20.02.00 Aangiften ten uitvoer landbouwgoederen
20.02.00 Aangiften ten uitvoer landbouwgoederen, 7 februari 2011, versie 18
1.a. Wanneer de exporteur voor het laden van de onverpakte goederen gebruik maakt van geijkte gesloten automatische laad- en weeginrichtingen, wordt de overeenstemming tussen de uitvoeraangifte en de goederen op zodanige wijze gecontroleerd dat de hoeveelheid door de geijkte automatische weeginrichtingen en de aard en de kenmerken door middel van representatieve steekproeven worden vastgesteld.
Bovendien controleert het douanekantoor van uitvoer steekproefsgewijze of:
- de weeg- en laadinrichtingen zich niet lenen voor omleiding van de goederen of voor andere manipulatie;
- de ijktermijn van de weeginrichting niet is verlopen en de verzegeling intact is. Wanneer het een gesloten weeginrichting betreft;
- de gewogen partijen daadwerkelijk in het opgegeven vervoermiddel worden geladen; en
- de gegevens in de weegboeken of -bewijzen overeenstemmen met die in de laaddocumenten.
b. In uitzonderlijke gevallen waarin de hoeveelheid van de onverpakte goederen niet door een geijkte automatische weeginrichting wordt vastgesteld, maakt het douanekantoor gebruik van een ander, in commercieel opzicht bevredigend controlemiddel.
2.a. Wanneer de exporteur voor het verpakken van de aangegeven goederen in zakken, dozen, flessen, enz., en het wegen/meten ervan gebruik maakt van geijkte automatische inrichtingen of van verpakkingen of flessen in de zin van Richtlijnen 75/106/EEG 1), 75/107/EEG 2) en 76/211/EEG 3) van de Raad, moet het aantal zakken, dozen, flessen, enz. in beginsel volledig worden geteld en moeten de aard en de kenmerken door middel van representatieve steekproeven door het douanekantoor van uitvoer worden gecontroleerd.
.....
1) Pb. nr. L 42 van 15.2 1975, blz. 1.
2) Pb. nr. L 42 van 15.2 1975, blz. 14.
3) Pb. nr. L 46 van 21.2 1975, blz. 1.
Het gewicht of de maat wordt vastgesteld door de geijkte automatische weeg-/meetinrichting of aan de hand van de verpakking of de flessen in de zin van de voornoemde richtlijnen. Het douanekantoor van uitvoer kan een zak, een doos of een fles wegen of meten.
Wanneer de inrichting met een automatische teller is uitgerust, mogen de vaststellingen van de automatische teller in aanmerking worden genomen voor de fysieke controle wat betreft de hoeveelheid.
Punt 1a, tweede alinea, is van overeenkomstige toepassing.
Wanneer de exporteur gebruik maakt van pallets die geladen zijn met kisten, dozen, enz., kiest het douanekantoor van uitvoer representatieve pallets uit en controleert het of deze het opgegeven aantal kisten, dozen, enz. bevatten. Het douanekantoor kiest uit deze pallets een aantal representatieve kisten of dozen en controleert of deze het opgegeven aantal flessen, stuks, enz. bevatten.
b. Wanneer de exporteur geen gebruik maakt van inrichtingen als bedoeld onder a, alinea's 1 en 2, moet het douanekantoor van uitvoer het aantal zakken, dozen, enz. tellen. De aard en de kenmerken, het gewicht of de maat worden door middel van representatieve steekproeven gecontroleerd. De voorgaande alinea is van overeenkomstige toepassing.
Wanneer de inhoud en het juiste gewicht op de onmiddelijke verpakking zijn vermeld, behoeven deze gegevens, in afwijking van de tweede zin van de vorige alinea bij slechts 50% van de fysieke controles geverifieerd te worden voorzover:
- het betrokken product verpakt is voor verkoop in de groothandel;
- regelmatig door dezelfde exporteur wordt uitgevoerd; en
- voozover in de afgelopen zes maanden geen geval van niet-overeenstemming met financiële consequenties van meer dan 200 EUR geconstateerd is.
3.a. Voor goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen en die
- verpakt zijn voor verkoop in de detailhandel of gegevens over inhoud en gewicht op de onmiddellijke verpakking dragen; en
- ofwel voldoen aan de voorwaarden van artikel 10, lid 4, van Verordening (EU) nr. 578/2010 van de Commissie, ofwel waarvoor de gebruikte hoeveelheden produkt vastgesteld zijn in bijlage III bij die verordening;
kan het douanekantoor van uitvoer als volgt te werk gaan:
aa. Eerst worden het gewicht en de inhoud van de niet onder bijlage II vallende goederen in de onmiddellijke verpakking gecontroleerd aan de hand van de desbetreffende gegevens op de onmiddellijke verpakking. Het kantoor kan uit de partij één stuk nemen en het wegen zonder verpakking.
bb. Vervolgens wordt de totale hoeveelheid van de niet onder bijlage II vallende goederen in de onmiddellijke verpakking - in beginsel - geteld en/of gewogen.
Punt 2, onder a en b, is van overeenkomstige toepassing.
Het kantoor kan een monster nemen om te verifiëren of er geen substitutie heeft plaatsgevonden. Artikel 5, lid 4, van de onderhavige verordening is niet van toepassing;
cc. aaa. Het douanekantoor van uitvoer mag aannemen dat de samenstelling van deze niet onder bijlage II vallende goederen klopt, wanneer de op de onmiddellijke verpakking vermelde omschrijving en inhoud in overeenstemming zijn met de uitvoeraangifte en met de identificatiecode waaronder de ten hoogste één jaar voor de uitvoer door de bevoegde autoriteiten gecontroleerde fabricageformule is geregistreerd.
In dat geval zorgt het douanekantoor van uitvoer ervoor dat de onder de bevoegde autoriteiten ressorterende controleur van de boekhouding achteraf zo spoedig mogelijk verifieert of de geproduceerde en de uitgevoerde goederen identiek zijn. De controleur stelt het douanekantoor van uitvoer hierna in kennis van het resultaat.
Wanneer de fabricageformule nog niet officieel is geverifieerd, zorgt het douanekantoor van uitvoer ervoor dat deze verificatie en een identiteitscontrole achteraf zo spoedig mogelijk worden verricht door de onder de bevoegde autoriteiten ressorterende controleur van de boekhouding.
bbb. Met het oog op de toepassing van deze methode voor het verifiëren van de samenstelling van niet onder bijlage II vallende goederen, stelt de lidstaat vooraf een procedure vast die het volgende inhoudt:
- De samenstelling van de betrokken niet onder bijlage II vallende goederen kan worden geverifieerd aan de hand van de boekhouding en de specifieke documenten betreffende de produktie.
- De produktiedocumenten van de onderneming moeten zodanig zijn opgesteld dat de overeenstemming tussen de geproduceerde niet onder bijlage II vallende goederen, de fabricageformule en de uitgevoerde goederen kan worden geverifieerd.
- De overeenstemming tussen de uitgevoerde goederen, de daarop betrekking hebbende uitvoeraangifte, de fabricageformule en de geproduceerde goederen moeten a posteriori door de controleur van de boekhouding kunnen worden geverifieerd.
b. De specifieke documenten betreffende de productie van de betrokken niet onder bijlage II van het Verdrag vallende goederen dienen na het jaar van de uitvoer nog drie jaar lang door de onderneming te worden bewaard.
c. Wanneer de procedure van punt 3, onder a, niet wordt toegepast, moet het douanekantoor van uitvoer representatieve monsters nemen, onverminderd het bepaalde in artikel 45, van Verordening (EU) nr. 578/2010.
