20.02.00 Aangiften ten uitvoer landbouwgoederen
20.02.00 Aangiften ten uitvoer landbouwgoederen, 7 februari 2011, versie 18
De diensten van de Europese Commissie hebben een aantal interpretaties vastgesteld met betrekking tot de wetgeving in het kader van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid. Deze interpretaties zijn vastgelegd in zogenaamde "interpretatiefiches". In deze bijlage zijn de interpretatiefiches opgenomen die voor de Nederlandse douane van belang (kunnen) zijn.
Let op
Met nadruk wordt gewezen op het volgende;
"Met deze interpretatiefiches wordt niet vootuitgelopen op een eventueel besluit van het Hof van Justitie, dat excluisief bevoegd is om op juridisch bindende wijze uitspraak te doe over de geldigheid en de interpretatie van de door communautaire instelling vastgelegde besluiten".
AGRI.B.4 AGRI/4638/00-NL
"Regeling van het handelsverkeer"
Datum van de vraag: februari 1980
Datum waarop de notitie is verspreid: 21.5.1980
Datum waarop de notitie is bijgewerkt: 13.6.2001
Achtergrond
Op grond van artikel 37, lid 1, van Verordening (EG) nr. 800/1999 mogen de lidstaten voor leveringen met het oog op bevoorrading een vereenvoudigde procedure toepassen. Met name is in dat lid bepaald dat:
- de exporteur die van deze procedure gebruik maakt, niet tegelijkertijd voor eenzelfde product de normale procedure kan aanwenden;
- de lidstaten de toepassing van de procedure kunnen beperken tot bepaalde plaatsen waar producten aan boord worden gebracht.
Vraag
Als een lidstaat de toepassing van deze vereenvoudigde procedure beperkt tot bepaalde plaatsen waar producten aan boord worden gebracht (bijvoorbeeld tot alle plaatsen waar in diezelfde lidstaat producten aan boord worden gebracht), mag de exporteur die deze procedure toepast voor de aldus toegestane plaatsen, voor eenzelfde product dat in een andere lidstaat aan boord wordt gebracht, de normale procedure toepassen van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 800/1999 (inclusief de procedure van artikel 40 van die verordening)?
Antwoord
Ja.
Relevante bepaling
Verordening (EG) nr. 800/1999, artikel 37, lid 1.
AGRI.B.4 AGRI/4639/00-NL
"Regeling van het handelsverkeer"
Datum van de vraag: december 1979
Datum waarop de notitie is verspreid: 14.5.1981
Datum waarop de notitie is bijgewerkt: 13.6.2001
Achtergrond
Artikel 37 van Verordening (EG) nr. 800/1999 voorziet in de toepassing per maand, van een vereenvoudigde procedure voor producten die aan boord worden genomen voor de bevoorrading van zeeschepen en luchtvaartuigen. Op voorwaarde dat speciale registers worden bijgehouden, hoeven geen individuele aangiften te worden gedaan en mag de aanvraag tot het verlenen van de restitutie aan het einde van elke maand worden ingediend.
Artikel 40 van voornoemde regeling voorziet in de toepassing van een andere vereenvoudigde procedure, voor producten die bestemd zijn voor bevoorradingsleveranties. Krachtens deze bepaling worden de douaneformaliteiten voor de uitvoer vervuld wanneer de producten in "bevoorradingsdepots" worden binnengebracht om later te worden geleverd voor de bevoorrading van zeeschepen en luchtvaartuigen. Het nettobedrag van de restitutie wordt voorgeschoten zodra de producten in deze bevoorradingsdepots worden ingeslagen.
Vraag
Kunnen deze twee procedures worden gecombineerd, zodat, in beide gevallen, de restitutie éénmaal per maand kan worden berekend op basis van het restitutiebedrag dat van toepassing is op de laatste dag van de maand (tijdens welke de producten hetzij aan boord zijn gebracht (artikel 37), hetzij onder douanecontrole zijn gebracht om te worden opgeslagen (artikel 40)?
Antwoord
De artikelen 37 en 40 van Verordening (EG) nr. 800/1999 hebben betrekking op twee procedures die - hoewel ze beide een vereenvoudiging van de regeling beogen - een verschillend doel hebben.
Artikel 37 heeft betrekking op een vereenvoudigde regeling voor de berekening van het restitutiebedrag voor producten die elke maand aan boord worden gebracht, terwijl artikel 40 betrekking heeft, op leveranties aan speciaal daarvoor aangewezen bevoorradingsdepots.
Krachtens artikel 37 wordt de exporteur ontslagen van de normale verplichting die is ingesteld bij artikel 5, dat bepaald dat een aangifte ten uitvoer moet worden ingediend voordat de producten aan boord worden gebracht. Dat brengt met zich dat een andere dag dan de dag waarop de uitvoeraangifte wordt aanvaard, in aanmerking wordt genomen om de geldende restitutie vast te stellen.
Artikel 40 bepaalt evenwel dat douaneformaliteiten voor de uitvoer moeten worden vervuld, waarbij de restitutievoet wordt bepaald op basis van de dag waarop deze formaliteiten zijn vervuld. Voor de producten die volgens de in artikel 40 bedoelde procedure in een depot zijn geplaatst, is het niet mogelijk de restitutievoet in aanmerking te nemen die geldt op de laatste dag van de maand, omdat er geen enkele bepaling is die dat toestaat.
Gezien het fundamenteel verschil tussen de betrokken bepalingen is het echter niet uitgesloten dat een bevoorrader gebruik maakt van artikel 37 voor bepaalde transacties en van artikel 40 voor andere.
Relevante bepaling
Verordening (EG) nr. 800/1999, artikelen 37 en 40.
AGRI.B.4 AGRI/4640/00-NL
"Regeling van het handelsverkeer"
Datum van de vraag: januari 1981
Datum waarop de notitie is verspreid: 14.5.1981
Datum waarop de notitie is bijgewerkt: 13.6.2001
Achtergrond
In het kader van de bij Verordening (EEG) nr. 565/80 vastgestelde regeling inzake de vooruitbetaling van de restitutie is rundvlees dat moet dienen voor de productie van vleesconserven, onder douanetoezicht geplaatst.
Vraag
Kan de procedure van artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 565/80 worden toegepast?
Antwoord
In artikel 5, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 565/80 is bepaald dat de producten in ongewijzigde staat moeten worden uitgevoerd. In artikel 29, lid 4, van Verordening (EG) nr. 800/1999 is bepaald welke behandelingen voor uitvoer in ongewijzigde staat bestemde landbouwproducten mogen ondergaan.
Bij de productie van vleesconserven gaat het niet alleen om verpakking. Bijgevolg kan in een dergelijk geval alleen de procedure van artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 565/80 worden toegepast.
Relevante bepalingen
Verordening (EEG) nr. 565/80 - de artikelen 4 en 5
Verordening (EG) nr. 800/1999 - artikel 29, lid 4.
AGRI.B.4 AGRI/4564-nl
"Regeling van het handelsverkeer"
Datum van de vraag: september 1980
Datum waarop de notitie is verspreid: 9 december 1981
Datum waarop de notitie is bijgewerkt: 13.6.2001
Achtergrond
In een conserveringsvloeistof aangeboden gekookte worstjes van GN-code 1601 0099 worden uitgevoerd. Bij het vervullen van de douaneformaliteiten bij uitvoer blijkt dat ze meer dan 33 gewichtspercenten toegevoegd water bevatten, terwijl dat bij de vervaardiging niet meer dan 33% was.
Vraag
Kan voor die producten aanspraak op de uitvoerrestitutie worden gemaakt?
Antwoord
In artikel 5, lid 2, onder c, van Verordening (EG) nr. 800/1999 is het volgende bepaald:
"De dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, is bepalend voor:
c. de vaststelling van hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product."
In artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 903/2008 is onder andere bepaalde dat:
".... worden voor de in bijlage 1 genoemde producten slechts restituties bij uitvoer verleend indien zij aan de in bijlage 1 vastgestelde voorwaarden voldoen,".
Bovendien moet de exporteur bij het vervullen van de douaneformaliteiten bij uitvoer schriftelijk verklaren dat de betrokken producten aan de voorschriften van de bovengenoemde verordening voldoen.
Daaruit volgt dat voor de uitgevoerde producten, wanneer deze op de dag waarop de uitvoeraangifte aanvaard wordt, meer dan 33 gewichtspercenten toegevoegd water bevatten, geen aanspraak op een restitutie kan worden gemaakt.
Relevante bepalingen
artikel 5, lid 2, onder e, Verordening (EG) nr. 800/1999
artikel 1 Verordening (EG) nr. 903/2008
AGRI.B.4 AGRI/4646/00-NL
"Regeling van het handelsverkeer"
Datum van de vraag:
Datum waarop de notitie is verspreid: 18.05.1984
Datum waarop de notitie is bijgewerkt:
Achtergrond
De regeling voor de vooruitbetaling van restituties is opgenomen in de Verordeningen (EEG) nr. 565/80 en 798/80.
Het stelsel van douane-entrepots is opgenomen in de Verordeningen (EEG) nr. 2913/92 (CDW) en 2454/93.
Vraag
Kan de regeling voor de vooruitbetaling van restituties ook worden toegepast voor levende dieren?
Antwoord
In artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwproducten is met name bepaald dat op verzoek van de belanghebbende een bedrag dat gelijk is aan de uitvoerrestitutie wordt uitbetaald zodra de producten onder het stelsel van douane-entrepots zijn gebracht met het oog op de uitvoer binnen een bepaalde termijn.
Het stelsel van douane-entrepots is opgenomen in de artikelen 98 en volgende van Verordening (EEG) nr. 2913/92 en de artikelen 511 en volgende van Verordening (EEG) nr. 2454/93.
In artikel 98, lid 1, onder b, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 is bepaald dat communautaire goederen onder het stelsel van douane-entrepots in een douane-entrepot kunnen worden opgeslagen.
In artikel 511, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 zijn beperkingen of bijzondere voorwaarden vastgesteld voor goederen waarvoor speciale voorzieningen nodig zijn. Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat de toelating van levende dieren in een entrepot heeft verboden, is de in Verordening (EEG) nr. 565/80 opgenomen vooruitbetalingsregeling voor in douane-entrepot opgeslagen producten niet van toepassing. In het tegenovergestelde geval geldt de vooruitbetalingsregeling.
Relevante bepalingen
Verordening (EEG) nr. 565/80, artikel 5,
Verordening (EEG) nr. 2913/92, artikelen 98, 109 en 113,
Verordening (EEG) nr. 2454/93, artikelen 511 en 529 tot en met 534.
AGRI.B.4 AGRI/4508/01-NL
"Regeling van het handelsverkeer"
Datum van de vraag: 2.2.1984
Datum waarop de notitie is verspreid: 18.5.1984
Datum waarop de notitie is bijgewerkt: 13.6.2001
Achtergrond
In artikel 13 van Verordening (EG) nr. 800/1999 is bepaald dat de bepalingen inzake de vaststellingen vooraf van de restituties en inzake de uit te voeren aanpassingen van de restitutievoet slechts gelden voor producten waarvoor een restitutievoet is vastgesteld die is uitgedrukt met een cijfer gelijk aan of hoger dan nul.
Op de dag van de aanvraag van een certificaat met vaststelling vooraf van de restitutie zijn de volgende restitutievoeten vastgesteld:
Bestemming A: 40
Bestemming B: 20
Bestemming C: (andere dan A, B of D): 5
Bestemming D: -
Geen enkele van de in artikel 18, lid 4, omschreven situaties doet zich voor.
Vraag
Wat zijn de consequenties van een uitvoertransactie op basis van een certificaat met vaststelling vooraf.?
Antwoord
Aangezien op de dag waarop de certificaataanvraag is ingediend, geen restitutie is vastgesteld voor alle derde landen, kan geen enkel gedeelte van de restitutie worden betaald van zodra het bewijs is geleverd dat het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten (artikel 18, lid 2).
Wanneer op de dag van uitvoer een uitvoerheffing is vastgesteld voor alle bestemmingen, moet deze heffing worden geland wanneer de handelaar niet het bewijs levert dat de producten in de bestemmingen A, B of C zijn ingevoerd.
Relevante bepalingen
Verordening (EG) nr. 800/1999, artikelen 13 en 18, lid 4.
AGRI.B.4 AGRI/4649/00-NL
"Regeling van het handelsverkeer"
Datum van de vraag: april 199
Datum waarop de notitie is verspreid: oktober 1991
Datum waarop de notitie is bijgewerkt: 13.6.2001
Achtergrond
Een lidstaat kiest voor de procedure van artikel 9, lid 1, sub c, van Verordening (EG) nr. 800/1999 voor de betaling van de restituties bij uitvoer over zee met overlading. Als bewijs vraagt de betrokken lidstaat de overlegging van het vervoerdocument met een verklaring van de vervoermaatschappij waarin de werkelijke datum wordt vermeld waarop de goederen de laatste haven van de Gemeenschap hebben verlaten. Om aan deze eis te voldoen, moeten de transporteurs in het verschepingsconnossement nog aanvullende gegevens vermelden naast datgene wat normale handelspraktijk is voor vervoersovereenkomsten en in sommige gevallen weigeren zij dat te doen, met name wanneer de uitvoer betrekking heeft op producten die verkocht worden met toepassing van de clausule fob (waarbij de koper verantwoordelijk is voor het vervoer); dat leidt tot vertraging en administratieve problemen.
Anderzijds volstaat voor de parallelle procedure van artikel 9, lid 1, sub b, dat een vervoerdocument wordt overgelegd waarop een eindbestemming is vermeld die buiten het douanegebied van de Gemeenschap ligt.
Vraag
Mag, om een te restrictieve interpretatie van het bepaalde in artikel 9, lid 1, sub c, te voorkomen, worden aanvaard dat een normaal vervoerdocument wordt overgelegd, zonder bijkomende vermelding van de datum waarop de laatste haven van de Gemeenschap is verlaten?
Antwoord
De diensten van de Commissie zijn van oordeel dat deze interpretatie is toegestaan, op voorwaarde dat de met de betaling belaste instantie over voldoende gegevens beschikt om zich ervan te vergewissen dat de maximumtermijn van 28 dagen voor de overlading in acht is genomen (bijvoorbeeld Lloyd's register waarin de datum is vermeld waarop het tijdstip de laatste haven van de Gemeenschap heeft verlaten).
Relevante bepaling
Verordening (EEG) nr. 800/1999, artikel 9, lid 1, sub c.
AGRI.B.4 AGRI/4655/00-NL
"Regeling van het handelsverkeer"
Datum van de vraag: juli 1991
Datum waarop de notitie is verspreid: 13.10.1992
Datum waarop de notitie is bijgewerkt: 13.6.2001
Achtergrond
In artikel 37, lid 4, sub a, van Verordening (EG) nr. 800/1999 is bepaald dat de exporteur een controleregister moet bijhouden met de gegevens die volgens artikel 5, lid 4, voor de identificatie van de producten nodig zijn.
Vraag
Kan de exporteur in het register telkens een omschrijving van de goederen opnemen, die voldoende gegevens bevat om deze omschrijving bij het einde van de maand en voor de aangifte voor die maand om te zetten in de juiste volledige goederencode, met inbegrip van de juiste nomenclatuur voor de uitvoerrestituties?
Antwoord
De diensten van de Commissie zijn in principe niet gekant tegen een dergelijke werkwijze, op voorwaarde dat de exporteur op het ogenblik dat hij de vermeldingen aanbrengt expliciet aangeeft dat hij in aanmerking wenst te komen voor een restitutie bij uitvoer.
Gegevens die in het register worden opgenomen moeten steeds identificatie van de geregistreerde goederen met de producten die in de maandelijkse aangifte zijn vermeld mogelijk maken, anders komen zij niet in aanmerking voor EOGFL-financiering.
Relevante bepaling
Verordening (EG) nr. 800/1999, artikel 37, lid 4, sub a.
AGRI.B.4 AGRI/4513/01-NL
"Regeling van het handelsverkeer"
Datum van de vraag: februari 1991
Datum waarop de notitie is verspreid: 10 november 1992
Datum waarop de notitie is bijgewerkt: 13.6.2001
Achtergrond
In artikel 5, lid 2, onder a, van Verordening (EG) nr. 800/1999 is vastgesteld dat de datum van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer bepalend is voor de hoogte van de toe te passen restitutie, ingeval de restitutie niet vooraf werd vastgesteld.
Bij de Verordeningen (EEG) nr. 2913/92 en 2454/93 zijn de procedures voor de uitvoer van communautaire goederen vastgesteld.
Vraag
Wanneer het laden van een schip verschillende dagen in beslag neemt, op welk ogenblik dient dan de aangifte ten uitvoer te worden aanvaard en de restitutievoet te worden vastgesteld?
Antwoord
1. In artikel 161 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 en in artikelen, 788 en volgende van Verordening (EEG) nr. 2454/93 is voor de uitvoer van communautaire goederen de volgende procedure vastgesteld:
a. aanbieding van de uit te voeren goederen bij een douanekantoor;
b. indiening, bij het douanekantoor 'waar de goederen zijn aangeboden, van een aangifte ten uitvoer;
c. onderzoek van de ontvankelijkheid van de aangifte door de douaneautoriteiten waarbij de aangifte is ingediend;
d. onmiddellijke aanvaarding van de aangifte wanneer deze gezien de voorwaarden ontvankelijk is;
2. Van deze procedureregels kan slechts in één geval worden afgeweken, namelijk wanneer de douane accepteert dat de aangifte wordt ingediend voordat de aangever de goederen kan aanbieden (artikel 201, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2454/93); de aangifte kan namelijk pas worden aanvaard op het ogenblik dat de goederen worden aangeboden bij het douanekantoor of op een andere plaats die door de bevoegde diensten is aangewezen (artikel 201, lid 3, van de genoemde verordening).
3. Op grond van de douanevoorschriften en van Verordening (EG) nr. 800/1999 geldt derhalve dat een aangifte ten uitvoer in eik geval pas kan worden aanvaard nadat alle goederen zijn aangeboden.
4. Bij verzending over zee kan het evenwel voorkomen dat de juiste hoeveelheid van de goederen slechts kan worden bepaald nadat het schip is geladen. In dergelijke gevallen kan, uitsluitend voor de vaststelling van de restitutievoet, het uitvoerdocument worden aanvaard op basis van een voorlopige hoeveelheid.
Voorbeelden:
a. goederen in voorraad in havensilo's (voor zover die plaats door de douanediensten is aangewezen) - voor de uitvoer van een gedeelte of van alle goederen die in één of meer silo's zijn opgeslagen, wordt een voorlopige aangifte gedaan. De toe te kennen restitutie wordt berekend nadat de goederen zijn geladen, op basis van:
- de restitutievoet die gold op de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard
en
- de aan boord geladen hoeveelheid, gelet op het bepaalde in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 800/1999
b. goederen die buiten het havengebied zijn opgeslagen (op een door de douanediensten aangewezen plaats) en die over de weg enlof per spoor van de opslagplaats naar de kade worden vervoerd - de aangifte ten uitvoer kan worden aanvaard op basis van voorlopige gegevens over de hoeveelheid. De toe te kennen restitutie wordt berekend nadat de goederen zijn geladen, op basis van:
- de restitutievoet die gold op de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard
en
- de aan boord geladen hoeveelheid, gelet op het bepaalde in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 800/1999.
Relevante bepalingen
Verordening (EEG) nr. 2913/92, artikel 161,
Verordening (EEG) nr. 2454/93, artikelen 788 en volgende,
Verordening (EG) nr. 800/1999, artikelen 4 en 5.
