20.02.00 Aangiften ten uitvoer landbouwgoederen

Tekstnavigatie

Inhoud

Talen

Doelgroepen

Zoeken

Algemeen

Domeinen

Vaste functies

Waar ben ik?

Inhoud

Inhoudsopgave

Handboeken

Handboek Douane

20.02.00 Aangiften ten uitvoer landbouwgoederen

Handboek Douane

20.02.00 Aangiften ten uitvoer landbouwgoederen, 7 februari 2011, versie 18

3. Controle van de aangiften ten uitvoer met aanspraak op restitutie

3.1. Algemeen

Nadat de aangifte ten uitvoer en (in voorkomend geval) het bijbehorende landbouwformulier L(F) zijn aanvaard, moeten deze bescheiden worden gecontroleerd. In dit hoofdstuk worden de taken beschreven die u als verifiërend ambtenaar moet uitvoeren op grond van de landbouwvoorschriften voor de controle van aangiften ten uitvoer van landbouwgoederen met aanspraak op restitutie.

Hierna worden de volgende onderwerpen behandeld:

- controle aangifte ten uitvoer en landbouwformulier L(F) (paragraaf 3.1.1);

- regelgeving (paragraaf 3.1.2);

- fysieke controle (paragraaf 3.1.3).

3.1.1. Controle aangifte ten uitvoer en landbouwformulier L(F)

Op grond van artikel 68 CDW kan de Douane overgaan tot controle van een aanvaarde aangifte ten uitvoer. Deze controle valt uiteen in twee delen, namelijk:

- controle van de aangifte en de daarbij gevoegde documenten;

- onderzoek van de goederen en het eventueel nemen van monsters voor analyse of grondige controle.

In de volgende tabel vindt u de verschillende manieren waarop u de aangiften ten uitvoer en het landbouwformulier L(F) kunt controleren, met de bijbehorende verificatiecode.

Soort controle Toelichting Verificatie-code
............... .................................................... ..........

Globale controle

Van globale controle is sprake wanneer de controle niet meer inhoudt dan door een eenvoudige vergelijking na te gaan of een of meerdere gegevens in de aangifte overeenstemmen met de overeenkomstige gegevens in de bescheiden (bijvoorbeeld facturen of uitvoercertificaten) die bij de aangifte ten uitvoer moeten worden overgelegd. Hierbij worden de gegevens in de aangifte niet op hun inhoudelijke juistheid getoetst. (Zie ook paragraaf 6.2.1 van onderdeel 12.00.00, Plaatsing van goederen onder een douaneregeling van dit Handboek).

1

Verificatie

Als de controle verder gaat dan globale controle en erop is gericht om een of meer gegevens in de aangifte door een diepgaander onderzoek te toetsen op hun inhoudelijke juistheid, dan is er sprake van verificatie. Deze toetsing kan op twee manieren plaatsvinden:

 

- aan de hand van de bij de aangifte overgelegde bescheiden of bescheiden die op een andere manier al voorhanden zijn of worden opgevraagd;

2

- (mede) aan de hand van een onderzoek van de goederen: een fysieke controle (zie paragraaf 3.1.3 van dit hoofdstuk).

(Zie ook paragraaf 6.2.1 van onderdeel 12.00.00, Plaatsing van goederen onder een douaneregeling, van dit Handboek)

Let op

De fysieke controle bij uitvoer van landbouwgoederen met aanspraak op restitutie vormt een specifiek begrip, waarbij verregaande eisen zijn gesteld aan de uitvoering van de fysieke controle (zie ook paragraaf 3.1.3).

3

Administratieve afdoening

Bij administratieve afdoening vindt helemaal geen controle plaats. Uiteraard worden de aangiften wel aanvaard en geregistreerd.

Let op

Verificatiecode 4 kan niet worden gebruikt voor aangiften ten uitvoer met aanspraak op restitutie. Het is vanwege de specifieke bepalingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en de nationale invulling daarvan niet toegestaan om deze aangiften administratief af te werken.

4

          Let op

Zie voor de diepgang waarmee de aangiften moeten worden gecontroleerd paragraaf 3.2.1.

3.1.2. Regelgeving

Vanwege de grote financiële belangen die in het geding zijn bij de uitvoer van landbouwgoederen, heeft de Europese Commissie speciale maatregelen genomen om de controle van de aangiften ten uitvoer met aanspraak op restitutie te verbeteren en te harmoniseren. Hierbij zijn dwingende regels vastgesteld voor:

- het minimumpercentage aangiften ten uitvoer dat fysiek moet worden gecontroleerd (zie paragraaf 3.1.3, onder "Minimumpercentage uit te voeren fysieke controles");

- het aanleggen van controledossiers (zie paragraaf 3.1.3, onder "Verslaglegging van de fysieke controle in een controledossier").

In de volgende tabel staan de verordeningen waarin de regels van de Europese Commissie zijn vastgelegd.

Tabel 1: Verordeningen

Verordening Inhoud
.............................. ...................................................

Verordening (EG) nr. 1276/2008

Deze verordening bevat regels voor de fysieke controles, controles van verzegelingen en substitutiecontroles 1) die de Douane moet uitvoeren bij de aangifte ten uitvoer van landbouwgoederen met aanspraak op restitutie. Daarnaast bevat deze verordening richtlijnen voor het opstellen van een landelijke risicoanalyse voor landbouwgoederen, die worden uitgevoerd met aanspraak op restitutie.

Verordening (EG) nr. 1234/2007

Deze GMO-verordening bevat de ordening van de landbouwmarkt en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten.

          .....

          1) Een substitutiecontrole is een visuele overeenstemmingscontrole tussen de producten en het vervoersdocument. De controle vindt plaats als het kantoor van uitvoer en het kantoor van uitgang niet hetzelfde zijn.

Hierna worden een aantal elementen uit de hierboven genoemde verordeningen behandeld:

- goederen waarop Verordening EG nr. 1276/2008 van toepassing is;

- douanekantoor;

- productsector;

- voldoen aan controleverplichtingen.

Aan het element "fysieke controle" kunnen dermate veel aspecten worden onderscheiden, dat deze controle apart in paragraaf 3.1.3 zal worden behandeld.

          Goederen waarop Verordening (EG) nr. 1276/2008 van toepassing is

Het doel van Verordening (EG) nr. 1276/2008 is het geven van regels voor de controles die moeten worden verricht om na te gaan of handelingen die recht geven op betaling van uitvoerrestituties of andere bedragen in verband met de uitvoer worden betaald, overeenkomstig de voorschriften zijn uitgevoerd. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat de Douane alleen een taak heeft bij de betaling van uitvoerrestituties.

(artikel 1, lid 1 Verordening (EG) nr. 1276/2008)

          Let op

Verordening (EG) nr. 1276/2008 is niet van toepassing op de volgende situaties:

- de uitvoer van communautaire voedselhulp als bedoeld in Verordening (EG) nr. 2298/2001 (hier is een apart controlestelsel voor opgesteld);

- het bereiken van de bestemmingen die volgens de artikelen 33 en 41 van Verordening (EG) nr. 612/2009 gelijkgesteld zijn aan uitvoer, te weten:

- proviandering van zeeschepen en luchtvaartuigen;

- leveranties aan internationale organisaties en strijdkrachten;

- leveranties van boordproviand aan boor- en productieplatforms en marineschepen.

(artikel 6, lid 5 Verordening (EG) nr. 1276/2008)

          Douanekantoor

Als douanekantoor wordt volgens Verordening (EG) nr. 1276/2008 aangemerkt elk kantoor dat bevoegd is de formaliteiten ten uitvoer van de betrokken producten te vervullen. Aan de Europese Commissie is meegedeeld dat het begrip "douanekantoor" nationaal wordt geïnterpreteerd als "Douaneregio".

(artikel 2, onder c Verordening (EG) nr. 1276/2008)

          Productsector

Onder een productsector wordt volgens artikel 2, onder l van Verordening (EG) nr. 1276/2008 verstaan de sectoren. Hierbij vormen de producten van de sector granen en van de sector rijst samen één productsector. Producten die worden uitgevoerd in de vorm van verwerkte goederen als opgesomd in de bijlagen II en III van Verordening (EU) nr. 578/2010 (de zogenaamde industriële landbouwproducten), vormen eveneens een gezamenlijke productsector.

          Voldoen aan controleverplichtingen

Het kan zijn dat bij een controle door het Europees Landbouw Garantie Fonds (ELGF) wordt vastgesteld dat niet aan de controleverplichtingen is voldaan zoals voorgeschreven in de eerder genoemde verordeningen. In dat geval is de Europese Commissie van oordeel dat de gedeclareerde restituties naar evenredigheid van de geconstateerde onjuistheid moeten worden gekort. Dit betekent dat Nederland dan zelf een deel van de betaalde restituties uit haar eigen nationale budget moet financieren in plaats van dat dit wordt gefinancierd vanuit het budget van de Europese Unie. Een juiste uitvoering van de genoemde verordeningen verdient daarom een zeer hoge prioriteit. Het systeem van interne controle en de uitvoering daarvan moet hierop adequaat zijn ingesteld.

3.1.3. Fysieke controle

Door middel van een fysieke controle kunt u vaststellen of de gegevens in de aangifte ten uitvoer overeenstemmen met de kenmerken van de aangeboden goederen. Welke gegevens van de aangifte moeten worden gecontroleerd, hangt af van de fiscale en niet-fiscale risico's. Deze risico's zijn in het algemeen al van tevoren bepaald door middel van een risicoanalyse.

Voor de toepassing van fysieke controles bij de uitvoer van landbouwgoederen met aanspraak op restitutie is het begrip "fysieke controle" in artikel 2, onder f van Verordening (EG) nr. 1276/2008.

In de in bijlage I van Verordening (EG) nr. 1276/2008 bedoelde gevallen worden de daarin aangegeven methoden toegepast. Het douanekantoor van uitvoer ziet er op toe dat artikel 28 van Verordening (EG) nr. 612/229 (bepalingen omtrent de gezonde handelskwaliteit van de goederen) in acht wordt genomen."

Deze bepaling houdt in dat voor landbouwgoederen de fysieke controle minimaal moet bestaan uit een onderzoek naar de juistheid van de aangifte ten uitvoer voor de hoeveelheid, de aard en de kenmerken van de goederen. Onder aard en kenmerken van de goederen kan ook worden verstaan de soort en samenstelling van de goederen.

In deze paragraaf worden de volgende aspecten van de fysieke controle behandeld:

- tijdstip van de fysieke controle;

- plaats van de fysieke controle;

- kenmerken van de goederen en de opslaglocatie;

- minimumpercentage uit te voeren fysieke controles;

- registratie van het aantal aangiften ten uitvoer met aanspraak op restitutie en het aantal fysieke controles;

- verslaglegging van de fysieke controle in een controledossier.

          Tijdstip van de fysieke controle

Op grond van artikel 3, letter a van Verordening (EG) nr. 1276/2008 moet de fysieke controle plaatsvinden tussen het moment van de indiening van de aangifte ten uitvoer en de toestemming tot uitvoer van de goederen. De controle moet frequent en niet aangekondigd steekproefsgewijs worden uitgevoerd (artikel 4, lid 1 en 2 Verordening (EG) nr. 1276/2008). Als de zendingen die worden onderworpen aan een fysieke controle door een steekproef worden geselecteerd en frequent (verdeeld over het hele kalenderjaar) en onverwacht worden uitgevoerd, wordt het voor het bedrijfsleven namelijk moeilijker om hierop te anticiperen.

Een fysieke controle waarvoor de exporteur van tevoren uitdrukkelijk of stilzwijgend is gewaarschuwd, kan niet als een fysieke controle worden beschouwd.

De aankondiging van een fysieke controle hoeft niet uitsluitend een expliciete mededeling te zijn.

          Variatie tijdstip aanvang fysieke controle

De lidstaten zorgen ervoor dat het begin van de fysieke controle varieert in vergelijking met het opgegeven tijdstip van begin van beladen zoals aangegeven door de exporteur.

(artikel 4, lid 3 Verordening (EG) nr. 1276/2008

Een voorspelbaar patroon in de fysieke controles (bijvoorbeeld elke maandag op de plaats van lading, altijd de twintigste aangifte van een bepaalde klant, alle zendingen die groter zijn dan 10.000 kg) kan als een niet geoorloofde, stilzwijgende waarschuwing worden beschouwd.

          Let op

De eis van onverwachtheid staat op enigszins gespannen voet met artikel 240 TVo. CDW. In dat artikel staat dat de Douane de aangever moet inlichten over wanneer ze de goederen zal onderwerpen aan een fysieke controle. U kunt echter aan beide bepalingen voldoen door de aangever pas in kennis te stellen van een fysieke controle als het voor hem onmogelijk is om de goederen nog te verwisselen. U kunt dit bijvoorbeeld doen door eerst de te controleren goederen zelf te identificeren (op te zoeken), hierna de aangever in kennis te stellen van uw voornemen om de goederen aan een fysieke controle te onderwerpen (waarbij de goederen onder uw toezicht blijven) en de goederen pas feitelijk te onderwerpen aan de fysieke controle als de aangever (als hij dat wil) hierbij aanwezig is. U moet dan wel enige tijd wachten voordat u met de fysieke controle begint, om de aangever in de gelegenheid te stellen om te komen. Als de aangever afziet van zijn recht om aanwezig te zijn bij de fysieke controle, dan heeft de fysieke controle dezelfde rechtskracht als wanneer hij wel aanwezig of vertegenwoordigd was (zie ook onderdeel 12.10.00, Monsterneming en monsteronderzoek, van dit Handboek).

          Plaats van de fysieke controle

Hoewel artikel 5, lid 7 Verordening (EG) nr. 612/2009 voorschrijft dat de aangifte ten uitvoer moet worden ingediend voordat met het laden van de goederen wordt begonnen, zullen niet alle exporteurs zich aan deze voorwaarde (kunnen) houden (zie voor de gevolgen die dit heeft voor de aanvaarding van de aangifte, paragraaf 2.1.1, onder "Vooraanmelding en plaats van indiening"). Het niet voldoen aan een van de eisen van artikel 5, lid 7, Verordening (EG) nr. 612/2009 is wel een risicoverhogende factor die meegewogen moet worden bij de beoordeling welke controlediepgang moet worden toegepast voor de betreffende aangifte. Dit betekent echter niet dat zo een zending automatisch moet worden onderworpen aan een fysieke controle. Het hoeft ook niet te betekenen dat het percentage te controleren aangiften hierdoor verhoogd moet worden. Het kan echter wel inhouden dat er nu andere zendingen worden geselecteerd voor de fysieke controle dan voorheen.

Als goederen samen met de aangifte ten uitvoer bij het douanekantoor worden aangebracht (de situatie "geladen"), dan valt de zending in een hoger risicoprofiel (zie ook paragraaf 2.1.1 onder "Vooraanmelding en plaats van indiening aangifte ten uitvoer"). Hoewel de exporteur in deze situatie de aangebrachte goederen niet meer kan vervangen door andere goederen (substitutie), is het toch van belang dat de aangever in vak 31 van de aangifte ten uitvoer ook de merken en nummers van de uit te voeren goederen vermeldt. Deze kunnen namelijk later ook van nut zijn bij een eventuele overeenstemmingscontrole of substitutiecontrole.

Als de aangifte ten uitvoer elektronisch in Sagitta-uitvoer wordt ingediend, worden de goederen niet aangebracht bij het douanekantoor (de situatie "te laden").

Om hiervoor in aanmerking te kunnen komen moet de exporteur in het bezit zijn van een door de inspecteur afgegeven vergunning Elektronische domiciliëringsprocedure (Uitvoer).

Wanneer u als verifiërend ambtenaar besluit om de ten uitvoer aangegeven zending fysiek te gaan controleren, dan gaat u naar het bedrijf van de exporteur en kunt u tijdens het laden de goederen aan een fysieke controle onderwerpen. Op die manier wordt het logistieke proces van de exporteur zo min mogelijk verstoord en kan de Douane de fysieke controle op een eenvoudige en efficiënte wijze uitvoeren.

          Kenmerken van de goederen en de opslaglocatie

Als bij aanvang van (of tijdens) het laden van de goederen blijkt dat de Douane de zending niet aan een fysieke controle onderwerpt, is het in de situatie "te laden" mogelijk dat de aangever de aangegeven goederen vervangt door andere goederen. Om vervanging door andere goederen (substitutie) tegen te gaan, moet de aangever in de aangifte ten uitvoer:

- de op de verpakking van de uit te voeren partijen vermelde merken en nummers volledig in de rubriek "Goederenomschrijving" opgeven (vak 31 van de schriftelijke aangifte);

- de plaats waar de te laden goederen zich bevinden nauwkeurig in de rubriek "Plaats van de goederen" vermelden (vak 30 van de schriftelijke aangifte).

Op die manier kunt u de ten uitvoer aangegeven partijen zelfstandig identificeren en aansluitend onderwerpen aan een fysieke controle. Als bij de verificatie blijkt dat de aangegeven merken en nummers niet overeenkomen met de bevonden merken en nummers, of dat de goederen zich niet bevinden op de aangegeven locatie, is er sprake van een onjuiste aangifte. Hiertegen staan de normale rechtsmiddelen open. Als herhaaldelijk een onjuiste aangifte wordt ingediend, kan de vergunning Elektronische domiciliëringsprocedure (Uitvoer) worden ingetrokken.

Minimumpercentage uit te voeren fysieke controles

Voor minimaal 5% van de uitvoeraangiften waarvoor restitutie wordt gevraagd, moet een fysieke controle worden uitgevoerd. Het percentage van 5% geldt per productsector, per kalenderjaar en per douanekantoor.
(artikel 6 Verordening (EG) nr. 1276/2008)

Deze verplichting geldt alleen voor de aangiften ten uitvoer waarop Verordening (EG) nr. 1276/2008 van toepassing is. Aangiften ten uitvoer voor communautaire voedselhulp (zie Verordening (EEG) nr. 2298/2001) en aan met uitvoer gelijkgestelde bestemmingen als bedoeld in de artikelen 33 en 41 van Verordening (EG) nr. 612/2009, vallen hier niet onder.

Als een systeem van gerichte controles op basis van een risicoanalyse wordt toegepast, mag in plaats van een minimumpercentage van 5% per productsector, een minimum van 2% per productsector worden gehanteerd. Voor alle productsectoren samen moet dan wel het percentage van 5% worden gehaald.

          Let op

- Voor het minimumpercentage van 5% voor alle sectoren samen wordt de sector "Industriële landbouwproducten" (ook wel Non Annex I, NA I of ILP genoemd) niet meegeteld. Voor deze sector geldt een minimumpercentage van 0,5% wanneer hierop gerichte controles op basis van risicoanalyse worden toegepast.
(artikel 6, lid 4 Verordening (EG) nr. 1276/2008)

- Als een douanekantoor per jaar en per sector minder dan twintig aangiften ten uitvoer aanvaardt, moet per sector ten minste een uitvoeraangifte aan een fysieke controle worden onderworpen.

- Deze verplichting is niet van toepassing wanneer het douanekantoor van uitvoer op grond van de in artikel 6, lid 2 onder a van Verordening (EG) nr. 1276/2008 bedoelde risicoanalyse de eerste twee uitvoeraangiften niet gecontroleerd heeft en daarna in die sector geen uitvoer meer heeft plaatsgevonden.
(
artikel 6, lid 3 Verordening (EG) nr. 1276/2008)

Voor het bepalen van het minimumpercentage fysieke controles zoals genoemd in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1276/2008 wordt, als een aangifte ten uitvoer betrekking heeft op verschillende GN- of restitutiecodes, elke code als een afzonderlijke aangifte aangemerkt. Elk artikel van de aangifte ten uitvoer is dus een afzonderlijke aangifte.

Voor de berekening van het minimumpercentage fysieke controles dat moet worden verricht, hoeft geen rekening te worden gehouden met de uitvoeraangiften die betrekking hebben op hoogstens:

- 25.000 kg voor granen- of rijst;

- 5.000 kg in de sector industriële landbouwproducten;

- 2.500 kg voor overige producten.
of

- een restitutiebedrag van minder dan € 1.000 hebben.

(artikel 6, lid 6 onder a Verordening (EG) nr. 1276/2008)

Door de risicobeheersingsorganisatie zijn maatregelen getroffen om fraude en misbruik ten aanzien van deze uitvoeraangiften te voorkomen.

          Registratie van het aantal aangiften ten uitvoer met aanspraak op restitutie en het aantal fysieke controles

Om inzicht te krijgen in de realisatie van de taakstelling die is opgelegd in Verordening (EG) nr. 1276/2008 is registratie van het aantal aangiften en fysieke controles noodzakelijk. Er moet geregistreerd worden hoeveel artikelen op aangiften ten uitvoer met bijbehorende landbouwformulieren L(F) met aanspraak op restitutie in de voorgeschreven periode zijn aanvaard, en met welke controlediepgang deze zijn afgehandeld.

De registratie van het aantal aangiften en fysieke controles wordt vastgelegd in Sagitta-Uitvoer. De informatie die nodig is voor het vullen van de Bestuurlijke Informatie wordt door het Sagitta-systeem verstrekt.

          Verslaglegging van de fysieke controle in een controledossier

Van een juiste fysieke controle, zoals deze is gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1276/2008, is pas sprake als daarvan een controledossier is gevormd. Controledossiers moeten om verschillende redenen worden samengesteld:

- Volgens artikel 14, lid 2 Verordening (EG) nr. 1276/2008 is een gedetailleerd verslag van fysieke controles verplicht. Een controledossier komt aan die eis tegemoet.

- Gegevens die zijn opgenomen in de controledossiers, kunnen op een toegankelijke wijze worden getoetst.

- Controledossiers zijn een bron voor gerichte risicoanalyse en verificatieselectie.

- Controledossiers kunnen als bewijsmateriaal dienen in bezwaar- en beroepsprocedures.

- Controledossiers zijn een voorgeschreven bron bij administratieve controles volgens Verordening (EEG) nr. 485/2008.

- Controledossiers dienen voor de toetsing van de kwaliteit van de controle.

Een dossier dat voldoet aan de eisen van de Europese Commissie, moet minimaal de volgende bescheiden bevatten:

- een schutblad waarop iedere fase van de dossiervorming wordt ingevuld;

- een ingevuld fyco-formulier zoals voorgeschreven in onderdeel 12.00.00, Plaatsing van goederen onder een douaneregeling, van dit Handboek;

- (een kopie van) de behandelde aangifte EXA of, bij een elektronische aangifte een print van de behandelde aangifte door ALT-U of ALT-Print Screen via Word;

- een kopie van het landbouwformulier L(F) (geldt niet voor elektronische aangiften);

- een kopie van het formulier aanvraag monsteronderzoek (indien van toepassing);

- een kopie van de uitslag van het monsteronderzoek (indien van toepassing);

- een kopie van de mededeling uitslag monsteronderzoek aan de aangever (indien van toepassing);

- een kopie van het formulier beëindigde verificatie (indien van toepassing);

- indien van toepassing een kopie van het behandelde vierde exemplaar van het TI of een kopie van een andere behandelde aangifte voor extern douanevervoer (bijvoorbeeld TIR);

- een kopie van de factuur;

- een kopie van het behandelde controle-exemplaar T5;

- (kopieën van) overige bescheiden (gespecificeerd), zoals een aanvraag om heronderzoek en de daarop ontvangen laboratoriumuitslag.

Elk in het dossier opgenomen bescheid moet worden aangetekend op het schutblad. Als een dossier nog niet is afgesloten, moet dit uit het schutblad blijken.

Daarnaast moet van de eventueel uitgevoerde interne controle een aantekening op het schutblad worden gemaakt, waarbij de datum van de uitgevoerde interne controle , de naam van de ambtenaar met zijn paraaf, de eventuele opmerkingen en zijn eindoordeel worden vermeld.

De (kopieën van de) documenten die in het dossier zijn opgenomen, moeten zijn voorzien van alle vereiste ambtelijke aftekeningen. Het is essentieel dat de aftekeningen van deze aangiften, documenten en landbouwformulieren met elkaar in samenhang zijn.

Het dossier moet gedurende drie jaar na het jaar van uitvoer ter inzage liggen in het douanekantoor dat de fysieke controle heeft uitgevoerd of op één plaats in de lidstaat.

(artikel 14 Verordening (EG) nr. 1276/2008)

          Vermeldingen in het controledossier

In het dossier moeten minimaal de volgende gegevens zijn opgenomen:

- plaats, datum, tijdstip van aankomst, tijdstip van beëindiging vervoermiddel en naam en handtekening van de bevoegde ambtenaar;

- datum en tijdstip van ontvangst van de vooraanmelding, de opgegeven tijd voor het begin van de belading en voor het beëindigen van het laden van de producten in het vervoermiddel.

(artikel 14, lid 2 Verordening (EG) nr. 1276/2008)

3.2. Procedures en ambtelijke werkzaamheden

De procedures voor de controle van aangiften ten uitvoer met aanspraak op restitutie zijn dezelfde als die voor aangiften ten uitvoer waarbij geen aanspraak wordt gemaakt op restitutie. Zie hiervoor onderdeel 12.00.00, Plaatsing van goederen onder douaneregeling van dit Handboek. Een zorgvuldige controle van de aangiften ten uitvoer met aanspraak op restitutie door de Douane is om een aantal redenen noodzakelijk:

- Bij de aangiften ten uitvoer met aanspraak op restitutie kunnen grote financiële belangen een rol spelen.

- De Douane is een belangrijke schakel in de controleketen, met name voor gewicht, identiteit van de goederen, datum van de aangifte, het verlaten van de Gemeenschap en de aard of soort van de goederen.

- Per zending moet voor de Europese Commissie gewaarborgd zijn dat op de hiervoor genoemde elementen is gelet. Dit geldt niet alleen voor de fysiek gecontroleerde zendingen, maar ook voor de overige zendingen.

- Uit overzichten van het douanelaboratorium blijkt dat ook bij bedrijven met een continue productie en uitvoer, afwijkingen op de aangegeven samenstellingen worden geconstateerd.

- Bij de export van landbouwgoederen zijn meestal nog specifieke aanvullende eisen gesteld waaraan moet worden voldaan. In het Gebruikstarief Douane is bij elke goederencode aangegeven welke bepalingen, criteria en gegevens van belang zijn voor de vaststelling van het restitutiebedrag.

In deze paragraaf wordt eerst behandeld welke diepgang van controle u moet toepassen en wordt vervolgens nader ingegaan op drie aspecten die van belang zijn bij de fysieke controle.

- diepgang van controle (paragraaf 3.2.1);

- land van oorsprong bepalen (paragraaf 3.2.2);

- aard en samenstelling van de goederen vaststellen (paragraaf 3.2.3);

- nettogewicht vaststellen (paragraaf 3.2.4).

3.2.1. Diepgang van controle

De manier waarop de aangiften ten uitvoer en de bijbehorende bescheiden door de Douane moeten worden gecontroleerd, is afhankelijk van de elementen maatwerk, klantkennis, risicoanalyse en controlemix (deze punten staan uitvoerig beschreven in de gids Klantbehandelingen). Het controleprogramma dat daaruit voortvloeit, bepaalt welke controle zal worden toegepast. Er zijn verschillende mogelijkheden om aangiften ten uitvoer te controleren, namelijk door:

- globale controle (code 1);

- verificatie aan de hand van bescheiden (code 2);

- fysieke controle (code 3).

          Let op

Afwerking van de aangifte door middel van administratieve afdoening (code 4) is voor aangiften ten uitvoer met aanspraak op restitutie nooit toegestaan.

Zie voor een omschrijving van de inhoud van de verschillende controlediepgangen ook de tabel in paragraaf 3.1.1.

          Globale controle

In bepaalde gevallen is het mogelijk om de controle van aangiften ten uitvoer met aanspraak op restitutie planmatig af te doen zoals beschreven bij de globale controle (code 1). Daar zijn dan echter wel een aantal voorwaarden aan verbonden:

- Er moet worden voldaan aan de inhoudelijke betekenis van de verschillende soorten controlediepgangen. Dit betekent dat u de controle minimaal moet uitvoeren zoals beschreven bij de verschillende controlediepgangen.

- De controles moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het opgestelde controleprogramma.

- De werkmethode moet in de AO/IB zijn vastgelegd, waarbij de eventuele risico's in de uitvoering van het controleprogramma door een goede interne controle worden vermeden.

          Let op

Wanneer niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, is de kans groot dat de Europese Commissie het planmatig controleren door globale controle niet goedkeurt.

          Verificatie aan de hand van bescheiden

Als er niet kan worden voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden, dan moeten de aangiften ten uitvoer met aanspraak op restitutie minimaal worden gecontroleerd op het niveau van verificatie aan de hand van bescheiden (code 2).

In principe moeten alle elementen van de aangiften ten uitvoer met aanspraak op restitutie worden gecontroleerd. Wanneer dit om capaciteitsoverwegingen of prioriteitstellingen niet (volledig) kan, dan moeten in ieder geval die elementen van de aangifte en (in voorkomend geval) het landbouwformulier L(F) worden gecontroleerd die van belang zijn voor de berekening van de restitutie.

De volgende vakken zijn voor de berekening van de restitutie van belang:

- vak 34a (land van oorsprong);

- vak 17a (land van bestemming (bij gedifferentieerde restituties));

- vak 31 (omschrijving van de goederen);

- vak 33 (geïntegreerde goederencode);

- vak 38 (nettogewicht);

- vak 41 (aantal stuks (indien van toepassing));

- vak 44 (bijzondere vermelding (inclusief aanvraag restitutie ja/nee).

          Fysieke controle

Zie voor de omschrijving wat een fysieke controle van landbouwgoederen omvat, paragraaf 3.1.3 van dit onderdeel. Dit houdt in dat de ambtenaar moet onderzoeken of de hoeveelheid, de aard en de kenmerken van de goederen overeenkomen met de aangifte ten uitvoer en de daarbij horende bescheiden. Concreet houdt dit in dat u bij een fysieke controle (code 3) zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1276/2008, ten minste de volgende vakken fysiek moet controleren:

- vak 34a (land van oorsprong);

- vak 31 (omschrijving van de goederen);

- vak 38 (nettogewicht) of (als niet het nettogewicht bepalend is voor de hoogte van de restitutie, maar het aantal stuks, bijvoorbeeld bij eendagskuikens) vak 41 (aantal stuks).

Op grond van de risicoanalyse of tijdens de fysieke controle kan blijken dat er nog andere elementen van belang zijn voor de berekening van de restitutie dan de goederenomschrijving of het nettogewicht. In dat geval is de bovengenoemde minimumeis niet voldoende. De fysieke controle moet dan worden uitgebreid met ten minste de andere elementen die ook nog van belang zijn.

          Voorbeeld

Bij de uitvoer van fokrunderen moeten ook de aangeboden stamboekcertificaten in de controle worden betrokken.

3.2.2. Land van oorsprong bepalen

Bij de herkomst en de oorsprong uit de Gemeenschap van goederen die met restitutie worden uitgevoerd, spelen er verschillende belangen. Een groot risico bij het bepalen van de restitutie ligt bij goederen die eerder uit derde landen in het vrije verkeer van de Gemeenschap zijn ingevoerd en vervolgens met aanspraak op restitutie weer worden uitgevoerd. Dit is namelijk van belang voor het bepalen van de hoogte van de restitutie. Er zijn drie verschillende mogelijkheden voor de berekening van de hoogte van de restitutie, namelijk:

- In enkele gevallen heeft een eerdere invoer van de goederen geen invloed op de hoogte van de restitutie.

- In veel gevallen wordt de restitutie beperkt tot ten hoogste de bij invoer betaalde rechten. Deze rechten liggen, gelet op de vele preferentiële regelingen die van toepassing zijn, vaak (veel) lager dan de vastgestelde restitutiebedragen voor goederen die van oorsprong uit de Gemeenschap zijn.

- In enkele gevallen bestaat er geen recht meer op restitutie.

Zie voor de verschillende situaties het per marktordening opgenomen overzicht in paragraaf 3.9.2 van onderdeel 20.01.00, Restituties, van dit Handboek.

          Controle

Bij de verificatie van de aangifte ten uitvoer kunt u de oorsprong van goederen controleren aan de hand van de bij de aangifte behorende bescheiden (facturen, oorsprongscertificaten, gezondheidscertificaten en dergelijke).

Bij een fysieke controle kunt u de oorsprong controleren aan de hand van de (eventuele) aantekeningen op de verpakking van de goederen.

Bij een controle achteraf in de administratie van de exporteur (op grond van artikel 78 CDW of Verordening (EG) nr.485/2008) kunt u meer aandacht besteden aan de oorsprong van de goederen.

3.2.3. Aard en samenstelling van de goederen vaststellen

Om vast te stellen of een zending in aanmerking komt voor restitutie, moet u de aard en samenstelling van de goederen bepalen. Wanneer u de aard en samenstelling van de uit te voeren goederen gaat vaststellen, kan dit in het algemeen alleen door een fysieke controle van de goederen. U kunt de aard en samenstelling van goederen (laten) vaststellen door:

a. uw eigen bevindingen;

b. een deskundige;

c. een laboratoriumanalyse;

d. gebruikmaking van verklaringen van andere diensten.

Ad a

Als u door uw eigen deskundigheid de aard en samenstelling ter plaatse kunt vaststellen, dan vermeldt u uw bevindingen in het controledossier op het fyco-formulier.

Ad b

Als u de aard en samenstelling niet door uw eigen deskundigheid ter plaatse kunt vaststellen, maar dit kan wel door een geconsulteerde externe deskundige, dan moet deze deskundige een schriftelijke verklaring opmaken. Deze verklaring voegt u bij het controledossier. In de schriftelijke verklaring vermeldt de deskundige minimaal de volgende gegevens:

- zijn naam;

- zijn functie;

- de datum van opmaak van de verklaring;

- de plaats waar de verklaring is opgemaakt;

- zijn handtekening;

- een verklaring dat hij de goederen heeft onderzocht naar aard en samenstelling en zijn bevindingen hierover.

Voor deze schriftelijke verklaring is geen model vastgesteld.

Ad c

Wanneer de aard en samenstelling van het product uitsluitend kan worden vastgesteld door een laboratoriumanalyse of wanneer de hoogte van de restitutie afhankelijk is van een bepaald gehalte, dan moet u een monster nemen van de zending en dit voor onderzoek toezenden aan het douanelaboratorium.

(artikel 5, lid 1 en lid 2 Verordening (EEG) nr. 1276/2008)

Zie voor de juiste procedures rond de monsterneming, het vervoer en de afwerking van het onderzoek onderdeel 12.10.00, Monsterneming en monsteronderzoek, van dit Handboek.

Ad d

Bij het vaststellen van de aard en samenstelling van goederen kunt u gebruik maken van verklaringen van andere overheidsdiensten. Het aanvaarden van die verklaringen (en daarmee de daarin vermelde gegevens zoals aard en samenstelling van de goederen en het nettogewicht) is echter volgens Verordening (EG) nr. 1276/2008 geen reden om de betreffende goederen als fysiek gecontroleerd te beschouwen.

Dat geldt met name voor zogenaamde attesten, afgegeven door medewerkers van de AID, voor het toekennen van een bijzondere restitutie bij uitvoer van bepaald rundvlees (zie paragraaf 3.15 van onderdeel 20.01.00, Restituties, van dit Handboek). Hoewel de controle door de medewerkers van de AID op een hoog niveau wordt afgewerkt, is het ELGF van mening dat de Nederlandse Douane onafhankelijk van anderen fysieke controles moet uitvoeren op goederen die ten uitvoer worden aangegeven met aanspraak op restitutie. Om deze reden kunt u voor de toerekening van de fysieke controle op grond van Verordening (EG) nr. 1276/2008 niet uitsluitend afgaan op de controleresultaten van de AID. Wanneer u een aangifte ten uitvoer ontvangt voor goederen die al gekeurd zijn door de AID, moet u dus toch een onafhankelijke fysieke controle uitvoeren. Een uitzondering daarop vormen de elementen "volwassenheid" en "mannelijkheid" van runderen. Daarvoor kunt u de resultaten van de AID accepteren. De controle die u uitvoert, kan voor die twee elementen beperkt blijven tot het controleren van de geldigheid van het bij de goederen behorende attest. De elementen "nettogewicht" en "soort van de goederen" moet u echter wel zelfstandig vaststellen.

          Let op

In bijzondere gevallen, wanneer bijvoorbeeld de door de AID aangebrachte verzegeling van het vervoermiddel geschonden is, kunt u een genomen monster door het douanelaboratorium ook laten onderzoeken op het element "mannelijkheid". U moet dit dan expliciet vermelden op de aanvraag tot monsteronderzoek.

          Kwaliteitseisen aan de goederen

De kwaliteit van de goederen op de dag van uitvoer is bepalend voor het recht op restitutie (zie paragraaf 2.4.1 van onderdeel 20.01.00, Restituties, van dit Handboek). Als er geen bijzondere kwaliteitseisen aan de goederen zijn gesteld, dan geldt dat ze van gezonde handelskwaliteit moeten zijn. Goederen zijn van gezonde handelskwaliteit als ze:

- in normale omstandigheden;

- onder de op de restitutieaanvraag vermelde omschrijving;

- op het grondgebied van de Gemeenschap;

- in de handel kunnen worden gebracht.

Zie ook paragraaf 3.4.3.

Als de goederen bestemd zijn voor menselijke consumptie, dan moeten ze ook nog aan de volgende voorwaarde voldoen:

De kenmerken en de toestand van de goederen mogen niet van dien aard zijn dat de producten in het geheel niet - of slechts in aanzienlijk mindere mate - voor menselijke consumptie geschikt zijn.

Of de producten al dan niet aan de bovengenoemde eisen voldoen, wordt onderzocht aan de hand van in de Gemeenschap geldende normen en gebruiken.

Als u de gezonde handelskwaliteit controleert, moet u er met name op toezien dat de goederen niet zijn bedorven. Als de goederen bestemd zijn voor menselijke consumptie, moet u erop toezien dat ze hier nog geschikt voor zijn. Daarnaast geldt als extra voorwaarde dat de uiterste datum waarop het product mag worden verkocht aan de eindverbruiker (de uiterste verkoopdatum) niet te dicht bij de datum van uitvoer mag liggen

Het is niet noodzakelijk om bij de verificatie van de aangifte tot een nauwkeurige kwaliteitsbeoordeling van de goederen over te gaan. In het algemeen is het voldoende als u op organoleptische wijze (dat wil zeggen met gebruikmaking van al uw zintuigen) vaststelt of de goederen voldoen aan de voorwaarden van gezonde handelskwaliteit. Wanneer u een monster voor analyse inzendt naar het douanelaboratorium, dan kunt u echter ook de medewerkers van het laboratorium de gezonde handelskwaliteit laten vaststellen.

Als u concrete vermoedens heeft dat de goederen niet voldoen aan de eis van een gezonde handelskwaliteit, dan laat u een diepgaander onderzoek bij het douanelaboratorium instellen. Vermeld duidelijk op aanvraagformulier monsteronderzoek dat u een diepgaander onderzoek naar de gezonde handelskwaliteit wilt instellen. Op basis van de uitslag van het monsteronderzoek zal het douanelaboratorium u een advies geven of de goederen wel of niet van gezonde handelskwaliteit zijn. Hoe u in beide situaties moet handelen, wordt hieronder besproken.

Als uit het monsteronderzoek blijkt dat de goederen niet aan de eis van een gezonde handelskwaliteit voldoen, dan gaat u bij een elektronische aangifte als volgt te werk:

1. Vermeld in het systeem Sagitta-uitvoer dat de uit te voeren goederen niet voldoen aan de gezonde handelskwaliteit. Vermeld hierbij duidelijk de elementen die tot uw conclusie hebben geleid. In onderdeel 20.00.00 van dit Handboek en in de aanwijzingen in de handleiding Sagitta-uitvoer is voorgeschreven hoe u dit in het systeem moet vermelden.

2. Archiveer alle relevante bewijsstukken die betrekking hebben op deze controle in het controledossier.

Als uit het monsteronderzoek blijkt dat de goederen wel aan de eis van een gezonde handelskwaliteit voldoen, dan gaat u bij een elektronische aangifte als volgt te werk:

1. Vermeld in het systeem Sagitta-uitvoer dat u een onderzoek heeft ingesteld naar de gezonde handelskwaliteit en dat de uitslag daarvan conform is (de goederen voldoen aan de eis). In onderdeel 20.00.00 van dit Handboek en in de aanwijzingen in de handleiding Sagitta-uitvoer is voorgeschreven hoe u dit in het systeem moet vermelden.

2. Archiveer alle relevante bewijsstukken die betrekking hebben op deze controle in het controledossier.

Op basis van uw bevindingen beslist het productschap of er wel of geen betaling van de restitutie kan plaatsvinden.

Als uit het monsteronderzoek blijkt dat de goederen niet aan de eis van een gezonde handelskwaliteit voldoen, dan gaat u bij een schriftelijke aangifte als volgt te werk:

1. Vermeld in vak D/J van de schriftelijke aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F) dat de uit te voeren goederen niet voldoen aan de gezonde handelskwaliteit. Vermeld hierbij duidelijk de elementen die tot uw conclusie hebben geleid.

2. Vermeld het voorgaande tevens in het systeem Sagitta-uitvoer overeenkomstig de aanwijzingen van onderdeel 20.00.00 van dit Handboek, en de aanwijzingen in de handleiding Sagitta-uitvoer.

3. Archiveer alle relevante bewijsstukken die betrekking hebben op het niet voldoen aan de gezonde handelskwaliteit in het controledossier

Als uit het monsteronderzoek blijkt dat de goederen wel aan de eis van een gezonde handelskwaliteit voldoen, dan gaat u bij een schriftelijke aangifte als volgt te werk:

1. Vermeld in vak D/J van de schriftelijke aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F) dat u een onderzoek heeft ingesteld naar de gezonde handelskwaliteit en dat de uitslag daarvan conform is (de goederen voldoen aan de eis).

2. Vermeld het voorgaande tevens in het systeem Sagitta-uitvoer overeenkomstig de aanwijzingen van onderdeel 20.00.00 van dit Handboek, en de aanwijzingen in de handleiding Sagitta-uitvoer.

3. Archiveer alle relevante bewijsstukken die betrekking hebben op deze controle in het controledossier.

3.2.4. Nettogewicht vaststellen

Het nettogewicht van de uit te voeren goederen is in het algemeen essentieel voor de berekening van de te verlenen restitutie. Als uitgangspunt geldt dat u bij een fysieke controle in het kader van Verordening (EG) nr. 1276/2008 het gewicht altijd moet controleren.

Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken als de restitutie wordt berekend over het aantal (bijvoorbeeld eendagskuikens). In dat geval moet altijd het aantal gecontroleerd worden in plaats van het nettogewicht.

U moet het nettogewicht van de zending in principe vaststellen door het wegen van de hele aangeboden partij op een deugdelijke en geijkte weegschaal. Als het wegen van de hele partij niet mogelijk of doelmatig is, dan kunt u een gedeelte van de partij wegen en de resultaten van de weging omslaan over de hele partij. Zie hiervoor ook onderdeel 12.10.00, Monsterneming en monsteronderzoek van dit Handboek.

          Let op

Als de exporteur weegbriefjes overlegt, terwijl er geen sprake is van het gebruik van een geijkte gesloten automatische laad- en weeginstallatie, dan kunnen de weegbriefjes slechts ter ondersteuning van de door de Douane uitgevoerde weging worden gebruikt.

(bijlage I van Verordening (EG) nr. 1276/2008)

3.2.5. Nettogewicht vaststellen bij grote verpakkingseenheden

In paragraaf 3.2.4 is reeds vermeld dat het nettogewicht ook kan worden vastgesteld door een representatief deel van de totale zending te wegen en de bevindingen om te slaan over de gehele partij.

Bij restitutiegoederen die niet in kleinhandelsverpakkingen worden aangeboden kan deze werkwijze in de praktijk op bezwaren stuiten, omdat voor het vaststellen van de tarra een onevenredige hoeveelheid product verloren gaat.
Dit doet zich met name voor wanneer het bedrijf niet beschikt over een geijkte automatische gesloten weeginrichting zoals beschreven in Verordening (EG) nr. 1276/2008.

Voor restitutiegoederen verpakt in grote verpakkingseenheden zoals bijvoorbeeld dozen, zakken, vaten, bigbags en contabins is het daarom mogelijk gemaakt dat een bedrijf vooraf de gewichten van de in grote verpakkingseenheden die worden gebruikt (hierna te noemen referentiemateriaal) aan de Douane bekend maakt. Wanneer van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt moeten de afspraken daarover schriftelijk worden vastgelegd en, indien van toepassing, in een controleprogramma worden opgenomen danwel zijn opgenomen in het betreffende controledossier.

Werkzaamheden verlenen toestemming gebruik referentiemateriaal:

1. Stel vast welke specifieke grote verpakkingseenheden het bedrijf gebruikt bij de productie van goederen die met aanspraak op restitutie worden uitgevoerd;

2. Beschrijf nauwkeurig al die verpakkingssoorten in relatie met mogelijk gebruikte interne verpakkingscodes;

3. Stel van elk type verpakkingsmiddel het nettogewicht vast met behulp van een geeikte weeginstallatie;

4. Maak van de beoordeling een verslag. Het verslag wordt tenminste geactualiseerd indien er een wijziging optreedt in de gebruikte verpakkingsmaterialen.

Nadat deze stappen zijn ondernomen kan het referentiemateriaal dienen als basis voor de controle van het nettogewicht bij de ingestelde fysieke controle, Verordening (EG) nr. 1276/2008.

Aanvullend op deze methode kunnen ook voorbeeldverpakkingen worden bijgeleverd. Deze verpakkingen kunnen dan als referentiemateriaal worden gebruikt bij de controle van het nettogewicht als de referentieverpakking overeenkomt met de verpakking van de aangegeven partij. Voor de hoeveelheden te wegen lege en volle verpakkingen kan de tabel als opgenomen onder paragraaf 6.2.6 onderdeel 12.00.00 worden gebruikt. Wel moet in dat geval worden vastgesteld dat de bijgeleverde lege verpakkingen identiek zijn aan de gebruikte verpakkingen.

Werkzaamheden tijdens fysieke controle

Naast de gebruikelijke werkzaamheden die u verricht tijdens een fysieke controle van landbouwgoederen met aanspraak op restitutie om het tarra-gewicht vast te stellen verricht u de volgende werkzaamheden:

1. Stel vast of het bedrijf terecht een beroep doet op de mogelijkheid om het gewicht van de grote verpakkingseenheid vast te stellen aan de hand van referentiemateriaal.

2. Het gebruikte referentiemateriaal moet duidelijk in het fycoformulier worden omschreven.

Wanneer er afwijkingen in het gewicht van de verpakking worden geconstateerd wordt overgegaan tot de algemene methode van gewichtvaststelling.

Ook met het toepassen van deze referentiemethode blijft de mogelijkheid bestaan om steekproefsgewijs, verpakkingen te legen om daarmee deze controlemogelijkheid aanvullend te toetsen.

3.3. Nadere bepalingen

In deze paragraaf worden de volgende nadere bepalingen behandeld:

- controle aard en samenstelling in bijzondere gevallen (paragraaf 3.3.1);

- controle aard en samenstelling van goederen bij mengsels (paragraaf 3.3.2);

- controle aard en samenstelling van goederen bij vereenvoudigde aangifte ten uitvoer van industriële landbouwproducten (paragraaf 3.3.3);

- controle aard en samenstelling bij gerst en tarwe (paragraaf 3.3.4);

- controle nettogewicht bij gebruik van gesloten weeginrichtingen (paragraaf 3.3.5);

- controle nettogewicht bij gebruik e-teken (paragraaf 3.3.6);

- controle van levende runderen (paragraaf 3.3.7);

- controle prijs franco grens voor kaas (paragraaf 3.3.8);

- controle EEG-keurmerk (paragraaf 3.3.9);

- restitutie over het nettogewicht van kaas(paragraaf 3.3.10).

          Let op

Voor bepaalde situaties is de manier waarop de fysieke controle moet worden uitgevoerd, dwingend voorgeschreven. Deze situaties zijn opgenomen in bijlage I van Verordening (EG) nr. 1276/2008. Ter verduidelijking van de procedures in die bijlage, zijn in bijlage 2 stroomschema's opgenomen van de verschillende stappen die tijdens de procedures moeten worden genomen.

3.3.1. Controle aard en samenstelling in bijzondere gevallen

Voor bereidingen en conserven van de posten 1601 0091, 1601 0099, 1602 4110, 1602 4210 en 1602 4919 bestaat een fysieke controle als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1276/2008 uit:

- een organoleptisch onderzoek (door gebruikmaking van de zintuigen);

- fysische en chemische analyses door het douanelaboratorium, uitgevoerd overeenkomstig de in bijlage 2 van Verordening (EG) nr. 903/2008 vermelde methoden.

Monsterneming is ook noodzakelijk bij de fysieke controle van voor uitvoer bestemde industriële landbouwproducten, waarop de regeling genoemd in artikel 47 van Verordening (EU) nr. 578/2010 van toepassing is. Deze regeling houdt in dat voor goederen die genoemd zijn in bijlage IV van deze verordening en waarvan de samenstelling aan de belanghebbende niet bekend is, restitutie kan worden verleend. De restitutie wordt in dit geval berekend op basis van de gegevens die door het douanelaboratorium worden vastgesteld. Om van de regeling gebruik te kunnen maken moet de aangever hiervoor een verzoek indienen. Hij doet dit door in vak 44 van het landbouwformulier L(F) het volgende te vermelden:

"Artikel 47 van Verordening (EU) nr. 578/2010 "

De aangever draagt in dit geval de kosten van het monsteronderzoek. De kosten worden door het douanelaboratorium rechtstreeks aan hem in rekening gebracht.

3.3.2. Controle aard en samenstelling van goederen bij mengsels

Er gelden bijzondere regels voor de berekening van de te verlenen restitutie voor mengsels van de hoofdstukken 2, 10 en 11 van het geharmoniseerd systeem (zie paragraaf 3.10 van onderdeel 20.01.00, Restituties, van dit Handboek). De samenstelling van een mengsel en de onderlinge verhouding van de diverse bestanddelen moet de aangever daarom zowel op de aangifte ten uitvoer als (in voorkomend geval) op het landbouwformulier L(F) vermelden. Dit geldt ook voor het (eventueel) overgelegde uitvoercertificaat (zie hiervoor paragraaf 2.3.1 van onderdeel 20.03.00, Uitvoercertificaten landbouwgoederen, van dit Handboek). Controle op de samenstelling van deze mengsels is in het algemeen alleen mogelijk door een monsteronderzoek.

In dit verband kunnen vijf verschillende situaties worden onderscheiden die elk op een andere manier moeten worden afgewerkt. Hierna volgt daarom een voorbeeld voor elk van de vijf situaties met de manier waarop de aangifte ten uitvoer, het landbouwformulier L(F) en het uitvoercertificaat dan moeten worden afgewerkt.

Bij alle beschreven situaties worden de volgende gegevens als uitgangspunt gebruikt:

- Er wordt een schriftelijke aangifte ten uitvoer bij de Douane ingediend waarbij een landbouwformulier L(F) voor de aanvraag om restitutie wordt overgelegd en een uitvoercertificaat waarop de restitutie vooraf is vastgesteld.

- In zowel de aangifte ten uitvoer als het landbouwformulier L(F) is in vak 31 de omschrijving van de goederencode vermeld die hoort bij goederensoort "A". In vak 33 is de bij "A" behorende goederencode opgegeven. In vak 15 van het uitvoercertificaat is de goederenomschrijving die behoort bij goederencode "A" vermeld. In vak 16 is de goederencode van "A" vermeld.

- In geen van de drie bescheiden is aangegeven dat de goederen bestaan uit een mengsel van hoofdstuk 2, 10 of 11 van de Gecombineerde Nomenclatuur.

- "A" is een goederensoort die is vermeld in hoofdstuk 2 van de Gecombineerde Nomenclatuur.

- Voor goederensoort "A" is een hogere restitutie van toepassing dan voor goederensoort "B".

- Goederensoort "A" en goederensoort "B" behoren niet:

- tot dezelfde categorie zoals bedoeld in artikel 13 van Verordening (EG) 376/2008;

- tot dezelfde productgroep die is bepaald volgens artikel 195 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 of het overeenkomstige artikel van een andere marktordening zoals bedoeld in artikel 4, lid 2 van Verordening (EG) nr. 612/2009.

          Let op

In de uitwerking van de situaties is geen aandacht geschonken aan het feit of er wel of geen proces-verbaal moet of kan worden opgemaakt wanneer er een onjuiste aangifte ten uitvoer is ingediend, en ook niet aan het feit of er een sanctie op grond van artikel 48 Verordening (EG) nr. 612/2009 kan worden opgelegd.

Als u een aangifte ten uitvoer van mengsels verifieert, kunt u de volgende situaties aantreffen:

- De goederen zijn geen mengsel en worden op grond van hun kenmerken in GN-code "A" ingedeeld.

- De goederen zijn geen mengsel en worden op grond van hun kenmerken in GN-code "B" ingedeeld.

- De goederen bestaan uit een mengsel waarbij "A" ≥ 90% en "B" ≤ 10%.

- De goederen bestaan uit een mengsel waarbij 50% < "A" ≤ 90% en 50% > "B" ≥ 10%.

- De goederen bestaan uit een mengsel waarbij 0% ≤ "A" < 50% en 100% ≥ "B" > 50%.

In de uitwerking van deze situaties staat telkens eerst de situatie vermeldt zoals u die aantreft bij controle van de goederen. Die situatie wordt vergeleken met de gegevens die op de schriftelijke aangifte ten uitvoer, het landbouwformulier L(F) en het uitvoercertificaat staan. Die gegevens zijn hierboven bij "Uitgangspunten" geformuleerd.

          De goederen zijn geen mengsel en worden gelet op hun kenmerken in GN-code "A" ingedeeld

De aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F) zijn beide conform.

Bij een aangifte die conform is, gaat u in dit geval als volgt te werk:

1. Werk de aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F) op de gebruikelijke manier af.

2. Schrijf het uitvoercertificaat voor de betreffende hoeveelheid af. Zie onderdeel 20.03.00, Uitvoercertificaten landbouwgoederen, van dit Handboek.

3. Geef de goederen vrij voor uitvoer op grond van artikel 73 CDW.

          De goederen zijn geen mengsel en worden op grond van hun kenmerken in GN-code "B" ingedeeld

De aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F) zijn beide niet conform, omdat de aangever de verkeerde goederencode op de aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F) heeft vermeld.

Om de elektronische aangifte te corrigeren, gaat u als volgt te werk:

1. Vermeld in het systeem Sagitta-uitvoer de feiten die u heeft vastgesteld bij de verificatie.

2. Corrigeer de door de aangever vermelde goederencode van GN-code "A" in GN-code "B". In onderdeel 20.00.00 van dit Handboek en in de aanwijzingen in de handleiding Sagitta-uitvoer is voorgeschreven hoe u dit in het systeem moet vermelden.

Om de schriftelijke aangifte te corrigeren, gaat u als volgt te werk:

1. Vermeld in het vak D/J van zowel de schriftelijke aangifte ten uitvoer als het landbouwformulier L(F) de feiten die zijn vastgesteld bij de verificatie.

2. Corrigeer de door de aangever vermelde goederencode in vak 33 van GN-code "A" in GN-code "B".

3. Vermeld het voorgaande tevens in het systeem Sagitta-uitvoer overeenkomstig de aanwijzingen van onderdeel 20.00.00 van dit Handboek en de aanwijzingen, in de handleiding Sagitta-uitvoer.

De uit te voeren goederen zijn nu andere goederen dan die die zijn vermeld op het aangeboden uitvoercertificaat. Op het uitvoercertificaat staan de goederen ingedeeld onder GN-code "A", terwijl de goederen die bij verificatie zijn aangetroffen onder GN-code "B" vallen. Het uitvoercertificaat is dus niet meer van toepassing op deze zending. U retourneert daarom het uitvoercertificaat onbehandeld aan de aangever.

Voor de vrijgave van de goederen die niet meer het juiste uitvoercertificaat hebben, gaat u als volgt te werk:

1. Controleer of de goederen voor uitvoer kunnen worden vrijgegeven op grond van artikel 73 CDW. Dit is afhankelijk van het feit of er voor de goederen onder GN-code "B" zonder een uitvoercertificaat een uitvoerverbod geldt of niet. Er zijn twee mogelijkheden:

    - Als er voor de goederen onder GN-code "B" een uitvoerverbod geldt en er geen ontheffing van dit uitvoerverbod wordt overgelegd in de vorm van een uitvoercertificaat, dan kunt u deze goederen niet vrijgeven voor uitvoer. U kunt de goederen pas vrijgeven voor uitvoer als u een uitvoercertificaat heeft ontvangen waarop als goederensoort "B" is vermeld.

    - Als er voor de goederen onder GN-code "B" geen uitvoerverbod geldt, dan kunt u de goederen vrijgeven voor uitvoer.

          Let op

De consequentie van uitvoer zonder uitvoercertificaat is wel dat er voor de goederen onder GN-code "B" waarschijnlijk geen restitutie verleend kan worden. Voor de vrijgave van de goederen zonder uitvoercertificaat moet u hierover eerst overleggen met de aangever, om hem in de gelegenheid te stellen alsnog een certificaat voor "B" te overleggen.

          De goederen bestaan uit een mengsel waarbij "A" ≥ 90% en "B" ≤ 10%

In deze situatie moeten de aangifte ten uitvoer, het landbouwformulier L(F) en het uitvoercertificaat apart worden bekeken.

De aangifte ten uitvoer is niet conform, omdat de samenstelling van het goed niet in vak 31 van de aangifte ten uitvoer is vermeld. Overeenkomstig bijlage 37 van de TVo. CDW, juncto bijlage VI van de Algemene douaneregeling moeten in vak 31 van de aangifte ten uitvoer ook de gegevens worden vermeld die eventueel op grond van bijzondere voorschriften zijn vereist (accijns, omzetbelasting, landbouwrestitutie et cetera).

De aangifte is voor wat betreft de GN-code wel conform; de goederen blijven ingedeeld onder GN-code "A".

Om de elektronische aangifte ten uitvoer te corrigeren of aan te vullen, gaat u als volgt te werk:

1. Vermeld in het systeem Sagitta-uitvoer de bevonden samenstelling van het mengsel.

2. Maak een verwijzing naar artikel 13 Verordening (EG) nr. 612/2009. In paragraaf 3.11 van de Handleiding Douane Sagitta uitvoer (hierna Handleiding DSU) is voorgeschreven hoe u dit in het systeem moet vermelden.

Om de schriftelijke aangifte ten uitvoer te corrigeren of aan te vullen, gaat u als volgt te werk:

1. Corrigeer de tekst of vul de tekst van vak 31 aan, in vak D/J van de schriftelijke aangifte ten uitvoer, met de bevonden samenstelling van het mengsel.

2. Verwijs bij deze correctie/aanvulling naar artikel 13 Verordening (EG) nr. 612/2009.

3. Vermeld het voorgaande tevens in het systeem Sagitta-uitvoer overeenkomstig de aanwijzingen van onderdeel 20.00.00 van dit Handboek en de aanwijzingen in de handleiding Sagitta-uitvoer.

Het landbouwformulier L(F) is niet conform, omdat de aangever de samenstelling van het goed niet op het landbouwformulier L(F) heeft vermeld. De samenstelling van de goederen moet overeenkomstig artikel 5, lid 4 van Verordening (EG) nr. 612/2009 op het landbouwformulier L(F) worden vermeld wanneer dit nodig is voor de berekening van de restitutie. In dit geval is de samenstelling van het goed nodig voor de berekening van de restitutie gelet op artikel 13 Verordening (EG) nr. 612/2009 juncto artikel 12 Verordening (EG) nr. 376/2008.

Om het landbouwformulier L(F) te corrigeren of aan te vullen, gaat u als volgt te werk:

1. Corrigeer de tekst of vul de tekst van vak 31 aan, in vak D/J van het landbouwformulier L(F), met de bevonden samenstelling van het mengsel.

2. Verwijs bij deze correctie/aanvulling naar artikel 13 Verordening (EG) nr. 612/2009.

          Let op

Door de bevonden samenstelling van de goederen zal het betreffende productschap voor de hele zending de restitutie verlenen die van toepassing is voor GN-code "A".

Het uitvoercertificaat met GN-code "A" kan in dit geval gewoon dienen voor deze zending goederen. U schrijft het uitvoercertificaat af voor de hele uitgevoerde hoeveelheid.

U kunt de goederen op grond van artikel 73 CDW vrijgeven voor uitvoer.

          De goederen bestaan uit een mengsel waarbij 50% < "A" ≤ 90% en 50% > "B" ≥ 10%

In deze situatie moeten de aangifte ten uitvoer, het landbouwformulier L(F) en het uitvoercertificaat apart worden bekeken.

De aangifte ten uitvoer is niet conform, omdat de samenstelling van het goed niet in vak 31 van de aangifte ten uitvoer is vermeld. Overeenkomstig bijlage 37 van de TVo. CDW juncto bijlage VI van de Algemene douaneregeling moeten in vak 31 van de aangifte ten uitvoer onder andere de gegevens worden vermeld die eventueel op grond van bijzondere voorschriften zijn vereist (accijns, omzetbelasting, landbouwrestitutie et cetera).

Om de elektronische aangifte ten uitvoer te corrigeren of aan te vullen, gaat u als volgt te werk:

1. Vermeld in het systeem Sagitta-uitvoer de bevonden samenstelling van het mengsel.

2. Maak een verwijzing naar artikel 13 Verordening (EG) nr. 612/2009. In paragraaf 3.11 van de Handleiding DSU is voorgeschreven hoe u dit in het systeem moet vermelden.

Om de schriftelijke aangifte ten uitvoer te corrigeren of aan te vullen, gaat u als volgt te werk:

1. Corrigeer de tekst of vul de tekst van vak 31 aan, in vak D/J van de aangifte ten uitvoer, met de bevonden samenstelling van het mengsel.

2. Verwijs bij deze correctie/aanvulling naar artikel 13 Verordening (EG) nr. 612/2009.

3. Vermeld het voorgaande tevens in het systeem Sagitta-uitvoer overeenkomstig de aanwijzingen van onderdeel 20.00.00 Voorschrift Sagitta-uitvoer van dit Handboek en de aanwijzingen in paragraaf 3.11 van de Handleiding DSU.

Het landbouwformulier L(F) is niet conform, omdat de aangever de samenstelling van het goed niet op het landbouwformulier L(F) heeft vermeld. De samenstelling van de goederen moet overeenkomstig artikel 5, lid 4 van Verordening (EG) nr. 612/2009 op het landbouwformulier L(F) worden vermeld wanneer dit nodig is voor de berekening van de restitutie. In dit geval is de samenstelling van het goed nodig voor de berekening van de restitutie gelet op artikel 13 Verordening (EG) nr. 612/2009 juncto artikel 12 Verordening (EG) nr. 376/2008.

Om het landbouwformulier L(F) te corrigeren of aan te vullen, gaat u als volgt te werk:

1. Corrigeer de tekst of vul de tekst aan van vak 31, in vak D/J van het landbouwformulier L(F), met de bevonden samenstelling van het mengsel.

2. Verwijs bij deze correctie/aanvulling naar artikel 13 Verordening (EG) nr. 612/2009.

          Let op

Door de bevonden samenstelling van de goederen zal het betreffende productschap voor de hele zending de restitutie verlenen die van toepassing is voor de goederen onder GN-code "B".

(artikel 13 Verordening (EG) nr. 612/2009)

Het uitvoercertificaat kan in dit geval gewoon dienen voor de uitvoer omdat de goederen blijven ingedeeld onder GN-code "A". De restitutie die het betreffende productschap zal verstrekken, is echter die van GN-code "B". (artikel 12 Verordening (EG) nr. 378/2008).

Of dit restitutiebedrag nog verder wordt aangepast op grond van andere communautaire of nationale bepalingen, wordt hier buiten beschouwing gelaten.

U kunt de goederen op grond van artikel 73 CDW vrijgeven voor uitvoer.

          De goederen bestaan uit een mengsel waarbij 0% ≤ "A" < 50% en 100% ≥ "B" ≥ 50%

De aangifte is, gelet op de algemene indelingsregels van het tarief, niet conform. De zending moet worden ingedeeld onder GN-code "B".

Om de elektronische aangifte te corrigeren, gaat u als volgt te werk:

1. Vermeld in het systeem Sagitta-uitvoer de feiten die u bij de verificatie heeft vastgesteld.

2. Corrigeer de door de aangever vermelde goederencode van GN-code "A" in GN-code "B". In onderdeel 20.00.00 van dit Handboek en in de aanwijzingen opgenomen in de handleiding Sagitta-uitvoer is voorgeschreven hoe u dit in het systeem moet vermelden.

Om de schriftelijke aangifte te corrigeren, gaat u als volgt te werk:

1. Vermeld in het vak D/J van zowel de schriftelijke aangifte ten uitvoer als het landbouwformulier L(F) de feiten die zijn vastgesteld bij de verificatie.

2. Corrigeer zowel in de schriftelijke aangifte ten uitvoer als in het landbouwformulier L(F) de door de aangever vermelde goederencode in vak 33 van GN-code "A" in GN-code "B".

3. Vermeld het voorgaande tevens in het systeem Sagitta-uitvoer overeenkomstig de aanwijzingen van onderdeel 20.00.00 van dit Handboek en de aanwijzingen in de handleiding Sagitta-uitvoer.

De uit te voeren goederen zijn nu andere goederen dan die die zijn vermeld op het aangeboden uitvoercertificaat. Op het uitvoercertificaat staan de goederen ingedeeld onder GN-code "A", terwijl de goederen die bij verificatie zijn aangetroffen onder GN-code "B" vallen. Het uitvoercertificaat is dus niet meer van toepassing op deze zending. U retourneert daarom het uitvoercertificaat onbehandeld aan de aangever.

Voor de vrijgave van de goederen die niet meer het juiste uitvoercertificaat hebben, gaat u als volgt te werk:

1. Controleer of de goederen voor uitvoer kunnen worden vrijgegeven op grond van artikel 73 CDW. Dit is afhankelijk van het feit of er voor de goederen onder GN-code "B" zonder een uitvoercertificaat een uitvoerverbod geldt of niet. Er zijn twee mogelijkheden:

    - Als er voor de goederen onder GN-code "B" een uitvoerverbod geldt en er geen ontheffing van dit uitvoerverbod wordt overgelegd in de vorm van een uitvoercertificaat, dan kunt u deze goederen niet vrijgeven voor uitvoer. U kunt de goederen pas vrijgeven voor uitvoer als u een uitvoercertificaat heeft ontvangen waarop als goederensoort "B" is vermeld.

    - Als er voor de goederen onder GN-code "B" geen uitvoerverbod geldt, dan kunt u de goederen vrijgeven voor uitvoer.

          Let op

De consequentie van uitvoer zonder uitvoercertificaat is wel dat er voor de goederen onder GN-code "B" waarschijnlijk geen restitutie verleend kan worden. Voor de vrijgave van de goederen zonder uitvoercertificaat moet u hierover eerst overleggen met de aangever om hem in de gelegenheid te stellen alsnog een certificaat voor "B" te overleggen.

3.3.3. Controle aard en samenstelling van goederen bij vereenvoudigde aangifte ten uitvoer van industriële landbouwproducten

Het Hoofdproductschap Akkerbouw kan aan exporteurs toestemming verlenen om bij de export van industriële landbouwproducten een vereenvoudigde aangifte ten uitvoer en een aanvraag om restitutie in te dienen (zie paragraaf 2.1.3, onder "Vereenvoudigde aangifte bij de uitvoer van industriële landbouwproducten").

U kunt deze vereenvoudigde aangiften herkennen door het toestemmingsnummer en de datum van de toestemming van de verleende vergunning die de aangever in de aangifte moet vermelden. De Algemene Inspectiedienst controleert door middel van administratieve controle of de aan het productschap opgegeven samenstelling van de goederen juist is. De Douane blijft echter verantwoordelijk voor de juiste indeling van de goederen bij de aangifte ten uitvoer. Het kan zijn dat de uitslag van een ingesteld monsteronderzoek aanleiding geeft tot het toepassen van een andere GN-code dan de aangever heeft aangegeven. In dat geval moet u op het formulier voor beëindiging van de verificatie dat bestemd is voor het Hoofdproductschap Akkerbouw, de volledige bevinding van het douanelaboratorium vermelden. Dit is van groot belang, omdat deze gegevens gebruikt worden bij de controle door de Algemene Inspectiedienst van de betreffende aangemelde receptuur.

3.3.4. Controle aard en samenstelling bij gerst en tarwe

Voor gerst en tarwe die vreemde bestanddelen (verontreinigingen, andere zaden en dergelijke) bevatten, heeft het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie nadere criteria vastgesteld:

- Bij minder dan 2% vreemde bestanddelen vindt er een volledige toekenning van de restitutie plaats.

- Als het percentage vreemde bestanddelen tussen de 2% en 5% ligt, wordt geen restitutie verleend over dat aandeel.

- Als het percentage vreemde bestanddelen meer dan 5% bedraagt, wordt voor de totale partij geen restitutie verleend.

Om het percentage vreemde bestanddelen te bepalen, moet u een monster van de betreffende partij nemen en dit door het douanelaboratorium op vreemde bestanddelen laten onderzoeken. Als u op basis van de uitslag van het monsteronderzoek vaststelt dat het percentage vreemde bestanddelen boven de 2% uitkomt, dan vermeldt u in vak D/J het percentage als bevinding bij de verificatie op de aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F). U voert geen correctie van het aangegeven nettogewicht uit.

3.3.5. Controle nettogewicht bij gebruik van gesloten weeginrichtingen

Als de exporteur voor het laden van onverpakte goederen gebruik maakt van geijkte, gesloten, automatische laad- en weeginstallaties, dan gaat u bij het vaststellen van het nettogewicht als volgt te werk:

1. Neem de uitkomst van de betreffende laad- en weeginstallatie als resultaat van de controle over.

2. Neem de bewijzen van die weging in het controledossier op (zie ook paragraaf 3.1.3, onder "Verslaglegging van de fysieke controle in een controledossier").

De genoemde laad- en weeginrichtingen worden steekproefsgewijs door de Douane gecontroleerd. Leg de resultaten van deze controle vast en neem ze in het klantdossier op.

In verband met de vele voorwaarden waaraan moet worden voldaan en de complexe formulering van bijlage 1 van Verordening (EG) nr. 1276/2008, zijn ter verduidelijking hiervan in bijlage 2 stroomschema's opgenomen.

3.3.6. Controle nettogewicht bij gebruik van e-teken

Als goederen zijn afgevuld in kleinhandelsverpakkingen conform de e-norm en voorzien zijn van het e-teken of van een vervangend teken; zie ook punt 3 van bijlage 1 van Verordening (EG) nr. 1276/2008, dan hoeft u bij de fysieke controle in het kader van de verificatie van de aangifte ten uitvoer geen gewichtscontrole uit te voeren. U voert wel aan de hand van de aangifte een telling van de goederen uit.

          Let op

Als er restitutie wordt aangevraagd voor een hoger gewicht dan is vermeld volgens het e-teken of vervangend e-teken, moet u op de gebruikelijke wijze een gewichtscontrole uitvoeren en kan geen gebruik worden gemaakt van de controlesystematiek zoals hierboven beschreven. Zie voor de wijze van monstername ook onderdeel 12.10.00, paragraaf 2.3.3 van dit Handboek.

De regeling E-gewichten wordt steekproefsgewijs bij de betreffende bedrijven door de Douane gecontroleerd. Leg de resultaten van deze controle vast en neem ze in het klantdossier op. De steekproefsgewijze controle gebeurt onafhankelijk van concrete aangiften en naast de controle door andere controlediensten (zoals het Nederlands Meet Instituut en de VWA). In bijlage 4 van onderdeel 12.10.00, Monsterneming en monsteronderzoek, van dit Handboek, zijn de bedrijven opgenomen die gerechtigd zijn tot het voeren van het e-teken of vervangend e-teken op de verpakking.

In verband met de vele voorwaarden waaraan moet worden voldaan en de complexe formulering van bijlage 1 van Verordening (EG) nr. 1276/2008, zijn ter verduidelijking hiervan in bijlage 2 stroomschema's opgenomen.

3.3.7. Controle van levende runderen

Bij de controle van de aangifte ten uitvoer met aanspraak op restitutie voor levende runderen, moet u er rekening mee houden dat de exportgoederen levende dieren zijn. U moet bij de controle vooral rekening houden met de snelheid waarmee de dieren worden geladen, de controles die door andere diensten worden uitgevoerd en de communautaire bepalingen die in het kader van een diervriendelijk transport zijn opgesteld. Hierna worden de volgende situaties beschreven:

- controles door de ambtenaren van de Voedsel en Warenautoriteit (VWA);

- controle door de Douane op het kantoor van uitvoer.

          Controles door de ambtenaren van de Voedsel en Warenautoriteit (VWA)

Voordat levende runderen geëxporteerd mogen worden naar een derde land, moet een ambtenaar van de VWA de keuring van Vee en Vlees de dieren keuren. De ambtenaar van de VWA keurt de runderen volgens de eisen die worden gesteld in het land van bestemming. Dit betekent dat de keuringseisen kunnen verschillen afhankelijk van de bestemming van de runderen. Sommige landen eisen een verregaande controle van de gezondheid van de dieren, waarbij zelfs bloedonderzoek van de individuele dieren moet plaatsvinden. Andere landen stellen minder strenge eisen. De keuring kan zowel geruime tijd voorafgaand aan de uitvoer worden uitgevoerd (bij bloedonderzoek zelfs drie weken), als pas kort ervoor.

          Als de dieren voldoen aan de gezondheidseisen van het land van bestemming, geeft de ambtenaar van de VWA voor deze dieren een gezondheidscertificaat in tweevoud af. Zonder gezondheidscertificaat geldt er een uitvoerverbod op grond van artikel 77 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren en mogen de dieren niet worden geëxporteerd.

          Voor en tijdens het laden van het uitgaande vervoermiddel keurt de ambtenaar van de VWA of de runderen reiswaardig zijn. Hij controleert visueel of de dieren bijvoorbeeld niet ziek zijn geworden en of ze niets hebben gebroken. Alleen voor de dieren die reisvaardig zijn, maakt de ambtenaar van de VWA een welzijnscertificaat op. Zonder welzijnscertificaat mogen de dieren niet worden vervoerd. De dieren moeten vervolgens worden vervoerd in een vervoermiddel dat door de ambtenaar van de VWA is verzegeld.

          Zie voor meer informatie Voorschrift Veterinair.

          Controle door de Douane op het kantoor van uitvoer

          Bij de controle van de aangifte ten uitvoer met aanspraak op restitutie moet de Douane met name die elementen controleren die van belang zijn voor de verstrekking van de restitutie (zie ook paragraaf 3.2.1).

          Bij de uitvoer van levende runderen zijn dit met name de volgende elementen:

- gezonde handelskwaliteit;

- restitutiecode;

- nettogewicht.

Hierna wordt ingegaan op de controle van deze elementen.

          Voor de restitutieverlening van levende runderen is het van belang dat de dieren van gezonde handelskwaliteit zijn (zie voor meer informatie over de gezonde handelskwaliteit paragraaf 3.13.1, van onderdeel 20.01.00, Restituties, van dit Handboek). Als voor de te exporteren dieren een gezondheidscertificaat is afgegeven, dan voldoen zij automatisch aan dit criterium.

          Als u in het kader van een fysieke controle moet controleren of de dieren van gezonde handelskwaliteit zijn, controleert u of de oormerken van de dieren overeenkomen met de oormerklijst van de dieren waarvoor het gezondheidscertificaat is afgegeven. Deze oormerklijst is aan het gezondheidscertificaat gehecht.

          Bij runderen zijn verschillende aspecten van belang voor het bepalen van de restitutiecode. Wanneer u in het kader van de controle van de aangifte ten uitvoer moet controleren of de ten uitvoer aangeboden dieren overeenkomen met de opgegeven restitutiecode, moet u controleren:

a. of het dier de juiste leeftijd heeft;

b. of het dier wel of geen vaars is;

c. of het dier wel of geen fokdier van zuiver ras is;

d. of het dier het vermelde individuele nettogewicht heeft;

          Ad a

Controleer met behulp van het exportcertificaat de leeftijd van het rund. Op het exportcertificaat staat de geboortedatum van het rund vermeld.

          Ad b

          Wanneer het rund staat aangegeven als vaars (een rund dat nog geen kalf heeft geworpen), gaat u bij de controle daarvan als volgt te werk. Op het exportcertificaat staan de data van de inseminaties (de kunstmatige bevruchtingen) vermeld. Een rund heeft een draagtijd van ongeveer negen maanden. Wanneer er meerdere inseminatiedata op het exportcertificaat zijn vermeld of wanneer de inseminatiedatum langer dan negen maanden geleden is, is het aannemelijk dat het rund al heeft gekalfd. De exporteur moet nu aanvullend bewijs leveren om aan te tonen dat het rund niet heeft gekalfd 1) en dus nog steeds een vaars is. Wanneer de exporteur geen aanvullend bewijs kan leveren, dan kunt u aannemen dat het rund geen vaars meer is.

          .....

          1) Bijvoorbeeld een verklaring van een veearts dat het rund wegens abortus bang het jong niet heeft voldragen.

          Ad c

          Wanneer het rund is aangegeven als een fokdier van zuiver ras, dan moet de exporteur bij de aangifte ten uitvoer een exportcertificaat per dier overleggen. Met het oormerknummer dat op het exportcertificaat is vermeld en het oormerk van het dier controleert u of het ten uitvoer aangeboden rund een fokdier van zuiver ras is. Bij verificatie aan de hand van bescheiden vergelijkt u het oormerknummer dat op het exportcertificaat staat met het oormerknummer op het gezondheidscertificaat.

Ad d

Voor bepaalde restitutiecodes is voorgeschreven dat alle dieren individueel zwaarder (of lichter) moeten zijn dan een bepaalde gewichtsgrens.

Wanneer u in het kader van de fysieke controle moet vaststellen of alle ten uitvoer aangeboden dieren individueel voldoen aan het voor de aangegeven restitutiecode geldende gewichtscriterium, dan kunt u dit doen op een van de volgende manieren:

- Laat alle dieren individueel wegen op een geschikte weegschaal; de weegbescheiden voegt u in het fycodossier.

          Let op

Deze methode is niet verplicht voorgeschreven vanwege de praktische problemen die deze werkwijze op kan leveren. Er is bijvoorbeeld geen weegschaal aanwezig waarop de dieren individueel kunnen worden gewogen, de dieren ondervinden onnodig stress en dergelijke.

- Beoordeel of de dieren individueel voldoen aan de gestelde gewichtsgrenzen als u zelf ter zake kundig bent om dit te kunnen beoordelen.

          Let op

In het fycodossier neemt u een speciale verklaring op dat u op basis van uw eigen deskundigheid heeft vastgesteld dat alle dieren individueel voldoen aan de gestelde gewichtsgrenzen.

- Raadpleeg een externe deskundige als u niet zelf ter zake (voldoende) deskundig bent om te kunnen beoordelen of alle dieren individueel voldoen aan de gestelde gewichtsgrenzen. De externe deskundige geeft een verklaring af waarop staat welke dieren voldoen aan de individuele gewichtscriteria (zie voor de voorwaarden die hiervoor gelden paragraaf 3.2.3).

Wanneer u in het kader van de fysieke controle moet vaststellen of het totale nettogewicht van de dieren overeenkomt met het aangegeven nettogewicht op de aangifte ten uitvoer, dan kunnen twee verschillende situaties voorkomen:

- De aangever dient de aangifte ten uitvoer schriftelijk in, waarbij de al in het vervoermiddel geladen dieren aan het kantoor van uitvoer worden aangebracht.

- De aangever dient de aangifte ten uitvoer elektronisch in, waarbij de dieren nog in het vervoermiddel moeten worden geladen.

Wanneer u in het kader van de fysieke controle belast bent met de controle van het nettogewicht van runderen die ten uitvoer worden aangeboden met een schriftelijke aangifte, gaat u als volgt te werk:

1. Laat het uitgaande vervoermiddel onder uw toezicht samen met de runderen in zijn geheel wegen (brutogewicht).

2. Laat het vervoermiddel onder uw toezicht wegen nadat de runderen zijn uitgeladen (tarragewicht).

3. Stel het nettogewicht van de runderen vast door het tarragewicht van het brutogewicht af te trekken.

          Let op

- Bij het weer inladen van de runderen moet u controleren of het om dezelfde runderen gaat als de eerder uitgeladen runderen.

- U moet continue ambtelijk toezicht uitoefenen op het vervoermiddel tussen het moment dat het brutogewicht wordt bepaald en het moment dat het tarragewicht wordt bepaald om te voorkomen dat tussen deze twee momenten stro, brandstof, water of iets dergelijks uit het vervoermiddel wordt uitgeladen. Als dit zou gebeuren zonder dat u dit merkt, dan wordt het tarragewicht lager waardoor het nettogewicht van de runderen hoger wordt. Hierover zou dan ten onrechte ook restitutie worden verleend.

- Als de exporteur bij de aangifte ten uitvoer weegbonnen overlegt van de door hem zelf uitgevoerde brutoweging en tarraweging, dan is dit uitsluitend aanvullend bewijs. U mag in het kader van een fysieke controle niet uitsluitend afgaan op deze weegbescheiden, maar zult zelfstandig de gewichten moeten controleren.

- Het is niet diervriendelijk om de dieren, nadat ze eerst zijn ingeladen voordat ze werden aangeboden bij het kantoor van uitvoer, voor het vaststellen van het nettogewicht weer uit en in te laden. Dit is echter inherent aan het systeem waarvoor de exporteur heeft gekozen. Om een diervriendelijker methode toe te passen kunt u de exporteur erop wijzen dat hij (of de expediteur) een vergunning Elektronische domiciliëringsprocedure (Uitvoer) kan aanvragen. Het kan zijn dat een exporteur of expediteur om een gerechtvaardigde reden geen vergunning Elektronische domiciliërings-procedure (Uitvoer) kan krijgen. In dat geval kunt u overwegen om de exporteur overeenkomstig artikel 4 lid 19 CDW, toestemming te verlenen om de dieren op een andere door de douane aangewezen plaats aan te brengen.

Wanneer u in het kader van de fysieke controle belast bent met de controle van het nettogewicht van runderen die ten uitvoer worden aangeboden met een elektronische aangifte, gaat u als volg te werk:

1. Controleer of de exporteur in de elektronische aangifte ten uitvoer in de rubriek "Goederenomschrijving" de volgende gegevens heeft vermeld:

    - de oormerknummers van de te exporteren runderen;

    - de locatie waar de runderen zijn gestald.

    Let op
    Wanneer deze rubriek hier onvoldoende ruimte voor biedt, dan mag de exporteur dit ook op een andere manier bij de Douane aangeven (bijvoorbeeld per fax). In de werkafspraken die horen bij de vergunning Elektronische domiciliëringsprocedure (Uitvoer), schrijft u voor op welke manier deze gegevens aan de Douane moeten worden verstrekt.

2. Ga voor het inladen van de dieren naar de laadlocatie van de dieren. Laat het vervoermiddel waarin de dieren zullen worden geladen onder uw toezicht wegen (tarragewicht);

3. Controleer met de opgegeven oormerknummers of de ten uitvoer aangegeven dieren inderdaad in het uitgaande vervoermiddel worden geladen.

4. Laat het vervoermiddel samen met de geladen runderen onder uw toezicht wegen (brutogewicht).

5. Stel het nettogewicht van de runderen vast door het tarragewicht van het brutogewicht af te trekken.

          Let op

- U moet continue ambtelijk toezicht uitoefenen op het vervoermiddel tussen het moment dat het brutogewicht wordt bepaald en het moment dat het tarragewicht wordt bepaald om te voorkomen dat tussen deze twee momenten stro, brandstof, water of iets dergelijks uit het vervoermiddel wordt uitgeladen. Als dit zou gebeuren zonder dat u dit merkt, dan wordt het tarragewicht lager waardoor het nettogewicht van de runderen hoger wordt. Hierover zou dan ten onrechte ook restitutie worden verleend.

- Wanneer de exporteur voor de indiening van de aangifte ten uitvoer niet exact het gewicht weet van de dieren die zullen worden geladen voor uitvoer, dan kan hij gebruik maken van de procedure van de geschatte gewichten. Zie voor meer informatie over de regeling geschatte gewichten paragraaf 3.7.1, onderdeel 20.01.00, Restituties, van dit Handboek. Zie voor de procedures die u moet volgen bij de regeling geschatte gewichten paragraaf 2.4.2.

3.3.8. Controle prijs franco grens voor kaas (Vervallen)

3.3.9. Controle EEG keurmerk

          Algemeen

Bij uitvoer van landbouwproducten naar derde landen, wordt alleen restitutie verleend als deze producten van gezonde handelskwaliteit zijn. Deze algemene voorwaarde is opgenomen in artikel 28 Verordening (EG) nr. 612/2009.

          Speciale voorwaarden voor bepaalde producten

Voor bepaalde landbouwproducten heeft de Europese Commissie bepaald dat deze goederen, naast de algemene voorwaarde, ook moeten voldoen aan zeer specifieke gezondheids- en kwaliteitseisen. Deze eisen zijn vastgesteld in diverse Verordeningen en richtlijnen van de EU.

Voor de volgende landbouwproducten gelden aanvullende eisen om voor restitutie in aanmerking te komen:

1. De melk en zuivelproducten die zijn genoemd in artikel 161, lid 1, letter f van Verordening (EG) nr. 1234/2007 (de GMO-verordening).

Deze producten moeten bij uitvoer voldoen aan de eisen van de Verordeningen (EG) nrs. 852/2004 en 853/2004 en met name met betrekking tot:

- de bereiding in een erkende inrichting, en

- de in bijlage II, sectie 1 van Verordening (EG) nr. 853/2004 bedoelde identificatiemerken.

(artikel 3 Verordening (EG) nr. 1187/2009)

2. Producten van GN-code:

- 0403 10 51 tot en met 0403 10 99 (bepaalde soorten yoghurt),

- 0403 90 71 tot en met 0403 90 99 (karnemelk, room, kefir e.d.),

- 0405 20 10 en 0405 20 30 (bepaalde zuivelpasta's),

- 2105 00 99 (bepaalde soorten consumptie-ijs),

- 3502 11 90 en 3502 19 90 (bepaalde soorten albuminen).

- 0408 11 80, 0408 19 81, 0408 19 89, 0408 91 80 en 0408 99 80 (bepaalde soorten eigeel voor menselijke consumptie).

Deze producten moeten bij uitvoer voldoen aan de eisen van de Verordening (EG) nr. 852/2004 en Verordening (EG) nr. 853/2004 en met name met betrekking tot:

- de bereiding in een erkende inrichting.

(artikel 48, lid 4 Verordening (EU) nr. 578/2010)

3. Producten van GN-code:

- 0207 12 10 tot en met 0207 12 90 (bevroren vlees van hanen en kippen).

- de in bijlage II, sectie 1 van Verordening (EG) nr. 853/2004 bedoelde identificatiemerken.

(Verordening (EG) nr. 342/2010)

          Eisen EEG-keurmerk

1. Op grond van bijlage II, sectie 1 van Verordening (EG) nr. 853/2004, moet het keurmerk voor zuivelproducten aan de volgende voorwaarden voldoen:

A. AANBRENGEN VAN HET IDENTIFICATIEMERK

              - Het identificatiemerk wordt aangebracht voordat het product de inrichting verlaat;

              - Er hoeft alleen een nieuw merk op een product te worden aangebracht wanneer de verpakking wordt verwijderd of het product verder wordt verwerkt in een andere inrichting; in dat geval moet het nieuwe merk het erkenningsnummer vermelden van de inrichting waar deze bewerkingen plaatsvinden.

B. VORM VAN HET IDENTIFICATIEMERK

              - Het merk moet leesbaar en onuitwisbaar en in duidelijke cijfer- en lettertekens worden aangebracht. Het moet duidelijk zichtbaar zijn voor de bevoegde autoriteiten.

              - Het merk moet de naam van het land vermelden waar de inrichting gevestigd is, voluit geschreven of aangegeven met een uit twee letters bestaande code overeenkomstig de desbetreffende ISO-norm. Voor de lidstaten luiden deze codes evenwel als volgt: AT, BE, DE, DK, ES, FI, FR, GR, IE, IT, LU, NL, PT, SE en UK.

                Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen de voorraden en uitrusting die zij vóór de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 853/2004 hadden besteld, blijven gebruiken totdat deze uitgeput zijn of aan vervanging toe zijn;

              - Het merk moet het erkenningsnummer van de inrichting vermelden. Indien een inrichting zowel levensmiddelen waarop Verordening (EG) nr. 853/2004 van toepassing is, als levensmiddelen waarvoor dat niet het geval is, produceert, kan de exploitant van het levensmiddelenbedrijf hetzelfde identificatiemerk op beide soorten levensmiddelen aanbrengen;

              - Wanneer het merk in een in de Gemeenschap gevestigde inrichting wordt aangebracht, moet het ovaal zijn en de afkorting CE, EC, EF, EG, EK of EY bevatten.

C. METHODE VOOR HET AANBRENGEN VAN DE MERKEN

              - Het merk mag worden aangebracht op de onmiddellijke verpakking van het product, of op een etiket dat wordt aangebracht op het product. Het merk mag ook een plaatje van duurzaam materiaal zijn dat niet kan worden verwijderd;

              - Als het product wordt vervoerd in vervoerscontainers of grote verpakkingen en bestemd zijn voor verdere hantering, verwerking, onmiddellijke verpakking of verpakking in een andere inrichting, mag het merk worden aangebracht op de buitenkant van de container of de verpakking;

              - Voor vloeibare, korrelvormige en poedervormige producten die in bulk worden vervoerd is een identificatiemerk niet vereist indien de begeleidende documenten informatie bevat over het land waar de inrichting is gevestigd en het erkenningsnummer van de inrichting;

              - Wanneer producten zich bevinden in een verpakking bedoeld voor rechtstreekse levering aan de eindverbruiker, hoeft het merk alleen op de buitenkant van die verpakking te worden aangebracht.

2. Op grond van de bijlage II van Verordening (EG) 853/2004, gelden de volgende eisen met betrekking tot het keurmerk.

Het keurmerk omvat:

a. voor vlees in onmiddellijke verpakking in aparte eenheden of voor vlees in kleine eindverpakkingen:

              - in het bovenste gedeelte, het kenteken van het land van verzending in hoofdletters, dat wil zeggen AT, B, DK, D, EL, E, F, FI, IRL, I, L, NL, P, SE of UK;

              - in het midden, het veterinaire erkenningsnummer van het productiebedrijf of, in voorkomend geval, van de uitsnijderij of van het herverpakkingscentrum;

              - in het onderste gedeelte één van de afkortingen CEE - EØF - EWG - EOK - EEC - EEG - ETY;

              Zowel de letters als de cijfers moeten 0,2 cm hoog zijn;

b. voor grote eindverpakkingen, een ovaal stempel van ten minste 6,5 cm breed en ten minste 4,5 cm hoog, met de onder a) genoemde gegevens. De letters moeten ten minste 0,8 cm en de cijfers ten minste 1 cm hoog zijn. Het keurmerk kan voorts een aanduiding bevatten aan de hand waarvan het mogelijk is de dierenarts die de keuring van het vlees heeft verricht, te identificeren.

Het voor het merken gebruikte materiaal moet aan alle eisen van de hygiëne voldoen en de onder a bedoelde gegevens moeten daarop duidelijk leesbaar voorkomen.

Het keurmerk moet als volgt zijn aangebracht.

a. Op vlees in onmiddellijke verpakking in aparte eenheden of op vlees in kleine eindverpakkingen, moet het keurmerk worden aangebracht:

              - op - of leesbaar onder - het omhulsel of elke andere eindverpakking bij afzonderlijk verpakte karkassen;

              - op niet afzonderlijk in een onmiddellijke verpakking verpakte karkassen, door middel van een stempel of merkplaatje dat slechts eenmaal mag worden gebruikt;

              - op - of leesbaar onder - de omhulsels of elke andere eindverpakking bij delen van karkassen of slachtafvallen die in kleine hoeveelheden van een onmiddellijke verpakking zijn voorzien.

b. Op grote eindverpakkingen van karkassen, delen van karkassen of slachtafvallen die zijn gemerkt overeenkomstig de eisen bij punt a.

Algemene eisen voor het keurmerk

Wanneer een keurmerk wordt aangebracht op een omhulsel of een eindverpakking:

- moet het op zodanige wijze worden aangebracht dat het bij het openen van het omhulsel of de eindverpakking wordt vernietigd;

óf

- moet het omhulsel of de eindverpakking op zodanige wijze worden verzegeld dat zij na opening niet opnieuw kunnen worden gebruikt.

3. Op grond van hoofdstuk XI van de bijlage van Richtlijn 2004/41/EG, gelden de volgende eisen met betrekking tot het keurmerk.

Elke zending moet zijn voorzien van een etiket dat de volgende gegevens bevat:

óf

- op het bovenste gedeelte de beginletters van het land van verzending in hoofdletters, gevolgd door het erkenningsnummer van het productiebedrijf;

- op het onderste gedeelte een van de volgende afkortingen:

                CEE - EEG - EWG - EEC - EOEF - EOK;

óf

- in het bovenste gedeelte de naam van het land van verzending in hoofdletters;

- in het midden het toelatingsnummer van het productiebedrijf;

- in het onderste gedeelte een van de volgende afkortingen:

                CEE - EEG - EWG - EEC - EOEF - EOK;

- de temperatuur waarbij de eiproducten moeten worden bewaard en de met die temperatuur overeenkomende houdbaarheidsduur.

De gegevens op het etiket moeten leesbaar en onuitwisbaar zijn en de letters en cijfers moeten duidelijk kunnen worden onderscheiden.

          Taak van de ambtenaar

Uitsluitend bij een fysieke controle van een aangifte ten uitvoer met aanspraak op restitutie voor de hiervoor genoemde producten, moet u controleren of het keurmerk op de juiste wijze op het uit te voeren product is aangebracht.

U hoeft hierbij niet te controleren of het keurmerk ook terecht op het product is aangebracht. Dit element wordt op reguliere wijze gecontroleerd door de instantie die de goedkeuring aan het betreffende productiebedrijf heeft verleend.

Wanneer u:

- geen fysieke controle heeft uitgevoerd;

- wel een fysieke controle heeft uitgevoerd en daarbij heeft vastgesteld dat het keurmerk juist is aangebracht op het uit te voeren product;

dan hoeft u hierover geen speciale aantekening op de aangifte ten uitvoer, het landbouwformulier L(F) (bij schriftelijke aangifte) of het controleformulier T5 te plaatsen.

Wanneer u bij een fysieke controle echter vaststelt dat het keurmerk niet, of niet juist is aangebracht op het uit te voeren product, dan moet u deze bevinding (naast de gebruikelijke aantekeningen) duidelijk beschrijven bij de verificatiebevindingen van de aangifte ten uitvoer, het landbouwformulier L(F) (bij een schriftelijke aangifte) en het controleformulier T5.

          Let op

Gelet op de consequenties die deze verklaring voor belanghebbende heeft (het betreffende productschap zal voor de betreffende zending geen restitutie uitkeren) moet u deze vaststelling goed documenteren in het dossier dat u opmaakt naar aanleiding van de uitgevoerde fysieke controle.

3.3.10. Restitutie over het nettogewicht van kaas.

Restitutie wordt toegekend over het nettogewicht van kaas.

Bij Verordening (EEG) nr. 3846/87 is bepaald dat melkvreemde bestanddelen om de kaas heen (zoals bijvoorbeeld folie, was of paraffine) of die in de kaas zelf zitten (zoals bijvoorbeeld kruiden, noten of stukjes vleeswaren) geen deel uitmaken van het nettogewicht en dus niet in aanmerking komen voor restitutie.

In de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling uitvoer moet dus het nettogewicht van de kaas exclusief het nettogewicht van de toegevoegde melkvreemde bestanddelen worden vermeld.

Voor zowel een exporteur, als voor de Douane in geval van een fysieke controle kan het lastig zijn om het exacte gewicht van de melkvreemde bestanddelen te bepalen. Daarom kan een aangever in de aangifte tot plaatsing onder de regeling uitvoer verzoeken om de restitutie te verlagen met een forfaitaire aftrek (hierna te noemen restitutiekorting).

De aangever moet in de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling uitvoer aangeven welke melkvreemde bestanddelen in en om de kaas zitten en of deze al dan niet in het opgegeven nettogewicht zijn begrepen.

Omdat in de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling uitvoer maar een beperkt aantal posities beschikbaar is om aanvullende informatie op te nemen, is deze informatie gecodeerd. De volgende codes zijn hiervoor vastgesteld.

Code-nummer Systeemomschrijving Verklaring/ Wettelijke omschrijving
........ ................................... ..................................

95002

Geen toegev. st/mvs/w/wp/l/c/ca/p/3504

Geen toegevoegde:

- stoffen ≤ 0,5% (GN 0401)

- melkvreemde stoffen ≤ 0,5% (GN 0402 / 0403 / 0404)

- wei en/of van wei afgeleide producten en/of lactose en/of caseïne en /of caseïnaten en/of permeaat en/of producten van GN 3504 (GN 0403 / 0404 / 0406)

95003

Geen andere toev. dan in vak omschreven

Geen andere toevoegingen dan in vak omschrijving (zie ook codenummer 95002)

95024

Niet in nettogewicht begrepen

De bij GN 0406 als verpakking gebruikte plastic coating/folie, paraffine as en was, is niet in het nettogewicht opgegeven.

95025

Incl. plastic coating/folie

Nettogewicht inclusief plastic coating/folie, restitutiekorting 0,5% (GN 0406)

95026

Incl. paraffine en/of as

Nettogewicht inclusief paraffine en/of as, restitutiekorting 2,0% (GN 0406)

95027

Incl. kruiden of specerijen

Nettogewicht inclusief kruiden of specerijen zoals mosterd, basilicum, knoflook of oregano, restitutiekorting 1,0% (GN 0406)

95028

Incl. andere melkvr. ingred. (ham ed.)

Nettogewicht inclusief melkvreemde ingrediënten zoals ham, noten, garnalen, zalm, olijven, krenten en rozijnen, restitutiekorting 10,0% (GN 0406)

          Let op!

- Cellofaan om de kaas wordt gelijkgesteld met plastic en folie en valt dus ook onder codenummer 95025.

- Indien sprake is van meerdere melkvreemde stoffen om de kaas heen (bijvoorbeeld paraffine en folie), kan gebruik worden gemaakt van een combinatie van codenummers.

          Voorbeeld:

In het geval dat kaas wordt uitgevoerd, voorzien van paraffine en cellofaan, kunnen de codes 95025 en 95026 worden gebruikt.

In deze situatie zal het productschap het restitutiebedrag forfaitair met 0,5% + 2% (= 2,5%) verminderen.

3.3.11. Toezicht bij bulkzending als deellading van vaartuig

Het kan zijn dat een voor fysieke controle geselecteerde uitvoerzending betrekking heeft op een deel van de totale bulkzending die wordt geladen in een vaartuig.

In dat geval moet, na de fysieke controle van deze deellading bulkproducten, het kantoor van uitvoer toezicht houden op het fysieke vertrek van de gehele lading.

Dit toezicht oefent u uit aan de hand van informatie in commerciële documenten (bijvoorbeeld bill of lading of cognossement) en de door u verrichte ambtelijke wegingen overeenkomstig stroomschema bulkproducten. De commerciële documenten moeten na belading aan u worden toegezonden. Hiervoor moet u lokale afspraken moeten maken met bijvoorbeeld de verlader, of de kapitein van het schip. De aan u verstrekte commerciële documenten neemt u op in het controleverslag.

(bijlage 1 onder 1.3 Vo (EG) nr. 1276/2008)

3.4. Uitzonderingen

In deze paragraaf worden de volgende uitzonderingen behandeld:

- verlagen van het aantal laboratoriumonderzoeken bij fysieke controles (paragraaf 3.4.1);

- vaststellen van het nettogewicht van consumptie-eieren (paragraaf 3.4.2);

- afwijkende kwaliteitseisen in derde landen (paragraaf 3.4.3);

- afwerking aangiften ten uitvoer van broedeieren (paragraaf 3.4.4);

- afwijkende controlemethode bij volcontinue productiebedrijf (paragraaf 3.4.5).

3.4.1. Verlagen van het aantal laboratoriumonderzoeken bij fysieke controles

Wanneer de hoogte van de restitutie afhankelijk is van een bepaald gehalte van het product, dan mag in bepaalde gevallen het aantal monsteronderzoeken worden verlaagd. Dit mag echter alleen als aan de volgende drie eisen is voldaan:

- Alle aangiften hebben betrekking op dezelfde GN-code of restitutiecode.

- Het product wordt door dezelfde exporteur uitgevoerd.

- Er zijn in de afgelopen zes maanden geen afwijkingen bij de laboratoriumtest vastgesteld die financiële gevolgen van meer dan € 1.000 hadden voor het brutorestitutiebedrag (= totaal geclaimde restitutie door exporteur).

Als aan deze eisen is voldaan, hoeft nog maar bij 50% van de fysieke controles een representatief monster te worden genomen en ingezonden naar het laboratorium voor analyse.

          Let op

Als bij een laboratoriumonderzoek een afwijking wordt vastgesteld die een financieel gevolg heeft voor de restitutie van meer dan € 1.000, dan moeten in de volgende zes maanden bij alle fysieke controles monsters worden genomen en ingezonden naar het douanelaboratorium voor analyse.

(artikel 5, lid 2 Verordening (EG) nr. 1276/2008).

3.4.2. Vaststellen van het nettogewicht van consumptie-eieren

Voor de berekening van de restitutie voor consumptie-eieren is de vermelding van het nettogewicht op de aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F) van belang. Als onderdeel van de fysieke controle moet worden vastgesteld of het in de aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F) opgegeven nettogewicht van de eieren overeenkomt met het feitelijke nettogewicht van de zending.

De handelsnormen voor eieren zijn in Verordening (EG) nr. 589/2008 vastgesteld. In artikel 4 van deze verordening worden eieren van klasse A in de volgende gewichtsklassen ingedeeld:

  Gewichtsklasse Code Omschrijving Gewichtsbereik in gram
...... ..............   .................. ......................

XL

Zeer groot

 

≥ 73

 

L

Groot

 

van 63 tot 73

 

M

Middelgroot

 

van 53 tot 63

 

S

Klein

 

< 53

 

De gewichtsklasse moet op de verpakking op een van de volgende manieren worden aangegeven:

- de letters (bijvoorbeeld: "XL");

- de term (bijvoorbeeld: "zeer groot");

- een combinatie van beide (bijvoorbeeld: "XL, zeer groot").

Het gewichtsbereik mag in alle drie de situaties daaraan worden toegevoegd.

Als de eieren worden geëxporteerd naar derde landen, is het niet verplicht om de Europese handelsnormen zoals hiervoor weergegeven te gebruiken.

Bij fysieke controle van ten uitvoer aangegeven eieren kunnen dan ook twee verschillende vermeldingen worden aangetroffen op de verpakking van de eieren. Deze zijn bij export naar derde landen alle toegestaan:

- De gewichtsklasse is weergegeven in letters (eventueel met toevoeging van de omschrijving en/of het gewichtsbereik) zoals voorgeschreven in artikel 4 Verordening (EG) nr. 589/2008.

- Totaal geen gewichtsaanduiding.

Hieronder worden de volgende aspecten van het vaststellen van het nettogewicht behandeld:

- toepassing algemene controlesystematiek;

- toepassing algemene controlesystematiek niet toegestaan;

- systeemcontrole gewichtsklasse-indeling.

          Toepassing algemene controlesystematiek

Consumptie-eieren worden meestal verhandeld met gebruikmaking van het gemiddelde nettogewicht per klasse. Het is daarom voor exporteurs meestal niet mogelijk om het feitelijke nettogewicht van de zending aan te geven op de aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F). Als de Douane de ten uitvoer aangegeven zending fysiek controleert, kan het feitelijk bevonden nettogewicht dan ook afwijken van het in de aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F) aangegeven nettogewicht. Om de exporteurs van consumptie-eieren tegemoet te komen in deze specifieke situatie is in overleg met het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie het volgende beleid vastgesteld.

Een exporteur van consumptie-eieren mag op de aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F) een gemiddeld nettogewicht vermelden als hij bij de aangifte ten uitvoer het bij de zending behorende kwaliteitscertificaat van het Controlebureau Pluimvee, Eieren en Eiproducten overlegt. Het nettogewicht van de hele lading is het resultaat van het gemiddelde gewicht van de betreffende gewichtsklasse, vermenigvuldigd met het aantal uit te voeren eieren. Het gemiddelde gewicht van een gewichtsklasse is het rekenkundig gemiddelde van het laagste en het hoogste gewicht per klasse. Het gemiddelde gewicht van de gewichtsklasse met code "L" wordt bijvoorbeeld als volgt berekend:

(63 gram + 72,99 gram) : 2 = 67,98 gram = afgerond 68 gram

Bij een fysieke controle op grond van Verordening (EG) nr. 1276/2008 van exportzendingen consumptie-eieren kan controle van het nettogewicht door ambtelijke weging in het algemeen achterwege blijven als aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:

- Het nettogewicht op de aangifte ten uitvoer is op de hiervoor genoemde wijze bepaald.

- De exporteur overlegt het bij de zending behorende kwaliteitscertificaat van het Controlebureau Pluimvee, Eieren en Eiproducten.

- Het berekende nettogewicht per ei komt overeen met de opgegeven gewichtsklasse.

Bij controle van het opgegeven nettogewicht controleert u eerst of aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Om te bepalen of het berekende nettogewicht inderdaad overeenkomt met de opgegeven gewichtsklasse, gaat u als volgt te werk:

1. Voer een normale rekenkundige controle (zie hierboven) uit op het aantal eieren en het berekende nettogewicht van de zending.

2. Afhankelijk van het resultaat van de rekenkundige controle zijn er twee mogelijkheden:

    - Uit de rekenkundige controle blijkt dat het berekende nettogewicht van de zending niet overeenkomt met de opgegeven gewichtsklasse. U moet de zending dan alsnog op de normale wijze ambtelijk wegen.

    - Uit de rekenkundige controle blijkt dat het berekende nettogewicht van de zending overeenkomt met de opgegeven gewichtsklasse. U hoeft de zending in dit geval niet ambtelijk te wegen. Vermeld op hetfyco-formulier dat er geen ambtelijke weging heeft plaatsgevonden, omdat de exporteur het gewicht op de aangifte ten uitvoer heeft opgegeven met toepassing van deze procedure.

          Toepassing algemene controlesystematiek niet toegestaan

De hiervoor vermelde algemene controlesystematiek is niet van toepassing op zendingen consumptie-eieren waarvoor het volgende geldt:

- In de aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F) is:

a. geen gewichtsklasse aangegeven;

b. een gewichtsklasse aangegeven die niet in overeenstemming is met artikel 4 van Verordening (EG) nr. 589/2008.

- Het bij de zending behorende kwaliteitscertificaat van het Controlebureau Pluimvee, Eieren en Eiproducten ontbreekt of er wordt een buitenlands kwaliteitscertificaat overlegd.

In deze gevallen wordt de zending altijd op de normale wijze onderworpen aan een fysieke controle.

Bij een elektronische aangifte gaat u bij de fysieke controle als volgt te werk:

1. Voer op de normale wijze een fysieke controle uit, dus inclusief de controle van het in de aangifte ten uitvoer opgegeven nettogewicht door ambtelijke (deel)weging.

2. Corrigeer het nettogewicht naar het ambtshalve bevonden nettogewicht als u bij de fysieke controle verschillen constateert tussen het aangegeven en het ambtshalve vastgestelde nettogewicht. Doe dit in het systeem Sagitta-uitvoer overeenkomstig de aanwijzingen van onderdeel 20.00.00 van dit Handboek en de aanwijzingen in de handleiding Sagitta-uitvoer.

3. Vul het fyco-formulier op de gebruikelijke manier in.

Bij een schriftelijke aangifte gaat u bij de fysieke controle als volgt te werk:

1. Voer op de normale wijze een fysieke controle uit, dus inclusief de controle van het in de aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F) opgegeven nettogewicht door ambtelijke (deel)weging.

2. Corrigeer het nettogewicht naar het ambtshalve bevonden nettogewicht als u bij de fysieke controle verschillen constateert tussen het aangegeven en het ambtshalve vastgestelde nettogewicht. Doe dit in het vak D/J van de schriftelijke aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F).

3. Vermeld het voorgaande ook in het systeem Sagitta-uitvoer.

4. Vul het fyco-formulier op de gebruikelijke manier in.

          Systeemcontrole gewichtsklasse-indeling

Als systeemcontrole is het zinvol dat u bij een beperkt aantal fysieke controles ook controleert of het aangegeven nettogewicht juist is. Dit doet u door een ambtshalve weging van (een gedeelte van) de partij.

Bij het vaststellen van afwijkingen die binnen de toegepaste gewichtsklasse blijven (in dit voorbeeld ≥ 63 gram en <73 gram), gaat u als volgt te werk:

1. Leg het bij de fysieke controle feitelijk bevonden nettogewicht van de zending en de manier waarop dat is vastgesteld duidelijk op het fyco-formulier vast.

2. Corrigeer de aangifte ten uitvoer en (in voorkomend geval) het landbouwformulier L(F) met betrekking tot het nettogewicht niet.

3. Vermeld op het fyco-formulier dat er geen correctie van de aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F) heeft plaatsgevonden, omdat het een systeemcontrole betrof zoals is bedoeld in deze procedure.

          Let op

Wanneer de afwijkingen buiten de toegepaste gewichtsklasse vallen, corrigeert u de aangifte ten uitvoer en (in voorkomend geval) het landbouwformulier L(F) wel.

U gaat bij de correctie van de elektronische aangifte als volgt te werk:

1. Vermeld in het systeem Sagitta-uitvoer het ambtshalve bevonden nettogewicht dat u bij de verificatie heeft vastgesteld. In onderdeel 20.00.00 van dit Handboek en in de aanwijzingen in de handleiding Sagitta-uitvoer is voorgeschreven hoe u dit in het systeem moet vermelden.

2. Vermeld op het fyco-formulier dat u bij een systeemcontrole heeft vastgesteld dat het bevonden gewicht niet overeenkwam met de aangegeven gewichtsklasse en dat u om die reden de aangifte heeft gecorrigeerd.

U gaat bij de correctie van de schriftelijke aangifte als volgt te werk:

1. Vermeld in het vak "Verificatiebevindingen" het ambtelijk bevonden nettogewicht.

2. Vermeld dit gewicht tevens in het systeem Sagitta-uitvoer overeenkomstig de aanwijzingen van onderdeel 20.00.00 van dit Handboek en de aanwijzingen opgenomen in de handleiding Sagitta-uitvoer.

3. Vermeld op het fyco-formulier dat u bij een systeemcontrole heeft vastgesteld dat het bevonden gewicht niet overeenkwam met de aangegeven gewichtsklasse en dat u om die reden de aangifte heeft gecorrigeerd.

3.4.3. Afwijkende kwaliteitseisen in derde landen

Om restitutie te kunnen krijgen moeten de landbouwgoederen op het moment van uitvoer van gezonde handelskwaliteit zijn. De gezonde handelskwaliteit wordt vastgesteld aan de hand van de binnen de Gemeenschap geldende normen en gebruiken.

Het kan echter zijn dat de uitgevoerde producten in het land van bestemming vanwege de daar voorgeschreven wetgeving moeten voldoen aan bijzondere eisen die niet in overeenstemming zijn met de normen en gebruiken die in de Gemeenschap gelden. U moet dan vooral denken aan gezondheidsbepalingen of hygiënische bepalingen die af kunnen wijken van de binnen de Gemeenschap geldende wetgeving. Onder de volgende voorwaarde kan toch restitutie voor de betreffende goederen worden verleend: de exporteur kan aanspraak maken op restitutie, als hij (op verzoek van de bevoegde autoriteit) aantoont dat de goederen in het land van bestemming voldoen aan de daar wettelijk voorgeschreven voorwaarden. De bevoegde autoriteit in Nederland is het productschap dat bevoegd is voor de betaling van de restitutie voor het uitgevoerde product.

          Voorbeelden

Hieronder staan twee voorbeelden van producten die in de beschreven samenstelling niet voldoen aan de binnen de Gemeenschap geldende normen of gebruiken.

- In een aantal Afrikaanse landen is het verplicht om ter bestrijding van ongedierte een bepaalde broomoplossing door meel te mengen.

- De gezondheidsvoorschriften in de Verenigde Staten van Amerika schrijven voor dat geslachte consumptiekippen moeten zijn behandeld met een bepaalde chlooroplossing.

3.4.4. Afwerking aangiften ten uitvoer van broedeieren

Op broedeieren moet overeenkomstig nationale landbouwbepalingen een stempel van de vermeerderingsinrichting zijn geplaatst; vastgesteld is dat in een aantal gevallen dit stempel niet leesbaar of niet aanwezig is. Indien u bij de fysieke controle van een aangifte ten uitvoer van broedeieren constateert dat het verplichte stempel van de vermeerderingsinrichting niet leesbaar of niet geplaatst is, dan moet u de aangifte als volgt afwerken.

Indien u belast bent met de uitvoering van de fysieke controle van een aangifte ten uitvoer voor broedeieren, kunt u de fysieke controle op twee manieren uitvoeren:

1. U kunt alle eieren onderwerpen aan de fysieke controle;

2. U kunt slechts een gedeelte van de eieren onderwerpen aan de fysieke controle.

In beide gevallen moet u in het fyco-dossier duidelijk vermelden welke methode u heeft gevolgd en hoeveel eieren wel en niet juist waren gestempeld

Indien u belast bent met de afwerking van de aangifte ten uitvoer voor een zending broedeieren, is het van belang op welke wijze de fysieke controle is uitgevoerd.

1. Indien alle eieren in de fysieke controle zijn betrokken, vermeldt u bij de verificatiebevindingen het exacte aantal eieren waarop het verplichte stempel van de vermeerderingsinrichting niet leesbaar of niet is geplaatst.

2. Indien slechts een gedeelte van de ten uitvoer aangeboden zending eieren in de fysieke controle zijn betrokken, moet u het aantal eieren dat niet conform is rekenkundig bepalen. Dit doet u door het aantal eieren waarop het verplichte stempel van de vermeerderingsinrichting niet leesbaar of niet is geplaatst, om te slaan naar de gehele aangegeven partij. Het aantal eieren dat op deze rekenkundige wijze wordt bevonden, vermeldt u als niet conform bij de verificatiebevindingen.

3.4.5. Afwijkende controlemethode bij volcontinue productiebedrijf

          Inleiding

Voor bedrijven die in een volcontinue proces meel vanuit graan produceren. is in bepaalde gevallen een aparte controle methode toegestaan. Deze toestemming is verkregen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Hierna volgen de voorwaarden waaraan het bedrijf moet voldoen om in aanmerking te komen voor deze bijzondere controlemethode.

          Casus

Het betrokken bedrijf produceert in een volcontinue proces meel vanuit graan. Dit meel wordt rechtstreeks vanuit de productie geladen in het vervoermiddel dat het meel naar het derde land zal vervoeren (een schip). Het bedrijf wil voor dit meel een aangifte ten uitvoer met aanspraak op restitutie indienen.

Op het moment dat de aangifte ten uitvoer door de douane kan worden aanvaard (= het moment waarop alle ten uitvoer aangegeven meel is geproduceerd), is het meel al geladen in het uitgaande vervoermiddel. Wanneer deze aangifte ten uitvoer geselecteerd wordt voor een fysieke controle overeenkomstig de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 1276/2008, moeten de hoeveelheid, aard en kenmerken van het meel worden vastgesteld.

Voor de ambtelijke vaststelling van deze elementen kunnen een aantal controlemethodieken worden toegepast, variërend van:

- het onder ambtelijk toezicht lossen van het schip, hierna voert de douaneambtenaar de nodige controles uit en daarna wordt het schip weer onder ambtelijk toezicht beladen;

- het accepteren van controlebescheiden welke door het bedrijf zijn opgemaakt bij de eerste belading van het schip, zonder dat de douane zelfstandig fysieke controles uitvoert;

- een mix van deze twee controlemethodieken.

          Oplossingen

Wanneer de productielocatie een gesloten laadinrichting heeft met automatische weegapparatuur, kan de volgende methode worden toegepast.

1. De aangifte ten uitvoer wordt aanvaard op het moment dat de goederen feitelijk zijn geladen in het uitgaande vervoermiddel (het schip). De aangever weet direct na het einde van de belading exact hoe groot de hoeveelheid product is welke is geladen en wat de aard en de kenmerken van het meel zijn; deze gegevens worden in de aangifte ten uitvoer vermeld.

2. Bij de indiening van de aangifte ten uitvoer moet de aangever de volgende bescheiden overleggen:

- de weegbon van het automatische weegtoestel;

- de receptuur van het te vervaardigen meel;

- de analyserapporten die door het bedrijf zijn opgemaakt ter vaststelling of het vervaardigde meel voldoet aan de receptuur.

3. Ter controle van de hoeveelheid meel welke is aangegeven op deze aangifte ten uitvoer maakt de ambtenaar uitsluitend gebruik van de overgelegde weegbescheiden.

4. Ter controle van de aard en kenmerken van het meel maakt de ambtenaar:

- enerzijds gebruik van de overgelegde recepturen en analyserapporten;

- anderzijds neemt hij zelfstandig representatieve monsters uit het schip welke zullen worden geanalyseerd door het douanelaboratorium.

Wanneer de productielocatie geen gesloten laadinrichting heeft met automatische weegapparatuur, is geen vereenvoudigde werkwijze mogelijk. Dit leidt tot de controlemethode dat het schip onder ambtelijk toezicht moet worden gelost, de ambtenaar de hoeveelheid, de aard en de kenmerken van de zending vaststelt en dat het schip daarna weer onder ambtelijk toezicht wordt beladen

3.5. Strafbepalingen

In dit hoofdstuk zijn geen strafbepalingen opgenomen.

Terug naar tekstnavigatie

Algemeen

Terug naar tekstnavigatie

Domeinen

Website Belastingdienst
Website Douane
Website Toeslagen
Terug naar tekstnavigatie

Vaste functies

Terug naar tekstnavigatie