15.00.00 Douane-entrepots
15.00.00 Douane-entrepots, 27 september 2010, Versie 5
In de voorgaande hoofdstukken zijn de algemene kenmerken van de entrepots en de goederensoorten besproken.
Dit hoofdstuk behandelt de procedure bij de plaatsing c.q. inslag van goederen onder het stelsel van douane-entrepots

In paragraaf 4.1 worden bijzonderheden behandeld met betrekking tot de plaatsing en de daarop volgende inslag. De procedures en ambtelijke werkzaamheden bij bijzondere zaken zoals bijvoorbeeld verschillen, worden behandeld in paragraaf 4.2. De overige paragrafen behandelen nadere bepalingen (paragraaf 4.3), uitzonderingen (paragraaf 4.4) en strafbepalingen (paragraaf 4.5).
De communautaire wetgeving gebruikt de term "plaatsing onder de regeling" of "plaatsing onder het stelsel" van douane-entrepots. Deze begrippen omvatten ook het Nederlandse begrip "inslag" in het douane-entrepot.
Goederen die in het douane-entrepot zullen worden opgeslagen onder de regeling douane-entrepots, ondergaan eerst de procedure voor plaatsing onder de regeling. Dat gebeurt met een aangifte. Hoe de procedure voor de aangifte in zijn werk gaat en wat de aangever in de aangifte moet vermelden, wordt behandeld in onderdeel 12.00.00
De aangever moet de aangifte tot plaatsing in beginsel indienen bij het controlekantoor.
In dat geval is het controlekantoor tevens kantoor van plaatsing
| Type entrepot | Plaatsing onder het stelsel |
| ............ | ..................................................... |
B |
De plaatsing van goederen gebeurt onder één douanekantoor: het controlekantoor. |
C |
De meest voorkomende situatie voor de plaatsing van goederen onder het entrepotstelsel is dat de plaatsing gebeurt onder één douanekantoor: het controlekantoor. Voor plaatsing onder het stelsel van dit entrepottype kan een controlekantoor bij de vergunningsverlening voor het entrepot de plaatsing ook toestaan bij een ander douanekantoor. Dat kantoor wordt dan kantoor van plaatsing genoemd. |
D |
De meest voorkomende situatie voor de plaatsing van goederen onder het entrepotstelsel is dat plaatsing gebeurt onder één douanekantoor: het controlekantoor. Voor plaatsing onder het stelsel van dit entrepottype kan een controlekantoor bij de vergunningsverlening voor het entrepot de plaatsing ook toestaan bij een ander douanekantoor. Dat kantoor wordt dan kantoor van plaatsing genoemd. |
E |
De meest voorkomende situatie voor de plaatsing van goederen onder het entrepotstelsel is dat plaatsing gebeurt onder één douanekantoor: het controlekantoor. Voor plaatsing onder het stelsel van dit entrepottype kan een controlekantoor bij de vergunningsverlening voor het entrepot de plaatsing ook toestaan bij een ander douanekantoor. Dat kantoor wordt dan kantoor van plaatsing genoemd. Als de goederen aan het kantoor onder het stelsel worden geplaatst, moet de aangever naam en adres van het controlekantoor vermelden in vak 44 op de aangifte Enig document of, bij toepassing van de vereenvoudigde regeling, op het administratieve of handelsdocument. |
(
Voorwaarde voor plaatsing van de goederen onder het entrepotstelsel elders dan bij het controlekantoor is, dat regelmatigheid van de handelingen, de controle en het douanetoezicht gewaarborgd zijn.
Na plaatsing op een ander kantoor dan het controlekantoor kunnen goederen naar het entrepot worden overgebracht met toepassing van de vereenvoudigde procedure van overbrengen. Deze procedure is beschreven onder paragraaf 2.5.5.
(
Op grond van de communautaire wettelijke bepalingen is het mogelijk dat een kantoor van plaatsing is gevestigd in een andere lidstaat.
De aangever moet er voor zorgen dat de goederen worden aangebracht bij een douanekantoor dat in zijn vergunning is genoemd.
Het kantoor van plaatsing kan aan het controlekantoor vragen na te gaan of de goederen daadwerkelijk zijn ingeslagen in het douane-entrepot en/of zijn ingeschreven in de voorraadadministratie. Of, en hoe vaak deze controle moet plaatsvinden staat vermeld in het controleprogramma van het desbetreffende douane-entrepot.
Als een controlekantoor één of meer kantoren van plaatsing toestaat, draagt het er zorg voor dat aan dat/die kantoor/kantoren van plaatsing vooraf de volgende zaken worden toegezonden:
- een kopie van de vergunning van het entrepot;
- een kopie van het controleprogramma van het entrepot.
Het/de kantoor/kantoren van plaatsing worden daardoor ingelicht. Zo nodig moeten ten behoeve van de controlewerkzaamheden afspraken worden gemaakt tussen de betreffende douanekantoren.
De adressen van het controlekantoor en het/de kantoor/kantoren van plaatsing moeten in de vergunning zijn vermeld.
Alle regels inzake het stelsel van douane-entrepots zijn van toepassing zodra de aangifte tot plaatsing onder het stelsel door het controlekantoor of door een plaatsingskantoor is aanvaard.
Dit houdt ook in, dat de belanghebbende, voorafgaand aan de aanvaarding, de zekerheid moet hebben gesteld. Of zekerheid voor de opslag is gesteld, kunt u nagaan in het geautomatiseerd Klant Informatie Systeem (paragraaf 2.4.7).
De systematiek van zekerheid voor de opslag is als volgt:
| Type entrepot | Systematiek van zekerheid |
| ............. | .................................................. |
B |
Bij dit entrepottype moet bij aangifte tot inslag de zekerheid zijn gesteld door de titularis van de aangifte. |
C, D en E |
Bij deze entrepottypen moet de zekerheid zijn gesteld door de entreposeur. |
(
Het controlekantoor is verantwoordelijk voor de juiste toepassing van het stelsel van zekerheid bij het entrepot. Dit kantoor moet ten minste jaarlijks controleren of de hoogte van de zekerheid in verband met inslag en opslag van goederen nog voldoende is. Bij fraudegevoelige goederen (alcohol, tabak, sigaretten, landbouwgoederen, en dergelijke) moet deze controle doorlopend plaatsvinden.
Over de hoogte van de zekerheidstelling, de procedures en ambtelijke werkzaamheden daarbij, is geschreven in onderdeel 27.00.00
De procedures die mogelijk zijn voor de plaatsing van goederen in douane-entrepot, de daarbij benodigde gegevens en de wijze van douanebehandeling vindt u in onderdeel 12.00.00
In een entrepotvergunning zijn de douanekantoren genoemd waar de goederen geplaatst kunnen worden onder de entrepotregeling in vak 11a van de standaardvergunning. Voor entrepots type B is de plaatsing uitsluitend mogelijk bij hun controlekantoor. Voor entrepots type C, D en E kan plaatsing gebeuren bij hun controlekantoor maar ook bij andere douanekantoren. Een controlekantoor kan dus tegelijk ook kantoor van plaatsing zijn. Binnen dat kantoor worden dan zowel de werkzaamheden voor de aanvaarding van de plaatsingsaangiften als de werkzaamheden voor toezicht en controle in verband met de entrepotopslag gedaan.
Als de plaatsing volgens de vergunning ook is toegestaan bij andere douanekantoren, dan zijn ook die kantoren in vak 11a van de vergunning genoemd. Tussen het controlekantoor en de andere douanekantoren kunnen afspraken worden gemaakt in het kader van toezicht en controles op het gebruik van de regeling. In alle gevallen moet het controlekantoor ervoor zorgen dat aan een kantoor van plaatsing een kopie van de verleende entrepotvergunning wordt toegezonden.
(
Goederen die bij een controlekantoor zijn aangebracht kunnen daar onder de entrepotregeling worden geplaatst. De plaatsing is mogelijk via de normale procedure (bij gebruik van het Enig document is dat met de set IM7). De voor plaatsing benodigde gegevens zijn voor de normale procedure hierna genoemd. De normale procedure voor plaatsing wordt in hoofdzaak toegepast bij entrepots type B. Na de plaatsingsaangifte in entrepot type B moet de douane beschikken over een aan te zuiveren opslagdocument. De belanghebbende bij de goederen moet dit bij de douane inleveren. Bij de plaatsing in douane-entrepots type C, D en E kan zowel de normale procedure als een vereenvoudigde procedure worden toegepast mits de administratie daarvoor voldoende gegevens omvat. De eisen voor die entrepotadministratie vindt u per entrepottype in paragraaf 2.3.8. Met name bij type D en E is ook van belang dat de administratieve organisatie van de entreposeur in ieder geval zulke verbanden inhoudt dat de goederen door het entrepotbedrijf heen gevolgd kunnen worden. De gegevens die nodig zijn bij plaatsing met gebruik van een vereenvoudigde procedure vindt u in paragraaf 4.3.1.
Plaatsingsgegevens normale procedure
Voor de plaatsing in douane-entrepot volgens de normale procedure zijn voor de voorraadadministratie de volgende gegevens van belang, gerelateerd aan de vakken van het Enig document (bij gebruik van het Enig document is dit in de samenstelling van de set IM7):
Vak ED |
Gegevens |
1. |
soort aangifte |
3. |
aantal formulieren |
5. |
aantal artikelen |
8. |
geadresseerde |
14. |
aangever/vertegenwoordiger |
19 |
aantal containers (indien gebruikt) |
31 |
identiteitsmerken, -nummers, -containers, hoeveelheid en goederensoort (handelsomschrijving of technische omschrijving) |
32. |
artikelnummer |
33. |
goederencode (alleen bij entrepot type D en bij prefinancieringsgoederen) |
34. |
land van oorsprong |
35. |
brutomassa |
37. |
regeling |
38. |
nettomassa |
40. |
voorafgaand document |
41 |
eenheden/maatstaf (alleen bij prefinancieringsgoederen) |
44. |
bijzondere vermeldingen, certificaten, vergunningen |
46/47 |
waarde en berekening rechten bij invoer (alleen bij entrepot type D) |
49. |
identificatie van het entrepot |
54. |
plaats, datum en ondertekening aangifte |
(
Afhankelijk van de situatie (bijvoorbeeld bij een entrepot voor repeterende goederen) kan de douane toestaan dat bij de plaatsing bepaalde gegevens in de administratie achterwege worden gelaten, zoals de gegevens van vak 3, 5, 19, 32, 40 en 49 van het Enig document. Dit moet evenwel van geval tot geval door de douane worden beoordeeld en kan alleen worden toegestaan voor zover dat niet van invloed is op het douanetoezicht.
Ambtelijke werkzaamheden
Over de soorten van plaatsingsaangiften, de daarin benodigde gegevens en hoe u moet handelen voor het aanvaarden en registreren van de plaatsingsaangiften gaat het in onderdeel 12.00.00 1. Ga na of het aangifteformulier volledig is ingevuld en ondertekend. 2. Aanvaard de aangifte door op alle exemplaren een registervolgnummer te plaatsen (bij Enig document, vak A) en draag als dat nodig is zorg voor verificatie van de aangifte. 3. Voorzie overeenkomstig het controleprogramma voor het entrepot in de te nemen controlemaatregelen. 4. Draag zorg ervoor dat het exemplaar 6 Enig document, of bij gebruik van een ander formulier een kopie van de aangifte of een extra aangifte-exemplaar in het controledossier van het entrepot wordt gevoegd. 5. Zend het exemplaar 7 Enig document of bij gebruik van een ander formulier een kopie van die aangifte naar het Centraal Bureau voor de Statistiek. 6. Geef het exemplaar 8 Enig document of bij gebruik van een ander formulier een kopie van de aangifte terug aan belanghebbende voor de plaatsing in het entrepot en voor zijn administratie. |
De douanekantoren waar een entreposeur goederen onder zijn entrepotregeling kan plaatsen zijn genoemd in zijn vergunning (vak 11a). Als plaatsing onder de regeling ook bij andere douanekantoren dan het controlekantoor mogelijk is dan moet aldaar desgevraagd bij de plaatsing de vergunning of een kopie daarvan aan de douane worden getoond. De plaatsing elders kan alleen bij particuliere douane-entrepots, dus bij type C, D en E. Veelal zal bij deze entrepots voor de plaatsing een vereenvoudigde procedure worden toegepast; zie daarvoor paragraaf 4.3.1 hierna.
Ambtelijke werkzaamheden
Als u belast bent met behandeling van de plaatsingsaangifte volgens de normale procedure dan doet u het volgende:
1. Vraag zo nodig inzage van de (kopie-)entrepotvergunning. 2. Controleer of het aangifteformulier volledig is ingevuld en ondertekend. Als het kantoor van plaatsing een ander is dan het controlekantoor moeten naam en adres van het controlekantoor in de aangifte tot plaatsing zijn vermeld (bij Enig document in vak 44). 3. Aanvaard de aangifte door vermelding op alle exemplaren van een registervolgnummer (bij Enig document in vak A) en draag als dat nodig is zorg voor de verificatie van de aangifte. 4. Voorzie overeenkomstig het controleprogramma voor het entrepot in de te nemen controlemaatregelen. 5. Stuur na behandeling van de aangifte en vrijgave van de goederen voor de regeling douane-entrepots, naar gelang van de gebruikte aangifte exemplaar 6 Enig document, een kopie van de aangifte of een extra aangifte-exemplaar naar het controlekantoor. Dit bescheid moet worden toegevoegd aan het controledossier van het entrepot. 6. Zend naar gelang van de gebruikte aangifte exemplaar 7 Enig document of een kopie van de aangifte naar het Centraal Bureau voor de Statistiek. 7. Geef naar gelang van de gebruikte aangifte exemplaar 8 Enig document of een kopie van de aangifte terug aan belanghebbende voor de inslag van de goederen in het entrepot en voor zijn administratie. 8. Vraag als daartoe aanleiding bestaat of steekproefgewijs aan het controlekantoor om bevestiging van de inslag van de goederen in het entrepot. Voor de aldus onder de entrepotregeling geplaatste goederen wordt het voorafgaande document aangezuiverd. De procedure daarvoor is opgenomen in onderdeel 14.20.00 (hoofdstukken 6 en 7) Als u op het controlekantoor belast bent met de verdere behandeling van een elders gedane plaatsingsaangifte, dan voegt u naar gelang van het gebruikte bescheid dat bescheid in het controledossier van het entrepot. Wanneer het plaatsingskantoor om bevestiging heeft gevraagd van de aankomst van de goederen in het entrepot, doet u daarnaar onderzoek en deelt u het resultaat daarvan mede aan het plaatsingskantoor. |
Plaatsing van goederen onder een regeling douane-entrepots kan in elke EU-lidstaat. Als daarbij EU-binnengrenzen zullen worden overschreden, dan kan dit alleen wanneer de betrokken lidstaten vooraf afspraken daarover hebben gemaakt in het kader van een grensoverschrijdende vergunning. Zie paragraaf 2.6.3.
Van de aankomst, de lossing en de inslag moet de belanghebbende vooraf kennisgeven aan de douane; zie daarvoor de procedure beschreven in paragraaf 2.3.6.
(
Ambtelijke werkzaamheden bij entrepot type B
Als u belast bent met het toezicht bij het entrepot type B, is de belanghebbende bij de goederen verplicht u vooraf van de inslag kennis te geven.
A. Inslag van de goederen in het douane-entrepot met plaatsingsaangifte
1. Neem van de belanghebbende het exemplaar nummer 8 in ontvangst. 2. Controleer op het exemplaar nummer 8 of het controlekantoor de aangifte aanvaard heeft. Dit blijkt uit een volgnummer in vak A van de aangifte. Er zijn nu twee mogelijkheden
3. Controleer de inslag van de goederen, rekening houdend met de controleplanning van uw douanekantoor. 4. Maak voor de daadwerkelijk uitgevoerde controle van de goederen een FYCO-formulier op (opgenomen als bijlage 4). Teken bevonden verschillen aan op: - de aangifte (achterzijde exemplaar nummer 8); - het FYCO-formulier. (Zie voor de behandeling bij verschillen paragraaf 4.2.6) 5. Teken de aangifte voor de inslag af door in het daarvoor aangewezen vak op de achterzijde van exemplaar nummer 8, uw handtekening en afdruk van het dienststempel te plaatsen, waarbij u eventuele verschillen vermeldt. 6. Lever het FYCO-formulier en het exemplaar nummer 8 in op uw douanekantoor of controlekantoor. Hierna zal de verdere procedure voor zuivering plaats vinden Het FYCO-formulier moet worden bewaard in het controledossier van het entrepot. |
(
B. Inslag met vervoersdocument /carnet TIR
Bij inslag met een vervoersdocument (exemplaren 4 en 7 van het Enig document) of carnet TIR moet de entrepositaris hierop een verzoek tot plaatsing hebben gesteld, ingevuld en ondertekend. Dit verzoek luidt als volgt:
"Ondergetekende, ....................... verzoekt de in deze aangifte/document omschreven goederen te mogen plaatsen onder het stelsel van douane-entrepots in het douane-entrepot type B van: ..................., identificatienummer ........................".
Door de ondertekening bevinden de goederen zich onder het stelsel en eindigt de aansprakelijkheid van de vorige titularis van het document.
Uw werkzaamheden zijn daarbij verder als volgt: 1. Controleer de goederen bij de lossing en inslag in het entrepot, overeenkomstig de controleplanning van uw douanekantoor. 2. Maak voor elke daadwerkelijke controle een FYCO-formulier op (bijlage 4) en lever dit in bij uw douanekantoor. 3. Vermeld bevonden verschillen op exemplaren 4 en 5 c.q. op het eerst even genummerde blad in het carnet TIR en op het FYCO-formulier. 4. Teken na de inslag deze bescheiden af door plaatsing van uw handtekening en een afdruk van het metalen dienststempel. 5. Lever deze bescheiden in op uw douanekantoor of controlekantoor. In dit geval heeft het controlekantoor nog een taak, namelijk: - de aangifte boeken in het register IUD 6 en het registervolgnummer daarvan plaatsen in vak A van de aangifte c.q. op even genummerde blad van het carnet TIR; - het exemplaar nummer 4 c.q. het even genummerde blad van het carnet TIR, waarop de aansprakelijkheid is overgenomen, opbergen in dossier van het entrepot (deze exemplaren worden gebruikt voor het douanetoezicht op de aanzuivering van het stelsel); - het ingeleverde FYCO-formulier opbergen in controledossier van het entrepot. |
Hierna zal de verdere procedure voor zuivering van de vervoersregeling plaats vinden. Bijzonderheden over die procedure en werkzaamheden, in het bijzonder over de afwerking van de aangifte, worden beschreven in onderdeel 12.00.00
Ambtelijke werkzaamheden bij entrepot type C, D en E
Bij plaatsing van goederen in entrepot type C, D en E met toepassing van de normale procedure moet dezelfde werkwijze worden gevolgd als bij entrepot type B. Daarnaast schrijft de entreposeur de goederen in in zijn entrepotadministratie.
De entreposeur moet de goederen inschrijven in zijn voorraadadministratie. Deze inschrijving omvat de gegevens van de aangifte tot plaatsing. Zij moet plaats vinden uiterlijk op het tijdstip dat de goederen daadwerkelijk in het entrepot worden geplaatst.
Door de inschrijving zijn de goederen onder het stelsel geplaatst en wordt de aanvaarde inslagaangifte gezuiverd. Voor de voortzetting van de zuiveringsprocedure moet de entreposeur op de achterzijde van het inslagbescheid c.q. op het administratieve of handelsdocument zijn verklaring plaatsen dat de goederen zijn ingeslagen in het entrepot.
Die verklaring moet luiden als volgt:
"Goederen opgenomen in de voorraadadministratie, identificatie (hierbij vermelden de nummers of aanduidingen waaronder de opgeslagen goederen identificeerbaar zijn)".
Eventuele bijzonderheden moet hij daarbij aantekenen. Deze moet hij ook in zijn administratie vermelden. De inslagbescheiden levert hij in op het controlekantoor.
(
Bij uw controlewerkzaamheden bij deze entrepots gaat u als volgt te werk: 1. Ga na of op de voorgeschreven wijze is kennisgegeven van de inslag van de goederen (registratie en eventueel directe kennisgeving).
2. Maak voor elke uitgevoerde controle van de goederen een FYCO-formulier (zie bijlage 4) op. 3. Teken verschillen aan op de aangifte en op het FYCO-formulier (zie hierbij ook paragraaf 4.2.6). 4. Lever het FYCO-formulier in op uw douanekantoor; dit formulier wordt bewaard in het controledossier van het entrepot. De aangifte wordt in beginsel door de entreposeur op het controlekantoor ingeleverd, waarna de zuiveringsprocedure van de aanvoeraangifte wordt voortgezet. |
Het verdere verloop van de procedure en werkzaamheden, in het bijzonder over de afwerking van de aanvoeraangifte, wordt beschreven in onderdeel 12.00.00
Bij de inslag van de goederen die in het entrepot onder het entrepotstelsel worden geplaatst, kan blijken dat er meer of minder goederen zijn dan op de aangifte zijn vermeld. Bij verschil tussen de aangifte tot plaatsing en de goederen moet als volgt worden gehandeld:
Als bij de plaatsing in het entrepot of kort daarna wordt vastgesteld dat er te weinig goederen zijn aangebracht, kan onder bepaalde voorwaarden het tekort nog administratief worden gecorrigeerd door de ontbrekende goederen ten laste te brengen van het aanvoerdocument. Deze mogelijkheid geldt zowel bij toepassing van de normale procedure als bij toepassing van een vereenvoudigde procedure bij plaatsing. Om die correctie te bereiken moet:
- bij entrepot type B de entrepositaris bij de toezichthoudende ambtenaar, danwel
- bij entrepot type C, D of E de entreposeur bij het douanekantoor over het entrepot
een actieve melding van het tekort doen. In beginsel zal de douane dan ter plaatse de zaak beoordelen.
Vervolgens moet de entrepositaris c.q. de entreposeur een verzoek tot correctie doen. Dat kan alleen zolang het aanvoerdocument nog niet voor de zuiveringsprocedure door het douanekantoor over het entrepot is verzonden, dat wil zeggen uiterlijk de eerstvolgende werkdag na de aankomst van de goederen in het entrepot.
Afhankelijk van het entrepottype:
- verzoekt de entrepositaris bij entrepot type B de toezichthoudende ambtenaar om op het aanvoerdocument de verklaring van diens bevindingen over het ontbreken van goederen te plaatsen waarna het document ter verdere afwerking moet worden ingeleverd op het douanekantoor;
- plaatst bij entrepot type C, D of E de entreposeur op het aanvoerdocument zijn ondertekende verklaring over het ontbreken van goederen en levert dit in op het douanekantoor. Bij het Enig document moet hij de verklaring plaatsen op de achterzijde van het vierde exemplaar.
Bij de indiening van het verzoek moeten alle van belang zijnde bescheiden (aanvoerdocument, talleybriefjes en alle andere informatie die van belang kan zijn) worden overgelegd aan het douanekantoor dat bevoegd is voor het entrepot.
Bij gebruik van het Enig document moeten die aantekeningen worden geplaatst op de achterzijde van het vierde exemplaar.
Als de douane na beoordeling van de omstandigheden aannemelijk vindt dat het tekort al bij de plaatsing van de goederen in het entrepot bestond, kunnen de ontbrekende goederen worden teruggebracht op het aanvoerbescheid dat voor die goederen dan als niet-gezuiverd zal worden aangemerkt. In dat geval plaatst het douanekantoor op dat aanvoerbescheid de aantekening van de tekortbevinding, voorzien van ambtelijke ondertekening, datum en afdruk van het dienststempel. Het aanvoerdocument wordt als gevolg daarvan voor de ontbrekende goederen als niet-gezuiverd aangemerkt. Dit leidt in het algemeen tot de procedure bij het ontstaan van een douaneschuld. Of een douaneschuld is ontstaan en zo ja, waar deze schuld is ontstaan wordt behandeld in de onderdelen 14.20.00
De entreposeur moet er in dit geval ook voor zorgen dat de inschrijving in zijn entrepotadministratie overeenstemt met de feitelijk ingeslagen goederen.
Zie voor de wijze waarop de minder bevonden goederen moeten worden teruggebracht op de aangifte / het document waarmee zij zijn aangekomen, onderdeel 12.00.00
Als bij het entrepot type B aan u de actieve melding wordt gedaan van het ontbreken van goederen bij de inslag met verzoek om daarvoor een verklaring op het aanvoerbescheid te stellen, doet u het volgende: 1. Als het verzoek tijdig wordt gedaan neemt u het in behandeling: u stelt de feiten zo goed mogelijk vast en plaatst de verklaring over uw bevindingen op de/het aangifte/document ("Ontbrekende goederen:..........................")(bij het Enig document doet u dat op de achterzijde van het vierde exemplaar); 2. Voorzie de verklaring van uw handtekening, datum en afdruk dienststempel; 3. Verwijs de entrepositaris naar het controlekantoor voor de verdere administratieve afwerking van zijn verzoek en van de/het aangifte/document. De administratieve afwerking vindt plaats op het douanekantoor als volgt: 4. U neemt de verklaring die op de achterzijde van het vierde exemplaar is gesteld over op de achterzijde van het vijfde exemplaar; 5. Voorzie de verklaring van uw handtekening, datum en afdruk dienststempel; 6. Zend de/het aangifte/document in aan het zuiveringskantoor. Als met betrekking tot het entrepot type C, D of E aan u de actieve melding wordt gedaan van het ontbreken van goederen bij de inslag, doet u het volgende: 1. U maakt daarvan, vooruitlopend op de indiening van het verzoek om correctie, op de bij uw eenheid gebruikelijke wijze aantekening; 2. U beoordeelt of een fysieke opneming ter plaatse van de goederen moet gebeuren; 3. Als de melding en het verzoek om correctie tijdig op het douanekantoor zijn binnengekomen neemt u het verzoek in behandeling. 4. U beoordeelt zo goed mogelijk de juistheid van de feiten, mede gelet op de resultaten van de eventuele fysieke opneming; 5. Neem bij conform bevinden van de door de entreposeur gestelde verklaring die verklaring over op het zuiveringsexemplaar van het aanvoerbescheid ("Ontbrekende goederen.......................") (bij het Enig document doet u dat op de achterzijde van het vijfde exemplaar); 6. Voorzie de verklaring van uw handtekening, datum en afdruk dienststempel. 7. Zend de/het aangifte/document in aan het zuiveringskantoor. |
Niet-inwilliging
Als het verzoek niet kan worden ingewilligd (bijvoorbeeld omdat bewijs ontbreekt of het is niet aannemelijk dat het tekort al bij aanvoer bestond of het verzoek is te laat ingediend), zal het tekort moeten worden aangemerkt als een vermis in het entrepot. In dat geval is een douaneschuld ontstaan. De door de entreposeur eventueel reeds geplaatste verklaring wordt in dat geval ongedaan gemaakt.
Zie onder punt 5.1.4 van dit onderdeel.
Meerbevinding:
Als blijkt dat er meer goederen zijn aangebracht dan in de aangifte of het document zijn vermeld en de entreposeur wil de meerbevonden goederen in het entrepot opnemen, kan dit op twee manieren:
1. Bij meerbevinding bij entrepot type B kunnen de meerbevonden goederen worden bijgeschreven op de bijbehorende aangifte/document; dit gebeurt op verzoek van de entrepositaris die daarvoor verwezen wordt naar het controlekantoor.
Bij entrepots type C, D en E stelt de entreposeur op de aangifte/document een verklaring dat hij de meerbevonden goederen wil plaatsen onder de regeling in zijn entrepot.
Als u met toezicht of controle bij het entrepot bent belast en daarmee instemt, plaatst u daarbij uw paraaf en afdruk van het dienststempel. De entreposeur neemt de meerbevonden goederen direct op in de voorraadadministratie van het entrepot. |
2. Een andere mogelijkheid is dat de entrepositaris bij entrepot type B c.q. de entreposeur bij entrepot type C, D of E voor de meerbevonden goederen alsnog aangifte doet tot plaatsing in zijn entrepot. Dit gebeurt volgens de aangifteprocedure beschreven in onderdeel 12.00.00
(
Als u reden hebt om van de voorgaande procedure bij de meer- of minderbevindingen af te wijken, bijvoorbeeld omdat u opzettelijke onjuistheden vermoedt, pleegt u overleg met uw douanekantoor over de te nemen maatregelen.
In deze paragraaf worden behandeld:
- vereenvoudigde procedures bij plaatsing (paragraaf 4.3.1);
- van tijdelijke opslag naar entrepotopslag (paragraaf 4.3.2);
- entrepotverwisseling (paragraaf 4.3.3).
Als nakoming van de wettelijke bepalingen voldoende is gewaarborgd, dan kunnen goederen met toepassing van een vereenvoudigde procedure in douane-entrepot type C, D of E worden geplaatst. Dat wil zeggen met:
- onvolledige aangifte,
- vereenvoudigde aangifte of
- domiciliëringsprocedure.
Bij de vereenvoudigde procedures moet de aangifte tot plaatsing tenminste de volgende gegevens inhouden:
- gegevens over de identiteitskenmerken van de goederen en
- gegevens over de hoeveelheid van de goederen.
(
Plaatsing met onvolledige aangifte
Een onvolledige aangifte voor plaatsing van goederen in entrepot kan worden gedaan als een aangever niet alle gegevens tijdig beschikbaar heeft. Voor de onvolledige aangifte is geen vergunning nodig. Een verzoek van de aangever om bepaalde gegevens later te mogen aanleveren plaatst hij op het aangifteformulier. Identiteit van de goederen en hoeveelheid moeten in ieder geval vaststaan. De ontbrekende gegevens moet de aangever binnen de termijn van 1 maand na de onvolledige aangifte completeren door middel van aanvullende aangifte. Samen vormen beide aangiften één definitieve aangifte. Het uiteindelijke resultaat moet gelijk zijn aan de gegevens bij plaatsing volgens de normale procedure.
(
Plaatsing met vereenvoudigde aangifte
Vereenvoudigde aangifte bij plaatsing van goederen is mogelijk bij douane-entrepot type C, D of E. In dat geval mag de aangifte worden gedaan met een handels- of administratief document. Bij entrepot type B is alleen een administratief document toegestaan. Belanghebbende moet voor de vereenvoudigde aangifteprocedure een vergunning vooraf hebben verkregen. Bij de vereenvoudigde aangifte tot plaatsing is aanvullende aangifte niet nodig. De voorraadadministratie van het entrepot moet zodanig zijn dat aan de hand daarvan ook achteraf de goederenbewegingen gecontroleerd kunnen worden. De vereenvoudigde aangifte kan worden gedaan door middel van bijvoorbeeld de bij de goederen behorende factuur of door middel van een vervoersbescheid of een kopie daarvan. Daarvoor wordt in de praktijk veelal gebruikt een exemplaar van het formulier Enig document. Belanghebbende moet daarop een gedateerde en ondertekende verklaring hebben gesteld dat hij de goederen in zijn entrepot opneemt. U vindt die procedure in dit Handboek, onderdeel Douanevervoer, nummer 14.45.00
Vak ED |
Gegevens |
1. |
soort aangifte |
3. |
aantal formulieren |
5. |
aantal artikelen |
8. |
geadresseerde |
14. |
aangever/vertegenwoordiger |
19. |
aantal containers (indien gebruikt) |
31 |
identiteitsmerken, -nummers, -containers, hoeveelheid en goederensoort (handelsomschrijving of technische omschrijving) |
32. |
artikelnummer |
33. |
goederencode (alleen bij entrepot type D en bij prefinancieringsgoederen) |
34. |
land van oorsprong |
35. |
brutomassa |
37. |
regeling |
38. |
nettomassa |
40. |
voorafgaand document |
41 |
eenheden/maatstaf (alleen bij prefinancieringsgoederen) |
44. |
bijzondere vermeldingen, certificaten, vergunningen |
46/47 |
waarde en berekening rechten bij invoer (alleen bij entrepot type D) |
49. |
identificatie van het entrepot |
54. |
plaats, datum en ondertekening aangifte |
(
Afhankelijk van de situatie (bijvoorbeeld bij een entrepot voor repeterende goederen) kan de douane toestaan dat bij de plaatsing bepaalde gegevens achterwege worden gelaten, zoals de gegevens van vak 3, 5, 19, 32, 40 en 49 van het Enig document. Dit moet evenwel van geval tot geval door de douane worden beoordeeld en kan alleen worden toegestaan voor zover dat niet van invloed is op het douanetoezicht.
Behalve vereenvoudigde aangifte met een handels- of administratief document kan een vereenvoudigde aangifte tot plaatsing ook worden toegestaan met een onvolledige aangifte. In dit geval is evenmin aanvullende aangifte nodig, maar ook hier geldt dat de identiteit en hoeveelheid goederen moeten vaststaan.
De goederen moeten bij het plaatsingskantoor worden aangebracht. Daar wordt de vereenvoudigde aangifte tot plaatsing gedaan. Als in de entrepotvergunning mede toestemming is verleend om goederen met vereenvoudigde aangifte onder de entrepotregeling te plaatsen, dan is dat in de vergunning vermeld (vak 14). Een kopie van de vergunning moet de entreposeur desgevraagd op het kantoor van plaatsing overhandigen. Dat douanekantoor geeft bij akkoordbevinding de goederen vrij voor de regeling douane-entrepots.
Bij entrepot type D en in geval van toepassing van de procedures van type D bij entrepot type E, moeten in de aangiften tot plaatsing de goederensoorten en de douanewaarde nauwkeurig zijn beschreven. Reden daarvoor is dat het tijdstip van de plaatsing van de goederen in het entrepot meetpunt kan zijn voor de vaststelling van de douanerechten. De entreposeur kan bij de procedures van entrepot type D zowel kiezen voor heffing van de douanerechten naar de maatstaf op het tijdstip van de plaatsing als voor heffing naar de maatstaf op het tijdstip van de aanzuivering van de entrepotregeling.
(
Ambtelijke werkzaamheden
Zie voor de ambtelijke werkzaamheden bij deze plaatsingsprocedure in dit Handboek, onderdeel Vereenvoudigde procedures, onder nummer 12.50.00
Plaatsing via domiciliëringsprocedure
Bij de domiciliëringsprocedure wordt de plaatsingsaangifte gedaan door inschrijving van de benodigde gegevens in de voorraadadministratie. Daarin moeten in elk geval alle voor de plaatsing benodigde gegevens zijn vermeld. Dat zijn gerelateerd aan de vakken van het Enig document:
Vak ED |
Gegevens |
1. |
soort aangifte |
3. |
aantal formulieren |
5. |
aantal artikelen |
8. |
geadresseerde |
14. |
aangever/vertegenwoordiger |
19. |
aantal containers (indien gebruikt) |
31. |
identiteitsmerken, -nummers, -containers, hoeveelheid en goederensoort (handelsomschrijving of technische omschrijving) |
32. |
artikelnummer |
33. |
goederencode (alleen bij entrepot type D en bij prefinancieringsgoederen) |
34. |
land van oorsprong |
35. |
brutomassa |
37. |
regeling |
38. |
nettomassa |
40. |
voorafgaand document |
41 |
eenheden/maatstaf (alleen bij prefinancieringsgoederen) |
44. |
bijzondere vermeldingen, certificaten, vergunningen |
46/47 |
waarde en berekening rechten bij invoer (alleen bij entrepot type D) |
49. |
identificatie van het entrepot |
54. |
plaats, datum en ondertekening aangifte |
(
Afhankelijk van de situatie (bijvoorbeeld bij een entrepot voor repeterende goederen) kan de douane toestaan dat bij de plaatsing bepaalde gegevens achterwege worden gelaten, zoals de gegevens van vak 3, 5, 19, 32, 40 en 49 van het Enig document. Dit moet evenwel van geval tot geval door de douane worden beoordeeld en kan alleen worden toegestaan voor zover dat niet van invloed is op het douanetoezicht.
De domiciliëringsprocedure is mogelijk bij entrepots type C, D of E. Voorwaarde is dat er voldoende waarborgen zijn voor de juiste toepassing van de douanewetgeving. Bij de domiciliëringsprocedure is daartoe van belang dat door het bedrijf van een vergunninghouder heen er over de goederen voldoende verbanden liggen in zijn administratie (unieke factuurnummering, ordernummers, zendingnummers, referentienummers, periodieke rapportages, e.d.). Er moet een duidelijke aansluiting zijn tussen de administratiegegevens en de goederen in het entrepot. Bij entrepot type B is de domiciliëringsprocedure niet mogelijk omdat bij dat type entrepot een daarvoor voldoende administratie niet aanwezig is. Bij communautaire landbouwgoederen die in het kader van de prefinanciering in entrepot worden opgeslagen kan de domicliliëringsprocedure evenmin worden toegepast.
De goederen hoeven bij deze procedure voor plaatsing in het entrepot niet bij de douane te worden aangebracht. Wel is overeenkomstig de aanwijzingen van de douane melding aan het bevoegde douanekantoor vereist van de aankomst van de goederen bij het entrepot. Als de goederen ook elders onder de entrepotregeling mogen worden geplaatst, is dat in de entrepotvergunning vermeld (vak 11a). Desgevraagd moet de belanghebbende de (kopie-)vergunning dan op het kantoor van plaatsing tonen. De douane van dat kantoor geeft bij akkoordbevinding de goederen vrij voor de regeling douane-entrepot.
Bij de domiciliëringsprocedure is aanvullende aangifte niet nodig. De entreposeur moet alle bescheiden inzake de plaatsing beschikbaar houden voor de douane. Voor de beëindiging van het voorafgegane communautair douanevervoer moet de entreposeur op een exemplaar van het vervoersdocument zijn gedateerde en ondertekende verklaring plaatsen dat hij de goederen in zijn entrepot heeft ingeslagen. Dit bescheid moet hij inleveren bij het controlekantoor. Zie voor de afsluiting van het voorafgegane communautair douanevervoer dit Handboek, onderdeel Douanevervoer, nummer 14.45.00
Bij entrepot type D en bij toepassing van de systematiek van type D bij entrepot type E moeten in de aangiften tot plaatsing de goederensoorten en de douanewaarde nauwkeurig worden beschreven. Reden daarvoor is dat het tijdstip van de plaatsing van de goederen in dit type entrepot het meetpunt kan zijn voor de vaststelling van de douanerechten. In deze gevallen kan de entreposeur kiezen voor de heffing van de douanerechten naar de maatstaf op het tijdstip van plaatsing of van uitslag.
(
Ambtelijke werkzaamheden
Zie voor de ambtelijke werkzaamheden bij deze plaatsingsprocedure in dit Handboek, onderdeel Vereenvoudigde procedures, onder nummer 12.50.00.
Toegelaten geadresseerde
De regeling Toegelaten geadresseerde houdt een faciliteit in bij het communautair douanevervoer. Het is dus niet een faciliteit bij de entrepotregeling. Wel kan een entrepotvergunninghouder tevens toegelaten geadresseerde zijn. In dat geval kan het communautair douanevervoer op eenvoudige wijze worden beëindigd. Hij meldt op de met de douane afgesproken wijze de aankomst van goederen bij zijn entrepot. De douane zal hem dan mededelen of hij die goederen mag lossen en opslaan onder zijn entrepotregeling. Verdere bijzonderheden over de regeling Toegelaten geadresseerde vind u in dit Handboek, onderdeel Communautair Douanevervoer, nummer 14.45.00
Het komt voor dat goederen die zich in tijdelijke opslag bevinden onder het entrepotstelsel zullen worden geplaatst.
Deze overgang verloopt volgens de aangifteprocedure opgenomen in onderdeel 12.00.00
Die aangifte is ook nodig als de ruimte voor tijdelijke opslag en het entrepot zich bevinden in dezelfde lokaliteit. In paragraaf 2.6.1 vindt u bijzonderheden over deze combinatie.
(
Ambtelijke werkzaamheden
Als u met het toezicht bij de gecombineerde ruimte voor tijdelijke opslag annex douane-entrepot bent belast, handelt u als volgt:
1. Ga na of de aangifte aanvaard is doordat in vak A op het formulier Enig document een registervolgnummer van het controlekantoor is vermeld. 2. Vergelijk de goederen met de aangifte: - bij verschil geeft u de aangifte terug aan belanghebbende en verwijst hem voor het doen van een juiste aangifte naar het controlekantoor; - bij akkoord bevinden tekent u op de achterzijde van de aangifte op het formulier Enig document de inslag in het entrepot aan, voorzien van uw handtekening en dienststempel; 3. Ga steekproefgewijs bij een combinatie van ruimte voor tijdelijke opslag met entrepot type C of D na of de inschrijving in de entrepotadministratie conform de aangifte is gebeurd. 4. In geval van fysieke controle vult u een FYCO-formulier in (zie bijlage 4). 5. Lever de aldus afgetekende aangifte en het FYCO-formulier ter verdere afhandeling in op uw douanekantoor of controlekantoor. |
Entrepotverwisseling is dat goederen vanuit een douane-entrepot worden overgebracht naar een ander entrepot in het EU-douanegebied. In het algemeen moet voor dat vervoer de regeling communautair douanevervoer worden toegepast. Dat betekent dat voor die goederen de lopende regeling douane-entrepot moet worden beëindigd en aangezuiverd door aangifte voor communautair douanevervoer. Na aankomst op de plaats van bestemming moet dan weer de vervoersregeling worden beëindigd en moeten de goederen weer onder de opvolgende entrepotregeling worden geplaatst.
De douane kan in de entrepotvergunning overbrenging (zie vak 15 van de vergunning) toestaan:
- vanaf een kantoor van plaatsing naar het douane-entrepot,
- tussen de in zijn vergunning genoemde plaatsen,
- vanuit het douane-entrepot naar het kantoor van uitgang.
Overbrenging is ook mogelijk tussen entrepots van verschillende vergunninghouders; in het algemeen zullen de overgebrachte goederen bij aankomst ook worden overgedragen aan de opvolgende vergunninghouder.
Overbrenging is bedoeld als een vereenvoudiging bij verkeer van goederen die onder toezicht van de douane staan. Onder overbrenging wordt verstaan dat goederen of producten die zijn geplaatst onder een economische douaneregeling naar een andere plaats mogen worden vervoerd zonder dat die douaneregeling moet worden onderbroken door de regeling communautair douanevervoer. Deze vereenvoudiging is bedoeld voor alle economische douaneregelingen (dus de regelingen voor douane-entrepots, actieve veredeling, passieve veredeling, behandeling onder douanetoezicht en tijdelijke invoer). Daardoor is het ook mogelijk overbrenging toe te passen tussen vergunninghouders van de verschillende regelingen. Overbrenging kan dus bijvoorbeeld plaats vinden van een douane-entrepot naar een vergunninghouder actieve veredeling. Overbrenging gebeurt op basis van de voor de lopende economische douaneregeling te voeren administratie. Als de douane voor overbrenging toestemming heeft verleend zijn aanvullende douaneformaliteiten niet nodig en blijft communautair douanevervoer buiten toepassing.
In dit deel van het Handboek is de overbrenging toegespitst op de regeling Douane-entrepots. Overbrenging is gebaseerd op de administratie van de vergunninghouders; op die basis moet bij overbrenging een correcte toepassing van de douanewetgeving gewaarborgd zijn. In verband met de daarvoor benodigde administratieve vastleggingen kan overbrenging bij douane-entrepots alleen worden toegepast bij entrepots type C, D en E. Omdat bij entrepot type B een entrepotadministratie niet vereist is, heeft de wetgeving overbrenging niet mogelijk gemaakt van en naar entrepot type B. Vervoer van en naar entrepots type B kan daardoor alleen met communautair douanevervoer. Bijzonder is nog dat overbrenging ook mogelijk is bij (weder-)uitvoer van goederen vanuit een douane-entrepot. In dat geval worden onder de entrepotregeling goederen vervoerd naar het kantoor van uitgang. Als aan een entreposeur overbrenging is toegestaan, moet dit in zijn entrepotvergunning zijn vermeld (vak 15).
Overbrenging kan alleen tussen plaatsen die in de entrepotvergunning zijn genoemd. De vergunninghouder die de goederen verzendt blijft ook tijdens de overbrenging voor de goederen verantwoordelijk. Daarom moet bij overbrenging de entrepotzekerheid mede het vervoersgedeelte omvatten. De vervoersrisiko's moeten daarbij in gelijke mate zijn afgedekt als bij het communautair douanevervoer. Dit is zeker nodig als het gaat om overbrenging van goederen die in de praktijk fraudegevoelig zijn gebleken. Verhoging van de entrepotzekerheid kan dan noodzakelijk zijn. Fraudegevoelige goederen zijn bijvoorbeeld runderen en rundvlees, zuivelprodukten, suiker, alcoholhoudende dranken en sigaretten. Een actuele lijst van gevoelige goederen is opgenomen in bijlage 4 bij dit onderdeel van het Handboek.
(
Overbrenging vanaf kantoor van plaatsing naar douane-entrepot
Een entrepotvergunninghouder kan via zijn vergunning toestemming hebben voor de procedure van overbrenging vanaf de daarvoor in zijn vergunning genoemde kantoren van plaatsing. Hij moet vòòr de overbrenging aan de douane van het kantoor van plaatsing zijn vergunning of een kopie daarvan tonen. De overbrenging gebeurt dan onder dekking van de aangifte tot plaatsing onder de entrepotregeling maar zonder verdere douaneformaliteiten. Voor alle situaties van overbrengen moet de administratie van de vergunninghouder de juiste toepassing van de entrepotregeling voldoende waarborgen. In de entrepotadministratie moet vastliggen waar in het kader van de overbrenging de entrepotgoederen zich precies bevinden.
Het is mogelijk dat voor overbrenging in een entrepotvergunning voor type C, D of E de locatie van een ruimte voor tijdelijke opslag of een entrepot type B is genoemd als plaats waar goederen onder de entrepotregeling van C, D of E geplaatst kunnen worden. In dat geval maakt de vergunning voor entrepot type C, D of E de toepassing van die vereenvoudiging toch mogelijk. De vergunninghouder van het entrepot type C, D of E neemt dan al vòòr de overbrenging de verantwoordelijkheid voor de goederen op zich. In dat geval moet hij voordat de goederen worden weggevoerd deze bij de douane onder zijn entrepotregeling plaatsen.
(
Overbrenging tussen locaties van dezelfde entrepotvergunninghouder
Als in de vergunning douane-entrepot type C, D of E de toestemming voor overbrenging is vermeld, kan de entreposeur overbrenging toepassen tussen alle in zijn vergunning genoemde entrepotlocaties. Dit kan hij doen zonder verdere douaneformaliteiten. Het volstaat dat hij de overbrenging vooraf aantekent in zijn entrepotadministratie. Te allen tijde moet daaruit duidelijk zijn waar de onder zijn regeling geplaatste goederen zich bevinden.
(artikel 512, eerste lid, TVo. CDW)
Overbrengen naar kantoor van uitgang
Overbrenging van goederen uit douane-entrepot type C, D of E naar een kantoor van uitgang is de aanloop tot wederuitvoer. In principe moet voor wederuitvoer aangifte worden gedaan of kan de entrepotregeling worden opgevolgd door communautair douanevervoer. De formaliteiten daarvoor moeten worden vervuld op de plaats waar de goederen met het oog op wederuitvoer worden ingeladen. Echter een entreposeur die toestemming heeft voor overbrenging naar een in zijn vergunning genoemd kantoor van uitgang, kan zijn goederen overbrengen naar dat kantoor zonder die formaliteiten. De goederen mogen in dat geval onder zijn entrepotregeling worden vervoerd zonder toepassing van communautair douanevervoer. De aangifte tot wederuitvoer doet hij pas bij het kantoor van uitgang. De entreposeur moet zelf zorgdragen voor het bewijs dat de goederen het douanegebied hebben verlaten want alleen door dat bewijs wordt zijn entrepotregeling aangezuiverd. Hij moet daarvoor een door het kantoor van uitgang afgestempelde kopie van de aangifte tot wederuitvoer (formulier EX3 of een toegestaan ander administratief of handelsdocument) bij zijn administratie bewaren. Bij gebruik van formulier EX3 wordt de aantekening over gebruik van de overbrengingsprocedure geplaatst in vak 44. Zie daarvoor verder in paragraaf 6.3.1.
(
Overbrenging en overdragen tussen verschillende entreposeurs
Overbrenging van goederen tussen verschillende entreposeurs zal gepaard gaan met overdragen van die goederen aan de vergunninghouder-geadresseerde. Deze overbrenging kan uitsluitend als de geadresseerde naast zijn entrepotvergunning ook een vergunning heeft voor toepassing van de domiciliëringsprocedure voor plaatsing van goederen in zijn entrepot. Doordat de overbrenging met overdragen pas is afgerond door de plaatsing in het entrepot van de geadresseerde, blijft de afzender verantwoordelijk tegenover de douane tot het tijdstip waarop de goederen in de entrepotadministratie van de geadresseerde zijn opgenomen. Van de aankomst van de goederen bij zijn entrepot stelt de geadresseerde op de in zijn vergunning voorgeschreven wijze de douane in kennis. Tevens schrijft hij de ontvangen goederen in in zijn administratie. Dit geldt als aangifte tot plaatsing van de goederen onder zijn entrepotregeling. Hiermede is het overdragen afgerond en is de entrepotregeling van de afzender voor de ingeschreven goederen aangezuiverd.
Voor overbrengen en overdragen tussen entreposeurs kent de wetgeving 3 mogelijke procedures:
- de normale procedure: dit gebeurt met 3 exemplaren van het Enig document;
- de vereenvoudigde procedure: dit gebeurt met 2 exemplaren van het Enig document;
- procedure met gebruik van andere middelen dan het Enig document.
Deze procedures vindt u beschreven in
(
In deze paragraaf worden twee uitzonderingen behandeld:
- goederen in uitgaande opslag (paragraaf 4.4.1);
- opslag van communautaire goederen (paragraaf 4.4.2).
Zoals blijkt uit paragraaf 3.1.2 is uitgaande opslag alleen toegestaan in de volgende douane-entrepots:
- entrepot type B;
- entrepot type C mits dit entrepot is gelegen in of nabij een plaats waar een douanekantoor is gevestigd.
Voor de inslag van goederen in het kader van de uitgaande opslag, moet de belanghebbende kennisgeven aan de douane. De bij de goederen behorende aangiften/documenten moet hij daarbij overleggen.
(
Procedure en ambtelijke werkzaamheden
Er is onderscheid in de uitgaande opslag tussen:
A. Opslag van goederen waarvoor een aangifte tot uitvoer is gedaan:
De uitgaande opslag bij uitvoer van goederen sluit aan bij de eerder op een aangiftepunt beëindigde aangifte ten uitvoer. Die procedure wordt voor de douaneregeling Uitvoer beschreven in onderdeel 12.00.00
U gaat als volgt te werk: 1. Ga na of de uitvoerprocedure is afgewikkeld. Dit moet blijken uit een ambtelijke aantekening met afdruk van het metalen dienststempel in vak A of vak C op het formulier Enig document door het douanekantoor van vertrek op de bij de goederen behorende aangifte. 2. Geef hierna uw toestemming tot de inslag. |
B. Opslag van goederen die worden aangebracht onder de regeling voor douanevervoer:
Voor de uitgaande opslag van de goederen die bij het entrepot worden aangebracht onder de regeling Douanevervoer, gelden enkele bijzonderheden. Deze houden verband met het type entrepot.
In het algemeen eindigt de regeling Douanevervoer bij de aankomst in het entrepot. Daarmee eindigt dan ook de aansprakelijkheid van de vervoerder voor de goederen.
Een speciale groep goederen hierbij wordt gevormd door de goederen waarvoor elders in het douanegebied de aangifte ten uitvoer met aanspraak op restitutie is gedaan. De uitvoer met het recht op restitutie is pas voltooid als de goederen feitelijk het EU-douanegebied hebben verlaten.
Alhoewel de goederen nog steeds communautaire goederen zijn, moeten zij in bepaalde gevallen ten behoeve van de juiste toepassing van deze regeling onder douanetoezicht blijven. Om die reden zijn voor vervoer binnen de EU soms verdergaande maatregelen afgesproken. Deze maatregelen zijn gegrond op de
Het komt voor dat bij onderbreking van dit (uitgaande) vervoer een korte tussentijdse opslag in het douanegebied nodig is. Voor zover dan het vervoersdocument nog geldig is (dat kan als het daarop vermelde kantoor van bestemming nog niet is bereikt en de geldigheidsdatum nog niet is gepasseerd) kunnen de goederen daarmee in een entrepot worden toegelaten.
Meestal zal echter in de praktijk de onderbreking in het vervoer zijn voorzien en zal ook tussentijds vervoer bij een entrepot worden beëindigd. De communautaire wetgeving maakt in zo'n geval ook voor deze goederen opslag mogelijk. Daarbij moet de systematiek van de entrepotopslag zo veel mogelijk analoog worden gevolgd. Dat wil zeggen dat deze goederen:
a. bij de plaatsing in het entrepot en gedurende de opslagperiode deugdelijk identificeerbaar moeten zijn en blijven zodat verwisseling met andere goederen niet mogelijk is, en
b. met vermelding van hun bijzondere situatie in de entrepotadministratie moeten worden opgenomen en daar doorheen gevolgd moeten kunnen worden. Deze inschrijving in de administratie geldt niet als een aangifte.
Het controle-exemplaar T5 blijft in afwachting van het definitieve uitgaan van de goederen bij de goederen aanwezig. Bij hervatting van het uitgaande vervoer is een nieuwe vervoersaangifte noodzakelijk. Als het gaat om een deelverzending zal ook het controle-exemplaar T5 worden gesplitst. In dat geval moet op de nieuwe vervoersaangifte naast het nieuwe controle-exemplaar T5 ook melding worden gemaakt van het oorspronkelijke controle-exemplaar T5. In voorkomend geval plaatst het douanekantoor deze verwijzing op de nieuwe vervoersaangifte.
Bewaking van de termijn van uitvoer van deze goederen als bedoeld in de restitutieverordening (de zgn. 60-dagen termijn) vindt plaats door de belanghebbende.
(
Als aan u de vereiste kennisgeving wordt gedaan en toestemming gevraagd voor de inslag, gaat u als volgt te werk: 1. Controleer de datum van de aangifte of het vervoersdocument op geldigheidsduur (bij het Enig document is de uiterste geldigheidsdatum vermeld in vak D van dat document). Als de geldigheidsduur verlopen is, verwijst u naar het controlekantoor. 2. Geef pas toestemming tot inslag als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de aansprakelijkheid is overgenomen voor de goederen; dit moet blijken uit een verklaring die de titularis op de aangifte/het document heeft geplaatst; b. voor de opslag is zekerheid gesteld (zie paragraaf 4.1.2); dit moet blijken uit een aantekening op aangifte/document door controlekantoor c.q. aangiftepunt die voorzien is van het slagstempel en de paraaf van de behandelende ambtenaar. |
- entrepot type C (als bedoeld in paragraaf 3.1.2
Voor de inslag c.q. plaatsing in het entrepot moet de entreposeur ook hier handelen volgens de regels van het kennisgevingssysteem (zie paragraaf 2.3.6).
In dit verband moet de entreposeur in elk geval voor de inschrijving in de entrepotadministratie zorg dragen. Als blijk dat hij dat heeft gedaan, stelt hij een ondertekende verklaring op de aangifte/document.
Verder is de handelwijze bij de entrepots type B, C van paragraaf 3.1.2 bij de uitgaande opslag voor u en uw douanekantoor of controlekantoor als volgt:
1. Verricht fysieke controle in overeenstemming met de controleplanning van uw douanekantoor. 2. Bij bevinding van verschillen stelt u daarvan aantekening: - in vak 56 op de achterzijde van exemplaar nummer 4 en 5 van de aangifte op Enig document, c.q. - in vak 27 van het carnet TIR, c.q. - op de achterzijde van exemplaar 3 bij de aangifte ten uitvoer; zie hierbij ook nog onder punt 9 hierna. 3. Maak voor elke door u gedane fysieke controle een FYCO-formulier op. 4. Plaats na de inslag in het entrepot in vak 56 van het document T1 c.q. in vak 27 van het Carnet TIR c.q. op de achterzijde van het exemplaar nummer 3 van de aangifte ten uitvoer de volgende clausule: "Goederen aanwezig in het entrepot van ........................ ....................................................(naam entreposeur)." 5. Plaats daarbij uw handtekening en een afdruk van het metalen stempel. 6. Na het uitgaan van de goederen moeten de bescheiden worden ingeleverd op uw douanekantoor of controlekantoor. In alle gevallen levert u zelf het FYCO-formulier in. 7. Het controlekantoor voegt het FYCO-formulier in het controledossier van het entrepot. 8. Bij entrepot type B moet u veelal zelf zorg dragen voor de inlevering op het controlekantoor. Geef bij entrepots type C voor deze opslag de voor de uitgaande opslag dienende aangifte / document terug aan de belanghebbende, die het terugontvangen bescheid voor de verdere behandeling moet inleveren op het controlekantoor: - aangifte/document T1; - het carnet TIR; c.q. - exemplaar nummer 3 van de aangifte ten uitvoer. 9. Van bevonden verschillen in een aangifte ten uitvoer die is gedaan door een Nederlandse exporteur moet het controlekantoor een renseignering zenden aan de eenheid Ondernemingen van de Belastingdienst waaronder die exporteur ressorteert. Als u hiermee belast bent, zendt u aan die eenheid de volgende bescheiden: - een (foto-)kopie van het exemplaar nummer 3 van de uitvoeraangifte en - een fotokopie van het FYCO-formulier. |
Verder draagt het controlekantoor er zorg voor dat de zuiveringsprocedure voor de te zuiveren aangiften/documenten wordt voortgezet; zie hiervoor onderdeel 14.20.00
De inslagprocedure is nu voltooid.
Na de inslag blijft voor de ten uitvoer aangegeven goederen de aangever aansprakelijk. Dit is ook het geval voor goederen die nog onder douanevervoer blijven omdat het kantoor van bestemming nog niet is bereikt. Voor wat betreft de overige uitgaande opslag is dat de entreposeur. Deze moet er voor (laten) zorgen dat alle verdere verplichtingen worden nagekomen.
Voor opslag van communautaire goederen die na de inslag in entrepot worden aangemerkt als niet-communautaire goederen (zie paragraaf 3.1.2) moet naast de aangifte ten uitvoer een aangifte tot plaatsing onder het entrepotstelsel worden gedaan.
- Entrepot type B
Deze aangifte kan bij entrepot type B alleen worden gedaan volgens de normale procedure.
Er moet een te zuiveren opslagaangifte IM 7 worden opgemaakt. Bij de IM 7 moet ook het exemplaar nummer 3 van de uitvoeraangifte worden ingeleverd. De te volgen aangifteprocedure wordt beschreven in onderdeel 12.00.00
Als u belast bent met het toezicht bij het entrepot handelt u als volgt: 1. Ga na of de aangifte IM 7 aanvaard is door het controlekantoor; dat moet blijken uit de vermelding in vak A van een registervolgnummer en afdruk metalen dienststempel. 2. Controleer, rekening houdend met het controleplan van uw douanekantoor, of de goederen overeenstemmen met de aangifte. 3. Teken de aangifte IM 7 aan de achterzijde af voor de inslag van de goederen met vermelding van eventuele bevonden verschillen en plaatsing van uw handtekening en afdruk van het dienststempel. 4. Stel op de achterzijde van het exemplaar nummer 3 van de aangifte ten uitvoer dezelfde aftekeningen als genoemd bij de aangifte IM 7 hiervoor. 5. Maak een FYCO-formulier op voor elke door u gedane fysieke controle. 6. Lever alle bescheiden in op uw douanekantoor of op het controlekantoor. |
- Entrepots type C, D en E
Bij deze entrepottypen kan voor deze goederen de aangifte tot plaatsing onder het entrepotstelsel worden gedaan volgens de normale procedure (op dezelfde wijze als onder type B hiervoor is vermeld) of, met uitzondering van landbouwprefinancieringsgoederen, volgens de domiciliëringsprocedure (zie onder paragraaf 4.3.1).
Het exemplaar nummer 3 van de aangifte ten uitvoer moet de belanghebbende op het controlekantoor inleveren. De entreposeur en de ambtenaren van het controlekantoor handelen verder zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.
Daarmee is de inslagprocedure voltooid.
Controlekantoor
Voor alle typen douane-entrepots behandelt het controlekantoor vervolgens de ingeleverde bescheiden voor zuivering en statistische doeleinden.
Het FYCO-formulier wordt gevoegd in het controledossier van het entrepot.
De belangrijkste strafrechtelijke bepalingen met betrekking tot de inslag zijn:
- lossing en inslag van goederen in entrepot zonder de vereiste aangifte;
(
- onjuiste of onvolledige aangifte tot plaatsing van goederen onder het stelsel van douane-entrepots;
(
- lossing en inslag van goederen in het entrepot zonder toestemming van de douane;
(
- nalaten van kennisgeving van de voorgenomen lossing en inslag in entrepot;
(
- handelen door de entreposeur in strijd met de bepalingen van de verleende vergunning.
(
