geval begint de 60-dagen-termijn zodra alle benodigde gegevens door de douane alsnog zijn ontvangen. Het is ook mogelijk dat de behandeling van de aanvraag langere tijd vraagt, bijvoorbeeld omdat blijkt dat de administratie van de aanvrager moet worden aangepast. In dat geval kan de termijn in overleg met de aanvrager worden opgerekt omdat de situatie voor een bewilliging niet compleet is. Bij grensoverschrijdende douane-entrepots gelden andere regels, zie daarvoor paragraaf 2.6.3.

(artikel 506 TVo. CDW)

          Initieel onderzoek

Als u belast bent met het initieel onderzoek bij de aanvraag van een entrepotvergunning, is voor u het volgende van belang. Aan de vergunningsverlening voor een douane-entrepot moet een initieel onderzoek vooraf gaan. Het initieel onderzoek vindt plaats overeenkomstig de aanwijzingen van het Handboek Controle. U moet met een aantal zaken rekening houden:

Type entrepot Rekening houden met
............. .....................................

B

Bij dit type entrepot kan het onderzoek beperkt zijn. Er is immers geen voorraadadministratie nodig bij de entreposeur. De administratie wordt ten behoeve van het douanetoezicht gehouden op het controlekantoor of het douanekantoor. Bij de rapportering kan worden voorbijgegaan aan de letters b en f hiervoor.

C, D en E

De (voorraad)administratie voldoet ten minste aan de eisen genoemd in paragraaf 2.3.7. In het algemeen vindt een initieel onderzoek bij de aanvraag voor deze entrepottypen plaats door of onder verantwoordelijkheid van een accountant van het douane district. Afhankelijk van de bevindingen over de administratie en administratieve organisatie van de aanvrager is het bij deze entrepottypen mogelijk dat aansluitend bij de entrepotvergunning ook vergunning voor vereenvoudigde aangifteprocedures wordt verleend, zoals vereenvoudigde aangifte en de domiciliëringsprocedure. Zie voor deze vergunningen dit Handboek, onderdelen 12.00.00 en 13.00.00

Bij het initieel onderzoek doet u het volgende:

1. Voor de uitvoering van het onderzoek handelt u zoals is beschreven in het Handboek Controle.

2. Rapporteer uw bevindingen schriftelijk. De inspecteur of door hem daarvoor aangewezen bevoegde ambtenaar beslist op basis van dit rapport. Het rapport is tevens basis voor het controleprogramma en het controleplan (zie paragraaf 2.3.10).

3. Voeg dit rapport na afhandeling van de aanvraag volgens de volgende paragrafen in het dossier.

          FIFO-systeem

Bij behandeling van de vergunningaanvraag moet verder nog aandacht worden gegeven of de belanghebbende de aanzuivering van de regeling wegens uitslag van goederen op andere wijze wenst dan volgens het FIFO-systeem; zie paragraaf 2.5.4.

          Overbrengen en/of overdragen

Bij behandeling van de vergunningaanvraag moet verder nog aandacht worden gegeven of de belanghebbende gebruik zal maken van bijzondere procedures voor overbrengen en/ of overdragen van goederen onder de regeling; zie paragraaf 2.5.5.

2.4.3. Procedure goedkeuring vergunning

Als aan de aanvraag kan worden voldaan, kan worden overgegaan tot goedkeuring.

Hiervoor moeten nog de volgende voorzieningen worden getroffen:

a. zekerheidstelling;

b. technische eisen voor goedkeuring;

c. proces-verbaal van situatie;

d. controleprogramma;

e. controleplan.

          Ad a. Zekerheidstelling

De entreposeur moet zekerheid stellen voor de douaneschuld die kan ontstaan voor goederen die onder de regeling van het entrepot zijn geplaatst.

          Ambtelijke werkzaamheden

          De inspecteur bepaalt de hoogte van de zekerheid. Als u belast bent met de werkzaamheden inzake de zekerheidstelling, neemt u daarvoor de bepalingen in acht die zijn opgenomen onder nummer 27.00.00 van dit Handboek.

          (artikel 88 en 104 CDW; artikel 55 Douaneregeling)

          Ad b. Technische eisen voor goedkeuring

Een door de douane af te sluiten entrepot (denk aan een vrij entrepot) moet voldoen aan strenge eisen van ligging, bouw, inrichting en afscheiding van andere percelen.

Voor een niet-ambtelijk gesloten entrepot hoeft de douane dergelijke zware technische eisen niet te stellen.

Type entrepot Gegevens Technische eisen
........... ............... .........................................

B, C en D

Een entrepot type B, C of D is een gebouw, lokaal of andere afgebakende ruimte.

In beginsel zijn deze entrepots open. Dat wil zeggen dat de douane ze niet afsluit.

De eis van goedkeuring door de douane houdt verband met:

a. de controleerbaarheid: fysieke controle en inventarisatie van de goederen moet op eenvoudige wijze mogelijk zijn; daarom moeten de goederen zich binnen de als entrepot goedgekeurde locatie bevinden;

b. de ambtelijke bevoegdheden bij visitatie.

(artikel 526 TVo. CDW; artikelen 11 tot en met 18 Douanewet)

De aanvrager moet bij de aanvraag een beschrijving met situatietekening van het entrepot inleveren. Het precieze adres moet daarin zijn genoemd. Ook moet hij daarbij aangeven met vermelding van de kadastrale aanduiding welk perceel als douane-entrepot zal gaan dienen.

Het kan voorkomen dat een entrepot type B is aangevraagd voor goederen waarvoor bijzonder douanetoezicht nodig is.

Voorbeeld: Niet-EG-waardige veterinaire of fytosanitaire goederen (paragraaf 2.1.1).

Op grond van de bijzondere wetgeving kan de opslag van dergelijke goederen alleen zijn toegestaan onder douanesluiting. Als de aanvrager dergelijke goederen wil opslaan in het entrepot, moet hij een deugdelijke douanesluiting mogelijk maken. In dat geval zullen voor het entrepot dezelfde technische eisen moeten gelden als voor een ruimte voor tijdelijke opslag. Die eisen vindt u in onderdeel 11.00.00, paragrafen 1.1 tot en met 1.3, van dit Handboek.

E

Dit entrepottype is niet aan een bepaald gebouw, lokaal of andere ruimte gebonden.

Hiervoor gelden geen technische eisen voor goedkeuring. Wel moet altijd uit de administratie van de entreposeur blijken op welke plaats de goederen zich bevinden. De goedkeuring bij type E geldt de administratie en de administratieve organisatie. Die goedkeuring kan alleen worden gegeven door het controlekantoor waar zich de hoofdadministratie bevindt van de aanvrager.

          Ambtelijke werkzaamheden

          Als u belast bent met de beoordeling of een gebouw, lokaal of andere ruimte kan worden aanvaard als douane-entrepot, moet u rekening houden met het volgende:

          Gebouwen, lokalen of ruimten die zich bij uitstek lenen voor ongeoorloofde praktijken mogen niet worden goedgekeurd als douane-entrepot. Hierbij moet u ook in aanmerking nemen:

          - de aard van de goederen die zullen worden opgeslagen;

          - de fiscale belangen bij de goederen (bijvoorbeeld hoog belast);

          - de niet-fiscale belangen bij die goederen.

          Als in een entrepot type B goederen worden opgeslagen waarvoor bijzonder douanetoezicht nodig is, moet u rekening houden met zwaardere goedkeuringseisen. Dit kan het geval zijn wanneer de aanvrager bijzondere goederen wil opslaan.

          Voorbeeld:

          Landbouwgoederen die om gezondheidsredenen niet in het verkeer van de Gemeenschap mogen worden gebracht. Op grond van de bijzondere wetgeving is de opslag van dergelijke goederen alleen toegestaan onder douanesluiting.

          Als de aanvrager dergelijke goederen wil opslaan in het entrepot, moet hij de douanesluiting mogelijk maken. De te nemen maatregelen zijn dan gelijk aan die voor de ruimten voor tijdelijke opslag. Zie in dat geval voor die bouwtechnische eisen, de goedkeuringsprocedure en de ambtelijke werkzaamheden onderdeel 11.00.00, paragrafen 1.1 tot en met 1.3, van dit Handboek.

          Ad c. Proces-verbaal van situatie

Bij entrepots typen B, C en D is nodig dat het volgende precies vast ligt:

- op welke locatie een douane-entrepot gevestigd is;

- wat de omvang van het entrepot is.

Het belang daarvan is tweeërlei:

a. het is nodig ten behoeve van de inventarisatie als controlemiddel;

b. de wet geeft de douane speciale bevoegdheden voor het betreden en visiteren van de gebouwen, lokalen en dergelijke die als entrepot zijn aangewezen.

(artikelen 11 tot en met 18 Douanewet)

          Ambtelijke werkzaamheden

          1. Maak van de gegevens over ligging en omvang van het entrepot een proces-verbaal van situatie op. hiervoor gebruikt u de bijlage "Beschrijving douane-entrepot" bij de standaardvergunning. Bij goedkeuring van een gebouw, lokaal of andere ruimte als "open" douane-entrepot, kunt u volstaan met een vereenvoudigd proces-verbaal van situatie.

          2. Vermeld hierin de volgende gegevens:

            - naam en adres van de entreposeur;

            - een verwijzing naar de situatietekening van het lokaal of de afgescheiden ruimte van het entrepot;

            - de plaats van het entrepot met vermelding van gemeente en kadastrale aanduiding;

            - een beschrijving van het lokaal of de afgescheiden ruimte van het entrepot;

            - de wijze van afscheiding van het entrepot van andere percelen of ruimten.

          3. Maak het proces-verbaal van situatie in drievoud op. Bij elk exemplaar voegt u een exemplaar van de situatietekening. Elk exemplaar van het proces-verbaal wordt ondertekend:

            - door of namens de inspecteur;

            - door de entreposeur.

          Zie voor de distributie van deze exemplaren paragraaf 2.4.4.

Bij een entrepot type E is het opmaken van een proces verbaal van de situatie niet nodig. Bij het entrepot type E is geen sprake van goedgekeurde plaatsen, maar van opslaginrichtingen (artikel 98, lid 3 CDW en artikel 525, lid 2, letter b TVo. CDW). In de vergunning douane-entrepot type E moet de vermelding van opslaginrichtingen met de adresgegevens nauwkeurig worden opgenomen (zie bijlage 67, punt 19 TVo. CDW)

          Ad d. Controleprogramma

Voor het entrepot moet een controleprogramma worden opgesteld. Hiervoor zijn van belang de gegevens in het rapport van het initieel onderzoek (paragraaf 2.4.2).

          Ambtelijke werkzaamheden

          Op basis van de gegevens uit het rapport initieel onderzoek doet u het volgende:

          - Vul het standaardmodel controleprogramma in voor het betreffende entrepottype (opgenomen als één van de bijlagen 2 tot en met 4). Pas hierbij het controleprogramma aan met voorzieningen die, gelet op het bedrijf van de entreposeur, nodig zijn.

          - Met inachtneming van wat over het controleprogramma al gezegd is in paragraaf 2.3.10, houdt u daarbij vooral rekening met:

Type entrepot Rekening houden met
............ ................................................

B

- de goederensoort(en);

- de fiscale en niet-fiscale risico's.

C, D en E

- de goederensoort(en);

- de fiscale en niet-fiscale risico's;

- het niveau van de administratie en administratieve organisatie.

          1. Bij alle entrepottypen is van belang dat u in het controleprogramma beschrijft de:

            - aard;

            - frequentie;

            - diepgang;

            - methode(s) en de controlemix (verhouding tussen de administratieve en fysieke controles).

          2. Voeg het controleprogramma in het dossier van het entrepot.

          3. Als (ook) een andere douane-eenheid met de controlewerkzaamheden van het entrepot is belast, zendt u ook een exemplaar van het controleprogramma aan die eenheid.

          De controlerende douane-eenheid maakt met de entreposeur afspraken over:

          - de wijze van kennisgeven;

          - de frequentie van de kennisgevingen.

          De hoofdlijnen van die afspraken moeten schriftelijk worden vastgelegd. De afspraken kunnen incidenteel of periodiek worden gewijzigd c.q. bijgesteld. Dit hangt mede af van bijvoorbeeld het goederenpakket, de kwaliteit van de klant, de risico-analyse, enzovoort.

          (artikel 274 TVo. CDW)

          Ad e. Controleplan

Het controleplan (zie hiervoor ook paragraaf 2.3.10) moet worden opgesteld door de controlerende douane-eenheid.

De controleprogramma's van alle in het ambtsgebied gelegen entrepots worden opgenomen in het controleplan van de douane-eenheid. Het controleplan moet rekening houden met de controlecapaciteit van de eenheid ten aanzien van alle in het ambtsgebied aanwezige entrepots.

          Ambtelijke werkzaamheden

          De met controle belaste douane-eenheid verricht de controlewerkzaamheden in beginsel volgens het controleplan.

          Als u belast bent met de uitvoering van controles, rapporteert u wat aan controles is gedaan en met welke resultaten. Daarbij geeft u informatie over het verloop van de controles.

          Wanneer in belangrijke mate bij de controles is afgeweken van het controleplan en/of van het controleprogramma, moet u de reden daarvan vermelden in het rapport.

2.4.4. Procedure afgifte vergunning

Als de inspecteur heeft vastgesteld dat de aanvrager aan alle voorwaarden voldoet, verleent hij de vergunning voor het beheren van het douane-entrepot. Het verlenen van de vergunning geldt als een beschikking inzake de toepassing van de douanewetgeving. Zij moet daarom schriftelijk worden verleend. Voor vergunningverlening voor douane-entrepot geldt in beginsel een termijn van 60 dagen vanaf de aanvraag. Die termijn gaat lopen zodra de aanvraag bij de douane is ingediend en deze, na een eventueel nog benodigde aanvulling van de gegevens, geheel compleet is.

(artikelen 6, en 99 CDW; artikelen 505 tot en met 508 TVo. CDW; artikel 30a Algemene wet inzake rijksbelastingen; artikelen 1:3, 4:13 en 4:14 Algemene wet bestuursrecht)

          Ambtelijke werkzaamheden

          Als u belast bent met de vergunningsafgifte, doet u het volgende:

          1. Het communautaire model voor een vergunning economische douaneregelingen is (met inbegrip van het aanvullende formulier dat specifiek gericht is op douane-entrepots) opgenomen in een aanvraag- en vergunningset. Het vergunningdeel vindt u in bijlage 1 bij dit onderdeel van dit Handboek.

          2. Vermeld daarin ook voor welke goederensoort(en) de vergunning is verleend.
          (Bijlage 67 TVo. CDW)

          3. Vermeld in de vergunning het douanekantoor dat is aangewezen voor de controle van het entrepot.

          De vergunning wordt aangemerkt als een beschikking in wettelijke zin. Dat houdt in dat deze beschikking vatbaar is voor bezwaar.

          4. Wijs in de schriftelijke mededeling dat de vergunning is verleend op die mogelijkheid.
          (artikel 6 en 243 CDW; artikel 30a Algemene wet inzake rijksbelastingen)

          5. Als tevens vergunning is verleend om voor de plaatsing en/of de beëindiging van de entrepotregeling de vereenvoudigde aangifteprocedure of de domiciliëringsprocedure toe te passen, gaat u na of in het dossier de mededeling van CBS aanwezig is dat belanghebbende met CBS over de levering van statistische gegevens afspraken heeft gemaakt. Zo nodig neemt u daarover met het CBS kontakt op.

          6. Verspreid de vergunning als volgt:

            - een exemplaar met bijlagen zendt u aan de entreposeur;

            - een exemplaar met bijlagen zendt u aan het controlekantoor;

            - een exemplaar met bijlagen voegt u in het dossier van het entrepot.

          7. Als de controles (mede) zullen worden verricht door een andere douane-eenheid dan het controlekantoor, zendt u ook een exemplaar met bijlagen naar die eenheid.

2.4.5. Procedure weigering vergunning

Als een verzoek om vergunningsverlening voor een entrepot niet kan worden ingewilligd, moet het worden afgewezen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer niet aan de voorwaarden wordt voldaan als genoemd in paragraaf 2.4.2. Ook kan dit het geval zijn wanneer een aanvraag is ingediend voor type B of C buiten een plaats waar een douanekantoor is gevestigd.

De afwijzing moet schriftelijk gebeuren met vermelding van reden(en). Zij wordt aangemerkt als een beschikking. Deze beschikking is vatbaar voor bezwaar.

          Ambtelijke werkzaamheden

          Als u belast bent met de behandeling, doet u het volgende:

          1. Deel per brief aan de aanvrager mee dat u belast bent met de behandeling.

          2. Vermeld in deze brief:

            - dat het verzoek is afgewezen;

            - de reden(en) van de afwijzing;

            - de mogelijkheid van bezwaar tegen de afwijzende beschikking.

            - houdt hierbij rekening met de nationaal wettelijke termijnen die voor de beslissing op de aanvraag gelden.

          3. Voeg een afschrift van de beschikking in het dossier.

          (artikelen 6 en 243 CDW; artikel 30a Algemene wet inzake rijksbelastingen; artikelen 4:5, 4:13 en 4:14 Algemene wet bestuursrecht)

2.4.6. Dossier

De inspecteur moet van elke verleende vergunning of weigering daarvan een dossier aanleggen.

          Ambtelijke werkzaamheden

          In het dossier neemt u ten minste de volgende bescheiden op:

          - de aanvraag met bijbehorende bijlagen genoemd in paragraaf 2.4.2;

          - het rapport van het initieel onderzoek;

          - een kopie van het controleprogramma;

          - kopie-correspondentie tussen controlekantoor en entreposeur over het systeem van kennisgeven;

          - de vergunning met bijlagen (proces-verbaal van situatie en de situatietekening) of een kopie van de afwijzende beschikking.

          Het dossier moet bewaard blijven:

          - gedurende de tijd dat het entrepot in gebruik is;

          - ten minste 5 jaar na afloop van het jaar van afwijzing, intrekking of nietigverklaring van de vergunning.

          (artikel 20 Douanebesluit)

2.4.7. Klant Informatie Systeem

Iedere verleende vergunning moet worden ingevoerd in het Klant Informatie Systeem. Dat is een landelijk geautomatiseerd bestand van gegevens over klanten. Na de invoering in het systeem kunnen op elk daarop aangesloten douanekantoor de over een klant van belang zijnde gegevens worden opgevraagd.

Dit betreft onder andere:

- de naam-, adres- en woonplaatsgegevens;

- het douanenummer van de klant;

- de aan die klant verleende vergunningen waarbij onder andere het entrepottype, het vergunningsnummer en de zekerheidsgegevens.

          Ambtelijke werkzaamheden

          In beginsel is de klantcoördinator die de vergunninghouder in zijn werkpakket heeft, voor de opvoering in het Klant Informatie Systeem verantwoordelijk.

          Als u met die taak belast bent, draagt u zorg voor de opvoering in het Klant Informatie Systeem. Dit moet u doen op de wijze zoals is beschreven in de Gebruikershandleiding Klant Informatie Systeem. Op de bij het systeem aangesloten douanekantoren is deze handleiding aanwezig.

          Hiermee is de procedure voor het verlenen van de vergunning afgerond.

2.5. Nadere bepalingen

In deze paragraaf komen de volgende onderwerpen aan de orde:

- procedure wijziging entrepot (paragraaf 2.5.1);

- procedure intrekking douane-entrepot (paragraaf 2.5.2);

- detailverkoop vanuit douane-entrepot (paragraaf 2.5.3);

- FIFO-systeem (paragraaf 2.5.4);

- overbrengen en overdragen (paragraaf 2.5.5).

2.5.1. Procedure wijziging entrepot

Het komt voor dat de entreposeur wijziging wil aanbrengen aan het entrepot, aan de (voorraad)administratie en/of aan de administratieve organisatie. Het is mogelijk dat dit van invloed is op de wijze waarop de douane toezicht uitoefent op het entrepot. In dat geval moet de entreposeur vooraf goedkeuring vragen aan de inspecteur. Dit moet schriftelijk gebeuren.

(artikel 87 CDW; artikel 29 Douanebesluit)

          Ambtelijke werkzaamheden

          De criteria die de inspecteur bij een verzoek tot wijziging moet toepassen, zijn gelijk aan die bij de aanvraag van een nieuwe vergunning.

          Als u met de uitvoering daarvan bent belast, moet u zorg dragen dat dezelfde procedure wordt gevolgd als beschreven in de paragrafen 2.4.2 tot en met 2.4.5.

          Ook op dit verzoek moet de inspecteur bij beschikking antwoorden. Hierbij zijn ook weer de bepalingen omtrent bezwaar van toepassing.

          Distributie van de diverse exemplaren en dossiervorming van de beschikking gebeurt zoals in de paragrafen 2.4.4 en 2.4.6.

          De wijzigingen mogen pas worden uitgevoerd als de goedkeuring is verleend.

          (artikelen 6, 87 en 243 CDW; artikel 29 Douanebesluit)

2.5.2. Procedure intrekking douane-entrepot

De vergunning voor het entrepot kan worden ingetrokken in de volgende gevallen:

a. de entreposeur verzoekt om opheffing;

b. het entrepot wordt niet meer in die mate gebruikt dat handhaving gerechtvaardigd is;

c. de vergunning werd verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens (de aanvrager was hiervan op de hoogte of had dit redelijkerwijze kunnen zijn: op grond van de juiste of volledige gegevens had de vergunning niet kunnen worden verleend);

d. er wordt niet meer voldaan aan de voorwaarden van de entrepotvergunning;

e. de voorwaarden van de entrepotregeling worden niet (meer) nagekomen;

f. de bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd.

(artikelen 8 tot en met 10 CDW)

De intrekking van de vergunning vindt plaats bij beschikking van de inspecteur. Deze beschikking is vatbaar voor bezwaar. Hierbij moet u rekening houden met de termijnen die de Algemene wet bestuursrecht daarvoor kent.

(artikelen 8, 9 en 243 CDW; artikel 30a Algemene wet inzake rijksbelastingen; artikelen 1:3, 3:45, 4:13 en 4:14 Algemene wet bestuursrecht)

          Ambtelijke werkzaamheden

Als u belast bent met de behandeling van de intrekking, doet u het volgende:

1. Deel per brief aan de entreposeur mee dat u belast bent met de behandeling van de intrekking.

2. Vermeld daarin:

    - dat de vergunning met ingang van een bepaalde datum is ingetrokken;

    - de reden(en) van de intrekking;

    - de mogelijkheid van bezwaar tegen de beschikking.

    De regels voor distributie van de diverse exemplaren van de beschikking tot intrekken en de dossiervorming (zie de paragrafen 2.4.4 en 2.4.6) zijn van overeenkomstige toepassing.
    (artikelen 6 en 243 CDW; artikel 30a Algemene wet inzake rijksbelastingen; artikelen 1:3, 3:45, 4:13 en 4:14 Algemene wet bestuursrecht)

          Afhandeling goederen bij intrekking

Als de vergunning is ingetrokken, moet de entreposeur de nog onder het entrepotstelsel opgeslagen goederen een andere douanebestemming geven.

In het kader van beleid moet dit gebeuren binnen een maand na dagtekening van de intrekkingsbeschikking.

Goederen die niet binnen de daarvoor gestelde periode zijn aangegeven voor een andere douanebestemming, kunnen in bewaring worden genomen. De procedure daarvoor wordt beschreven in onderdeel 5.00.00 van dit Handboek.

(artikel 108 CDW; artikel 53 Douanewet; artikel 116 Douaneregeling)

2.5.3. Detailverkoop vanuit douane-entrepot

In verband met het karakter van de entrepotopslag en de controleerbaarheid door de douane van de entrepots, is het niet toegestaan in de gebouwen, lokalen en ruimten van het entrepot goederen te verkopen aan particulieren (detailverkoop).

Deze beperking is van toepassing op alle entrepottypen, met inbegrip van het stelsel van entrepot type E.

(artikel 527 TVo. CDW)

Deze bepaling geldt niet voor:

1. verkoop aan reizigers in het internationale verkeer (denk hierbij aan de tax-free winkels);

2. verkoop in het kader van diplomatieke en consulaire overeenkomsten (denk hierbij aan consulaten, ambassades en aan daaraan verbonden personen met diplomatieke status);

3. verkoop aan de volgende internationale organisaties en leden daarvan:

- Eurocontrol;

- Europees Octrooi Bureau;

- Europees Ruimte-Agentschap/Europees Centrum voor Ruimtevaart ESTEC;

- Europese School, Bergen-NH;

- Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen (Common Fund), Amsterdam;

- Haagse Conferentie Internationaal Privaatrecht, 's Gravenhage;

- Instituut voor nieuwe technologie Universiteit (INTECH) van de Verenigde Naties, Maastricht;

- Internationaal Gerechtshof, 's Gravenhage;

- Internationale Dienst voor landbouwkundig onderzoek ISNAR, 's Gravenhage;

- Internationale Organisatie voor Migratie, 's Gravenhage;

- Internationale Nikkel Studiegroep, 's Gravenhage;

- Iran-United States Claims Tribunal, 's Gravenhage;

- Permanent Hof van Arbitrage, 's Gravenhage;

- Technisch centrum voor Landbouwsamenwerking en Plattelandsontwikkeling, Ede/Wageningen.

4. verkoop aan de NAVO-strijdkrachten.

(artikel 510 TVo. CDW)

Postorderverkoop vanuit een entrepot wordt niet aangemerkt als detailverkoop in gebouwen, lokalen en dergelijke van het entrepot, en blijft dus toegestaan.

2.5.4. Keuze FIFO of anderszins

De communautaire wetgeving gaat er bij aanwezigheid in entrepot van meer partijen goederen van dezelfde soort als regel van uit dat de aanzuivering van de regeling douane-entrepots voor invoergoederen gebeurt van de oudst aanwezige goederen. Deze aanpak vertoont verwantschap met het in de handel bekende FIFO-systeem. Van die regel kan de entreposeur evenwel afwijking vragen. Voorwaarde daarvoor is dat hij beschikt over een partijgebonden administratie zodat aan de hand daarvan de goederen identificeerbaar zijn. De aanzuivering geldt dan voor het specifieke deel van de goederen waarvoor de afwijking is gevraagd.

(artikel 520 TVo. CDW)

Een verzoek om af te mogen wijken van de "FIFO-regel" kan permanent zijn maar ook incidenteel:

- Als de entreposeur een permanente afwijking wenst, dan moet hij dat in zijn aanvraag van de entrepotvergunning verzoeken. Daarbij moet hij vermelden de soort(en) goederen waarop zijn verzoek betrekking heeft. Bij inwilliging zal de toestemming in de vergunning worden opgenomen.

- Wanneer het gaat om een incidentele afwijking dan moet de entreposeur voor de betreffende hoeveelheid goederen een afzonderlijk verzoek bij het controlekantoor doen. Daarbij moet hij vermelden om welke partij goederen het gaat en welke identificatie en kenmerken die goederen hebben.

Voor goederen waarop preferentiële of handelspolitieke maatregelen (zoals bijvoorbeeld antidumpingheffingen) van toepassing zijn, is vereist dat zij tijdens de entrepotopslag partijgebonden blijven. Die goederen komen van rechtswege niet in aanmerking voor toepassing van de "FIFO-regel".

2.6. Uitzonderingen

In deze paragraaf worden behandeld:

- de mogelijkheid om een entrepot te vestigen binnen een ruimte voor tijdelijke opslag (paragraaf 2.6.1);

- de combinatie van douane-entrepot met bevoorradingsdepot (paragraaf 2.6.2);

- de bijzondere vorm van een douane-entrepot met vestigingen in meerdere lidstaten van de Europese Unie (paragraaf 2.6.3).

2.6.1. Combinatie van entrepot met ruimte tijdelijke opslag

Alle plaatsen waarvoor vergunning is verleend als ruimte voor tijdelijke opslag, kunnen tevens dienen als entrepot type B, C of D. Ook kunnen goederen die zich bevinden onder het stelsel van entrepot type E in een ruimte voor tijdelijke opslag worden opgeslagen.

(artikel 526 TVo. CDW)

Voor zo'n combinatie moeten twee afzonderlijke vergunningen worden verkregen. De aanvrager moet weten dat hierbij het regime van de tijdelijke opslag het zwaarste weegt. Dat betekent onder andere dat de ambtelijke sluiting van de ruimte voor tijdelijke opslag ook de goederen omvat die tot het entrepot behoren.

Verder moet rekening worden gehouden met het volgende:

a. De douane moet steeds op doelmatige wijze kunnen vaststellen onder welk douaneregime de opgeslagen goederen zich bevinden. Op uw verzoek moet worden aangetoond welke goederen onder welk douaneregime horen. In beide vergunningen moet deze voorwaarde zijn opgenomen.

b. Bij in- of uitslag van goederen moet uit de begeleidende aangiften of andere bescheiden altijd blijken of het gaat om goederen in tijdelijke opslag of om entrepotgoederen.

Het is niet noodzakelijk dat goederen in verband met overgang van tijdelijke opslag naar de entrepotopslag bij deze situatie daadwerkelijk worden verplaatst. Voorwaarde is ook bij deze overgang dat vast staat welke goederen onder welk regime horen. Hierbij is vermelding van de identiteitskenmerken van de goederen in de administratie van de beheerder/entreposeur voor de douane van essentieel belang.

          Geen combinatie van verschillende entrepottypen

In hetzelfde lokaal of dezelfde ruimte is het niet toegestaan om entrepottypen te combineren. Opslag van goederen die onder type B horen, kan dus bijvoorbeeld niet voorkomen in de ruimte van een entrepot type C.

(artikel 526 TVo. CDW)

2.6.2. Bevoorradingsdepot

De communautaire wettelijke bepalingen maken de aanwezigheid mogelijk in douane-entrepots type C, D en E van een zogeheten bevoorradingsdepot. Dat opslaginstituut is er op gericht om in het internationale verkeer booreilanden, schepen en luchtvaartuigen in het internationale verkeer te bevoorraden. Het gaat dan over goederen uit het vrije verkeer van de EU-lidstaten waarvoor al landbouwrestitutie is verleend in verband met de bestemming die de goederen zullen krijgen. De restitutie is dan uitbetaald alsof de uitvoer van de goederen reeds heeft plaats gevonden. Om die reden mogen zij niet meer in het vrije verkeer van de EU terugkomen want dan zou de voorgeschoten restitutie immers ten onrechte zijn uitbetaald. De douanestatus van de goederen verandert door de plaatsing in het entrepot niet; het blijven ook onder het entrepotregiem: communautaire goederen.

(artikelen 98, lid 1, letter b, CDW; 526 en 810 TVo. CDW)

Voor een bevoorradingsdepot is als zodanig erkenning nodig van de douane en van het productschap waar de erkenning is aangevraagd. De aanvrager van die erkenning moet waarborgen dat hij op regelmatige wijze gebruik zal maken van de depotgoederen voor de aangewezen bestemmingen. De douane geeft de erkenning pas af na een voldoende bevinden van de bedrijfsadministratie. De afgifte vindt plaats na overleg met het Hoofdproduktschap Akkerbouw. Voor het toezicht op bevoorradingsdepots is de AID (Algemene Inspectie Dienst) de hoofdverantwoordelijke.

(Verordening (EG) nr. 612/2009)

De douane heeft ten aanzien van de bevoorradingsdepots in feite een aanvullende controletaak. In onderdeel 20.01.00 (paragraaf 4.2 tot en met 4.6) van dit Handboek, vindt u de mogelijke gevallen en procedures bij de plaatsing in en de uitslag van goederen uit een bevoorradingsdepot dat gevestigd is binnen een douane-entrepot type C, D of E. Bij de uitslag uit het entrepot moet desgevraagd de depothouder aantonen dat het uitslag is van goederen van het bevoorradingsdepot. Dit doet hij door middel van het controle-exemplaar T5 dat bij uitslag van de goederen aanwezig moet zijn.

          Vermis in bevoorradingsdepot

Omdat de plaatsing in het bevoorradingsdepot binnen entrepot C, D of E geen verandering brengt in de douanestatus van depotgoederen, zij zijn en blijven immers communautaire goederen, is er bij vermis van deze goederen geen verschuldigdheid van de douanerechten en heffingen bij invoer. Wel zou er sprake kunnen zijn van ten onrechte verleende restitutie(s) en wellicht ook van ten onrechte afschrijving van de omzetbelasting op die goederen. Voor wat betreft de controle op de restitutie is de AID de verantwoordelijke instantie. Deze controleert aan de hand van de boekhouding van de depothouder. Voor de omzetbelasting is de Belastingdienst belast met de controle. Daarom dient het controlekantoor in geval van vermis bij het bevoorradingsdepot een renseignement te zenden aan het Hoofd van de eenheid Ondernemingen of Grote ondernemingen van de Belastingdienst in wiens ambtsgebied het bevoorradingsdepot is gevestigd.

2.6.3. Grensoverschrijdend douane-entrepot

De communautaire bepalingen maken het mogelijk dat economische douaneregelingen, dus ook de regeling voor douane-entrepot, grensoverschrijdend worden toegepast. Daardoor kan het zijn dat de douane van de ene EU-lidstaat een entrepotvergunning verleent voor opslag onder de vergunning waarbij die opslag ook zal plaats vinden in een andere EU-lidstaat. Een belangrijk voordeel van dit systeem is dat een aanvrager kan volstaan met één hoofdadministratie voor zijn totale entrepotopslag in alle daarbij te betrekken lidstaten. Deze mogelijkheid geldt alleen voor de particuliere entrepots, dus de douane-entrepots van het type C, D en E. De vergunning voor grensoverschrijdend douane-entrepot moet in dat geval worden aangevraagd bij de douane-autoriteiten van de lidstaat waar de hoofdadministratie van het entrepot zal worden bijgehouden. Een bijkomende voorwaarde is dat de aanvrager ook in die lidstaat entrepotopslag gaat plegen.

Voor de douane ligt bij het controlekantoor de hoofdverantwoordelijkheid voor vergunningverlening. Het controlekantoor is het douanekantoor dat bevoegd is over de plaats waar de hoofdadministratie van het douane-entrepot zal worden gevoerd. Elk ander bij een grensoverschrijdend douane-entrepot te betrekken douanekantoor wordt voor zijn aandeel in de entrepotregeling mede bevoegd.

In de communautaire wettelijke bepalingen is er voor gekozen dat de douane van het land waar de hoofdadministratie van het entrepot zal worden gevoerd een conceptvergunning opstelt. Door toezending aan hen van een (kopie-)aanvraag en conceptvergunning wordt/worden de andere betrokken douanedienst(en) van de aanvraag in kennis gesteld, wordt hun medewerking gevraagd en wordt aan hen gelegenheid gegeven om bezwaren kenbaar te maken. De communautaire wetgeving maakt het nog niet mogelijk om bij een entrepot gewenste vereenvoudigde regelingen over de grenzen van een lidstaat heen zonder meer te verlenen. Daardoor ontstaat een bijzondere situatie wanneer behalve de entrepotvergunning ook nog eens vergunning voor vereenvoudigde douaneprocedures wordt gevraagd. In dat geval spreken we van aanvraag voor een zogenaamde Single European Authorisation (SEA). Een vergunning daarvoor kan tot stand komen in het kader van een proefproject voor samenwerking tussen de douane-administraties van lidstaten.

Vanwege de bijzondere aspecten bij de grensoverschrijdende vergunningen is voor Nederland als centraal punt het ECGOV (Expertise-Centrum Grens-Overschrijdende Vergunningen; zie hierna) ingesteld. Het ECGOV dient bij aanvragen voor een vergunning grensoverschrijdend entrepot zowel uitgaand van Nederland als uitgaand van een andere lidstaat, te worden ingeschakeld. Dat geldt ook bij aanvragen om tot een SEA te komen; op het dan te volgen pad is kontakt met ECGOV de eerste stap.

(artikelen 496 en 500 TVo. CDW)

          ECGOV

Voor grensoverschrijdende vergunningen is als een landelijk punt voor advies en overleg het ECGOV ingesteld. Het ECGOV is ondergebracht bij het Douanekantoor Rotterdam. Bij de andere douaneregio's is wel een aanspreekpunt voor ECGOV-zaken. Het ECGOV heeft in het tot stand brengen en toepassen van de grensoverschrijdende vergunningen een adviserende en begeleidende taak. Met het ECGOV is beoogd een uniforme aanpak te bereiken bij grensoverschrijdende vergunningen. Dit is vooral van belang voor de hierbij bilateraal tussen lidstaten te regelen zaken, zoals:

- de vergunningvoorwaarden;

- locaties waarvoor de regeling geldt;

- de soorten goederen onder de regeling;

- de douaneprocedures;

- de vorm van douanetoezicht;

- frequentie en diepgang van de douanecontroles;

- vaststelling, heffing, inning en invordering van communautaire rechten;

- vaststelling, heffing, inning en invordering van en nationale belastingen;

- zekerheidstelling;

- toepassing van landbouwbepalingen en andere niet-fiscale bepalingen;

- de toerekening van de perceptiekosten;

- de verkrijging en toezending van statistische gegevens;

- controleafspraken en terugkoppeling van controlebevindingen;

- overige gewenste berichtenwisseling.

          Procedures en ambtelijke werkzaamheden

De aanvraag van een vergunning voor een grensoverschrijdend douane-entrepot moet worden ingediend in het EU-land waar de hoofdadministratie van het entrepot wordt bijgehouden. Dat kan zijn in Nederland maar ook daarbuiten. De douane waar de aanvraag is ingediend zal in geval van een positieve beoordeling de andere betrokken lidstaat/-staten daarvan in kennis stellen. Dat moet gebeuren door toezending van aanvraag en concept-vergunning aan de andere bevoegde douane-autoriteiten. Die hebben dan gelegenheid tot onderzoek. Zij moeten de ontvangst van de kennisgeving bevestigen. In de communautaire wetgeving zijn termijnen genoemd voor de ontvangstbevestiging en ook voor het inbrengen van bezwaren tegen de vergunningverlening en voor het tot stand brengen van de vergunning. Zie voor die termijnen verder in deze paragraaf.

Als een douanekantoor een vergunningaanvraag voor grensoverschrijdend douane-entrepot of een kennisgeving van de aanvraag van een andere douane-administratie heeft ontvangen, dan treedt het volgende stappenplan in werking:

1. - Van een Nederlandse vergunningaanvraag zendt het douanekantoor een kopie naar het ECGOV;

- van een buitenlandse kennisgeving van vergunningaanvraag die rechtstreeks bij het ECGOV is ontvangen, houdt het ECGOV een kopie achter en zendt de aanvraag ter behandeling naar het bevoegde douanekantoor;

- van een buitenlandse kennisgeving van vergunningaanvraag die niet via het ECGOV bij een douanekantoor is ingekomen, zendt dat kantoor een kopie naar het ECGOV;

- het ECGOV registreert de vergunningaanvraag danwel de kennisgeving, legt een eigen dossier aan en houdt een kopie van aanvraag/kennisgeving in het eigen dossier;

- het ECGOV bevestigt de ontvangst van een kennisgeving binnen de wettelijke termijn aan de douane van de andere lidstaat en zendt alle bescheiden ter verdere behandeling aan het betrokken Nederlandse douanekantoor, ter attentie van het aanspreekpunt ECGOV.

2. Het betrokken Nederlandse douanekantoor legt zelf ook een dossier aan en stelt een onderzoek in. Zo nodig wordt het ECGOV ingeschakeld voor advies of overleg met de aanvrager en/of met de buitenlandse douane-administratie(s). Bij bezwaar tegen een buitenlandse concept-vergunning licht het douanekantoor zo spoedig mogelijk het ECGOV in. Dit is van belang in verband met de wettelijke termijn voor bezwaar.

3. Als vergunningverlening door Nederland zal gaan plaatsvinden, vraagt het controle-kantoor een vergunningnummer aan bij het ECGOV en stelt de concept-vergunning op; als een andere lidstaat de vergunning zal verlenen en de Nederlandse douane kan instemmen met het concept van de buitenlandse aanvraag, dan stelt het douanekantoor een concept-antwoord op.

4. Het Nederlandse douanekantoor zendt de concept-vergunning of het concept-antwoord naar het ECGOV. Hierbij worden alleen bescheiden meegestuurd die nodig zijn om een helder beeld over de werking van de regeling te geven.

5. Het ECGOV toetst de concept-vergunning of het concept-antwoord op volledigheid en op eenheid van uitvoering. Als daarvoor aanleiding is neemt het ECGOV nog contact op met het betreffende douanekantoor. Als dat niet het geval is, dan stuurt het ECGOV de bescheiden door naar de douaneadministratie van de betrokken lidstaat.

6. Het ECGOV bewaakt de wettelijke termijnen en rappelleert zonodig.

7. Nadat via het ECGOV instemming met de concept-vergunning is verkregen dan wel instemming is gegeven, kan de vergunning worden verleend door de douane van de lidstaat waar de hoofdadministratie wordt bijgehouden.

8. Het voor het entrepot in Nederland bevoegde douanekantoor registreert de grensoverschrijdende vergunning in KIS.

9. Toezending van de vergunning aan de andere betrokken douanedienst(en) gebeurt via het ECGOV. Het ECGOV bewaart van de vergunning een kopie in het eigen dossier.

10. Het ECGOV initieert met tussenkomst van het bevoegde douanekantoor een evaluatie van de vergunning uiterlijk binnen twee jaar na afgifte daarvan.

          Termijnen

Bij de aanvraag voor een entrepotvergunning spelen termijnen een belangrijke rol. Daarmee is beoogd om aan de aanvrager voor zijn bedrijfsvoering een mate van zekerheid te verschaffen. Dat geldt ook voor aanvraag van een vergunning voor een grensoverschrijdend entrepot. Zo moet de ontvangst van een buitenlandse aanvraag door het geadresseerde douanekantoor aan de afzendende douane-autoriteiten worden bevestigd. Hiervoor geldt een termijn van 15 dagen na ontvangst.

Verder geldt voor mogelijke bezwaren tegen vergunningverlening een termijn van 30 dagen na de ontvangst van de kennisgeving van aanvraag. Hiermee rekening houden is van groot belang. Als namelijk het douanekantoor waar de aanvraag is gedaan binnen die 30 dagen geen bezwaren heeft ontvangen, dan mag dat kantoor de vergunning verlenen.

Tenslotte moet rekening worden gehouden met een termijn van 60 dagen voor behandeling van de vergunningaanvraag. Binnen de termijn van 60 dagen moet de aanvrager dan door de douane-autoriteiten in kennis worden gesteld van vergunningverlening danwel van de reden van afwijzing. Deze 60-dagen-termijn geldt echter alleen als de betrokken lidstaten een permanente overeenstemming hebben bereikt over voorwaarden en criteria voor de afgifte van grensoverschrijdende vergunningen. In dat geval kan de douane volstaan met eenvoudige kennisgeving aan de andere lidstaat(-staten) dat de vergunning is verleend.

De vorengenoemde termijnen van 15, 30 en 60 dagen gaan pas lopen als de douane van de lidstaat van aanvraag over alle eventueel nog ontbrekende gegevens of gevraagde inlichtingen beschikt. De termijnen zijn betrekkelijk kort, zeker wanneer de douane nog onderzoeken moet instellen. Ook voor eventuele aanpassing van voorwaarden en voor het maken van controleafspraken tussen de betrokken douanediensten zijn de termijnen kort. Toch heeft de Europese Commissie de korte termijnen gerechtvaardigd geoordeeld in verband met rechtszekerheid die aanvragers nodig hebben voor hun bedrijfsvoering. Het is daarom voor alle betrokkenen belangrijk dat een eventueel bezwaar tijdig bekend is.

(artikel 497 tot en met 501 en 506 TVo. CDW)

          Ambtelijke werkzaamheden

          Als u belast bent met de behandeling van een aanvraag voor grensoverschrijdend douane-entrepot, dan draagt u met inachtneming van de vorengenoemde stappen er onder andere zorg voor dat:

          - een dossier wordt aangelegd,

          - de ambtelijke behandeling gebeurt binnen de wettelijke termijnen,

          - het ECGOV wordt ingelicht over aanvraag dan wel kennisgeving,

          - onderzoek wordt ingesteld naar de wenselijkheid van de gevraagde vergunning,

          - onderzoek wordt ingesteld naar de administratieve organisatie van aanvrager,

          - bij voortgang een conceptvergunning/-antwoord aan het ECGOV wordt gezonden,

          - bij voortgang vergunning wordt verleend en in KIS wordt geregistreerd,

          - controleafspraken met de andere douanedienst(en) worden gemaakt en nagekomen.

2.6.4. Regio-overschrijdend douane-entrepot

Het kan voorkomen dat een belanghebbende onder de aan hem verleende of te verlenen vergunning voor douane-entrepot goederen wil opslaan in meer dan één douaneregio. Dit kan alleen voor particuliere douane-entrepots, dus entrepots type C, D en E. De vergunning daarvoor moet de belanghebbende aanvragen bij het douanekantoor over de plaats waar zijn hoofdadministratie wordt bijgehouden. Dit douanekantoor zal als controlekantoor fungeren en zorgdragen voor coördinatie met de andere betrokken douanekantoren. Doel hiervan is onder andere om te voorkomen dat verschil ontstaat in toepassing van de wettelijke bepalingen. Het is daarom van belang dat vanuit het controlekantoor één vergunning tot stand komt die alle entrepotlocaties in Nederland omvat. Het controlekantoor draagt dan zorg voor afstemming met de andere betrokken douanekantoren over onder andere:

- de benodigde voorwaarden,

- de coördinatie van douanetoezicht en

- controles van het entrepot.

Het controlekantoor, dat zelf ook kan functioneren als kantoor van plaatsing, kan aan de andere betrokken douanekantoren medewerking vragen voor bijvoorbeeld de fysieke controles en (deel-)inventarisaties. Ten behoeve van het douanetoezicht moeten op de afzonderlijke locaties voldoende administratieve gegevens over de goederen in het entrepot aanwezig of bereikbaar zijn. Dat kan bijvoorbeeld met behulp van een "on-line-verbinding" met de hoofdadministratie van het entrepot en/of met behulp van een voldoende deeladministratie ter plaatse.

2.7. Strafbepalingen

De belangrijkste strafrechtelijke bepalingen zijn:

- het niet vertonen, overgeven of voor inzage aan de douane beschikbaar stellen van bepaalde gegevensdragers, waaronder ook administratieve bescheiden moeten worden begrepen, of de inhoud daarvan;
(artikel 48 Douanewet)

- niet of niet meer bijhouden of bewaren van de (voorraad)administratie van het entrepot;
(artikel 48 Douanewet)

- wijziging aanbrengen in de voorraadadministratie van het entrepot zonder goedkeuring van de inspecteur.
(artikel 82, letter g, Douanebesluit)

Op het wijzigen van het entrepot zonder voorafgaande goedkeuring van de inspecteur staat een administratieve boete.

(artikel 81 Douanebesluit)

Terug naar tekstnavigatie

Algemeen

Terug naar tekstnavigatie

Domeinen

Website Belastingdienst
Website Douane
Website Toeslagen
Terug naar tekstnavigatie

Vaste functies

Terug naar tekstnavigatie