20.03.00 Uitvoercertificaten landbouwgoederen

Tekstnavigatie

Inhoud

Talen

Doelgroepen

Zoeken

Algemeen

Domeinen

Vaste functies

Waar ben ik?

Inhoud

Inhoudsopgave

Handboek Douane

20.03.00 Uitvoercertificaten landbouwgoederen, 22 februari 2010, versie 6

2. Uitvoercertificaten

2.1. Algemeen

Bij de uitvoer van landbouwgoederen naar derde landen is het vaak verplicht om een uitvoercertificaat te overleggen. Deze verplichting is dan opgenomen in de basisverordening of de uitvoeringsverordening(en) die van toepassing is (zijn) op de uit te voeren goederen.

De verplichting kan enerzijds het karakter hebben van een absoluut uitvoerverbod, anderzijds kan het uitvoercertificaat ook alleen noodzakelijk zijn om restitutie te kunnen krijgen. In het eerste geval is het niet van belang of er wel of geen restitutie voor de goederen wordt gevraagd: uitvoer zonder uitvoercertificaat is absoluut verboden. In het tweede geval is export zonder uitvoercertificaat toegestaan maar dan ontvangt de exporteur geen restitutie.

          Let op

Waar in dit onderdeel van het Handboek Douane wordt gesproken over "uitvoercertificaten" of "certificaten", worden naast de uitvoercertificaten, hier tevens mee bedoeld de uitvoercertificaten met vaststelling vooraf van de restitutie (voorfixatiecertificaten). In een beperkt aantal situaties dat dit echter niet het geval; in de betreffende onderdelen wordt dit verschil dan expliciet aangegeven.

De volgende onderwerpen worden hierna behandeld:

- wettelijke bepalingen (paragraaf 2.1.1);

- rechten en plichten (paragraaf 2.1.2);

- afgifte van certificaten (paragraaf 2.1.3);

- zekerheid stellen (paragraaf 2.1.4);

- soorten certificaten (paragraaf 2.1.5);

- invulling certificaten (paragraaf 2.1.6).

2.1.1. Wettelijke bepalingen

Om het gebruik van uitvoercertificaten voor alle marktordeningen zoveel mogelijk op dezelfde manier plaats te laten vinden, heeft de Europese Commissie hiervoor een speciale verordening ingesteld. Dit is Verordening (EG) nr. 376/2008, houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwgoederen. Deze verordening wordt ook wel de certificatenverordening genoemd. Zoals de titel van deze verordening al aangeeft, zijn hierin de algemene uitvoeringsbepalingen geregeld die gelden voor alle marktsectoren waarbij certificaten worden voorgeschreven. Doordat deze verordening van toepassing is voor meerdere marktsectoren, heeft deze verordening het karakter van een horizontale verordening.

Als er voor bepaalde goederen of productsectoren afwijkende of aanvullende regels zijn vastgesteld met betrekking tot het gebruik van dit soort certificaten, dan zijn deze regels opgenomen in de marktordening of de uitvoeringsverordening(en) die van toepassing is (zijn) voor de betreffende marktsector.

De regels die in de certificatenverordening zijn opgenomen, gelden voor alle lidstaten van de Gemeenschap. In de certificatenverordening is de invulling van een aantal uitvoeringsmaatregelen echter overgelaten aan de lidstaten zelf. Voor Nederland zijn de aanvullende nationale regels vastgesteld in artikel 3:1 en 3:2 van het Algemeen douanebesluit en de artikelen 3:1 tot en met 3:16 van de Algemene douaneregeling.

Een van de dingen die iedere lidstaat nationaal moest regelen, was de mogelijkheid om af te kunnen dwingen dat exporteurs bij de export van landbouwgoederen waarvoor een uitvoercertificaat verplicht moet worden overgelegd, dit uitvoercertificaat ook daadwerkelijk bij de aangifte ten uitvoer overleggen. Dit is in Nederland opgelost door te bepalen dat het in strijd handelen met de certificatenverordening is verboden (artikel 3:1 Algemene douaneregeling).

Voor certificaten die door de autoriteiten van een lidstaat zijn afgegeven en voor de vermeldingen en visa die deze autoriteiten daarop hebben aangebracht, gelden in andere lidstaten dezelfde rechtsgevolgen als wanneer deze documenten zouden zijn afgegeven door de autoriteiten van die andere lidstaten en voor de daarop aangebrachte visa en vermeldingen.

(artikel 10 Verordening (EG) nr. 376/2008)

Voor zover dit nodig is voor de juiste toepassing van de certificatenverordening, verstrekken de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten elkaar inlichtingen over de certificaten en over eventuele onregelmatigheden en inbreuken. In Nederland zijn de productschappen en de Douane hiervoor bevoegd. Zodra onregelmatigheden en inbreuken aan het licht zijn gekomen, brengen de autoriteiten van de betreffende lidstaten ook de Europese Commissie daarvan op de hoogte.

(artikel 29 Verordening (EG) nr. 376/2008)

In Nederland wordt deze informatie door tussenkomst van het Douane Informatiecentrum aan de autoriteiten van de andere lidstaten en de Europese Commissie gezonden.

2.1.2. Rechten en plichten

          Recht en plicht van uitvoer

Degene die een uitvoercertificaat (niet zijnde een voorfixatiecertificaat) heeft gekregen (de titularis), heeft enerzijds het recht en anderzijds de plicht om binnen de geldigheidsduur van het certificaat de goederen die in dit certificaat staan beschreven, uit de Gemeenschap uit te voeren.

(artikel 7, lid 1, Verordening (EG) nr. 376/2008)

De titularis van een voorfixatiecertificaat is verplicht om binnen de geldigheidsduur van het certificaat de in het certificaat vermelde hoeveelheid product uit te voeren.

(artikel 7, lid 2, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Dat er naast een recht ook een plicht tot uitvoer bestaat, heeft te maken met het feit dat de Europese Commissie de marktsituatie beoordeelt aan de hand van de afgegeven uitvoercertificaten. Als er dan vrijblijvend door de belanghebbende wel of niet producten zouden kunnen worden uitgevoerd, zou dit het beheer door de Europese Commissie ernstig verstoren.

Dit recht en deze verplichting tot uitvoer geldt zowel voor de goederensoort als voor de hoeveelheid goederen die in het certificaat staan omschreven. Ten aanzien van de hoeveelheid is er echter vaak een bepaalde tolerantie toegestaan. Dit betekent dat er in de praktijk vaak iets meer of iets minder mag worden uitgevoerd dan de hoeveelheid die feitelijk op het certificaat staat vermeld (zie ook paragraaf 2.1.6 onder "Vak 19 (Tolerantie)").

De titularis (of cessionaris 1)) heeft voldaan aan de eis om binnen de geldigheidsduur van het uitvoercertificaat de goederen uit de Gemeenschap uit te voeren, als hij binnen de geldigheidsduur van het certificaat een aangifte ten uitvoer heeft ingediend die door de Douane is aanvaard.

(artikel 30, letter b, Verordening (EG) nr. 376/2008)

          .....

          1) Dit is degene aan wie de rechten worden overgedragen. Zie ook paragraaf 2.1.6 onder "Vak 6 (Rechten overgedragen aan)".

Met uitvoer worden de volgende situaties gelijkgesteld:

- aflevering binnen de Gemeenschap aan een van de in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 612/2009 genoemde bijzondere bestemmingen; dit zijn:

- leveranties voor de bevoorrading in de Gemeenschap:

              - van zeeschepen;

              - van luchtvaartuigen die op internationale lijnen in gebruik zijn, met inbegrip van intracommunautaire lijnen;

- leveranties aan internationale organisaties die in de Gemeenschap zijn gevestigd;

- leveranties aan strijdkrachten die op het grondgebied van een lidstaat zijn gelegerd, maar niet tot die lidstaat behoren;

- opslag van goederen in een bevoorradingsdepot in de Gemeenschap, bestemd voor de bevoorrading van zeeschepen en vliegtuigen of boor- of productieplatforms;
(artikel 37 Verordening (EG) nr. 612/2009)

- leveranties van boordproviand aan boor- en productieplatforms of marine- en hulpschepen in volle zee;
(artikel 41 Verordening (EG) nr. 612/2009)

(artikel 31, letter b, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Belanghebbende bewijst dat hij aan zijn uitvoerverplichting heeft voldaan, door het door de Douane afgeschreven exemplaar nummer 1 van het uitvoercertificaat bij de instantie van afgifte in te leveren.

(artikel 32, lid 1, letter b, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Daarnaast moet belanghebbende ook nog bewijzen dat de goederen:

- binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen vanaf de aanvaardingsdatum van de aangifte ten uitvoer, het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten of een bijzondere bestemming binnen de Gemeenschap hebben bereikt;

- binnen dertig dagen, te rekenen vanaf de aanvaardingsdatum van de aangifte ten uitvoer, zijn opgeslagen in een bevoorradingsdepot.

(artikel 32, lid 2, letter b, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Het bewijs dat is voldaan aan bovenstaande termijnen wordt geleverd middels het controle-exemplaar T5. Na aftekening bij het kantoor van uitgang voor verlaten van de Gemeenschap, respectievelijk bij het kantoor van bestemming voor het bereiken van de bestemming, wordt het controle-exemplaar T5 wordt via de ambtelijke weg ingezonden aan het bevoegde productschap of (in voorkomend geval) aan de buitenlandse instantie die het certificaat heeft afgegeven. Zie voor meer informatie over dit onderwerp onderdeel 14.30.00, Controle-exemplaar T5, van dit Handboek.

          Wie mag de aangifte ten uitvoer doen

De aangifte ten uitvoer moet worden ingediend door de exporteur van de goederen. In Verordening (EG) nr. 612/2009 (de restitutieverordening) is gedefinieerd wie in dit verband als exporteur wordt beschouwd; dit is "de natuurlijke of rechtspersoon die recht heeft op de restitutie".

Wanneer gebruik moet of kan worden gemaakt van een uitvoercertificaat met vaststelling vooraf van de restitutie, heeft de houder van het certificaat (of eventueel de cessionaris) recht op de restitutie. De exporteur in de zin van de douanewetgeving kan, rekening houdend met de privaatrechtelijke betrekkingen tussen de marktdeelnemers, een andere zijn dan de exporteur in de zin van de restitutieverordening.

(artikel 23, lid 1, Verordening (EG) nr. 376/2008, juncto artikel 2, lid 1, letter i, Verordening (EG) nr. 612/2009)

Wanneer de titularis of de cessionaris van het uitvoercertificaat een andere is dan de exporteur op de aangifte ten uitvoer, dan moet de exporteur (op verzoek van de ambtenaar) aantonen dat hij gerechtigd is om het uitvoercertificaat te mogen gebruiken.

2.1.3. Afgifte van certificaten

Wie een certificaat aanvraagt (de titularis), moet een aanvraagformulier voor de afgifte van het certificaat invullen. Hiervoor mag elke officiële taal van de Gemeenschap worden gebruikt. Certificaten die in Nederland worden aangevraagd, worden altijd in het Nederlands gesteld. De aanvraagformulieren moeten met schrijfmachine of computerprint worden ingevuld en worden door de instantie van afgifte beoordeeld op juiste invulling. Bij goedkeuring geeft de instantie van afgifte het gevraagde certificaat af door het aanvraagformulier te waarmerken en te ondertekenen.

In Nederland worden de certificaten uitsluitend afgegeven door de productschappen. Zij geven ook uittreksels, verbeterde certificaten, duplicaten en vervangingscertificaten af (zie paragraaf 2.1.5). Welk productschap bevoegd is voor welk product, is per marktordening vastgesteld in bijlage VII van de Algemene douaneregeling (artikel 1:2, letter f, juncto bijlage VII Algemene douaneregeling).

2.1.4. Zekerheid stellen

Een certificaat wordt pas afgegeven nadat de titularis hiervoor een bepaald bedrag aan zekerheid heeft gesteld. Door deze financiële prikkel wordt voorkomen dat de titularis van het certificaat niet voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het certificaat. De verplichting tot het stellen van zekerheid is in elke basisverordening opgenomen. Nationaal is dit verder uitgewerkt in de Regeling in- en uitvoer landbouwgoederen.
(artikel 3:7 Algemene douaneregeling).

De instantie van afgifte geeft de certificatenzekerheid die de titularis van het certificaat heeft gesteld, weer vrij als zij van hem de volgende bescheiden heeft ontvangen:

- het afgeschreven exemplaar nummer 1 van het certificaat (zie paragraaf 2.2.2);

- het voor uitgang uit de Gemeenschap (of het bereiken van een bijzondere bestemming) afgetekende controle-exemplaar T5 (zie onderdeel 14.30.00, Controle-exemplaar T5, van dit Handboek).

(artikel 32, lid 1, letter b, juncto artikel 34, lid 1, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Als het controle-exemplaar T5 alleen wordt gebruikt voor de vrijgave van de certificatenzekerheid (en dus niet ook voor het verkrijgen van restitutie), brengt de aangever in vak 106 van de T5 de volgende vermelding aan:

"te gebruiken voor vrijgave van de zekerheid".

Als het controle-exemplaar T5 in een andere lidstaat van de Gemeenschap is afgegeven, dan staat deze tekst vanzelfsprekend vermeld in de officiële taal van die lidstaat.

(artikel 32, lid 2 letter b, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Als voor de goederen een controle-exemplaar T5 is voorgeschreven voor zowel het verkrijgen van restitutie als voor de vrijgave van de certificatenzekerheid, dan hoeft maar één controle-exemplaar T5 geldig te worden gemaakt. Het bevoegde productschap zal op basis van het terugontvangen controle-exemplaar T5 zowel de zekerheid op het certificaat vrijgeven als de restitutie verlenen.

Wanneer voor een dergelijke zending een uitvoercertificaat wordt gebruikt dat in een andere lidstaat is afgegeven, moet de buitenlandse instantie van afgifte ook bericht krijgen van het uitgaan van de goederen. Dit bericht wordt verstuurd door het bevoegde productschap: het productschap maakt van het controle-exemplaar T5 een kopie, waarmerkt deze en stuurt deze aan de buitenlandse instantie van afgifte.

Let op

De Douane heeft geen bemoeienis met de diverse zekerheden die bij het productschap worden gesteld. Toch is het belangrijk om de volgende zekerheden die bij het productschap worden gesteld, niet met elkaar te verwarren:

- de certificatenzekerheid;

- de zekerheid die kan worden gesteld voor de verschuldigde uitvoerheffingen;

- de zekerheid die moet worden gesteld als de exporteur vooruitbetaling van de restitutie verzoekt overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EG) nr. 612/2009.

2.1.5. Soorten certificaten en afgeleide documenten

Bij de uitvoer van goederen kunnen de volgende twee soorten certificaten worden gebruikt:

- uitvoercertificaten;

- voorfixatiecertificaten.

Het uitvoercertificaat kan twee verschillende functies hebben:

- Het uitvoercertificaat is een verplicht te overleggen bescheid bij de aangifte ten uitvoer van landbouwgoederen; zonder dit uitvoercertificaat geldt er een uitvoerverbod. Deze verplichting is dan opgenomen in de voor het betreffende product van toepassing zijnde basisverordening of uitvoeringsverordening(en).
(artikel 3:2 Algemeen douanebesluit en artikel 3:1 Algemene douaneregeling)

- Op het uitvoercertificaat kan de restitutie ook vooraf worden vastgelegd. Het certificaat heeft dan de functie van voorfixatiecertificaat.

Het voorfixatiecertificaat kan twee functies hebben:

- Indien voor de uitvoer van de producten een uitvoercertificaat moet worden overgelegd (uitvoervergunning), bepaalt het voorfixatiecertificaat het recht op uitvoer en het recht op restitutie;

- Indien voor de uitvoer van de producten geen uitvoercertificaat hoeft te worden overgelegd, bepaalt het voorfixatiecertificaat alleen het recht op restitutie.

In het Gebruikstarief Douane is per goederencode aangegeven of er voor de betreffende goederen een uitvoercertificaat verplicht moet worden overgelegd (waarbij het uitvoercertificaat dus dient als uitvoervergunning) of dat er een voorfixatiecertificaat nodig is (uitsluitend voor het aanvragen van de restitutie).

Het doel van het gebruik van uitvoercertificaten is dat de Europese Commissie voorafgaand aan de feitelijke uitvoer van de goederen inzicht krijgt in de voorgenomen export van deze goederen. Met deze kennis kan de Europese Commissie zo nodig vroegtijdig maatregelen nemen die noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de marktordening die voor de betreffende goederen geldt. Deze maatregelen kunnen bijvoorbeeld zijn:

- het verlagen van de hoogte van de restituties;

- het instellen van een uitvoerheffing;

- het instellen van een uitvoerverbod.

Het model van de certificaten is vastgesteld in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 376/2008. Een certificaat bestaat uit twee exemplaren, die als volgt worden gebruikt:

- Exemplaar 1 is voor degene die het certificaat heeft aangevraagd (de titularis). Dit exemplaar wordt bij de Douane overgelegd bij de aangifte ten uitvoer van de betreffende goederen.

- Exemplaar 2 is bestemd voor de instantie van afgifte.

De titularis mag echter ook certificaten gebruiken die door de computer zijn vervaardigd, mits hij hier toestemming voor heeft gekregen van de instantie van afgifte. Deze certificaten worden elektronische certificaten genoemd. De lay-out van deze certificaten is in het algemeen gelijk aan die van de gewone certificaten.

(artikel 18 Verordening (EG) nr. 376/2008)

In Nederland worden de certificaten afgegeven door de productschappen. Naast de certificaten geven zij ook de volgende bescheiden af:

- uittreksels van certificaten;

- verbeterde certificaten;

- duplicaten van certificaten;

- vervangingscertificaten;

- tweede voorfixatiecertificaten.

Deze bescheiden worden in de volgende alinea's behandeld.

          Uittreksels van certificaten

Om exporteurs de mogelijkheid te geven om op meerdere plaatsen (tegelijk) een aangifte ten uitvoer in te dienen met het afgegeven uitvoercertificaat, is in de certificatenverordening de mogelijkheid tot afgifte van uittreksels opgenomen. Deze uittreksels worden afgegeven door de instantie van afgifte van de uitvoercertificaten, of door een speciale instantie die door de lidstaat is aangewezen. U kunt een uittreksel herkennen doordat de afgevende instantie in vak 3 de volgende vermelding heeft aangebracht:

"Uittreksel van certificaat nr. ......".

Daarnaast staat in vak 11 de vermelding "Extract".

Voor beide verklaringen geldt dat deze verklaringen vanzelfsprekend ook in een andere officiële taal van de gemeenschap kan zijn gesteld.

In Nederland worden uittreksels uitsluitend door het bevoegde productschap afgegeven.

(artikel 21 Verordening (EG) nr. 376/2008, juncto artikel 3:2, lid 2 Algemene douaneregeling)

Van alle soorten certificaten kunnen uittreksels worden afgegeven. Deze uittreksels hebben dezelfde rechtskracht als de oorspronkelijke certificaten. De uittreksels worden bij de uitvoer dan ook op dezelfde manier behandeld als originele certificaten.

(artikel 9 Verordening (EG) nr. 376/2008)

Een uittreksel van een certificaat geeft geen recht op de afgifte van nog een ander uittreksel.

(artikel 21, lid 2, Verordening (EG) nr. 376/2008)

          Verbeterde certificaten

Als een certificaat eenmaal is afgegeven, mogen er geen wijzigingen meer in worden aangebracht. Is dit toch het geval of bestaat er twijfel over de juistheid van de vermeldingen in het certificaat, dan moet de instantie van afgifte het certificaat verifiëren door het te vergelijken met het gearchiveerde tweede exemplaar. Blijken er gerechtvaardigde verschillen te bestaan tussen de beide exemplaren, bijvoorbeeld wanneer:

- de inhoud van het certificaat is gewijzigd (een schrijffout is bijvoorbeeld hersteld),

- er een (klein) gebrek is opgetreden in het certificaat (het certificaat is bijvoorbeeld gescheurd of er is een vloeistof overheen gegaan),

dan trekt de instantie van afgifte het betreffende certificaat in en geeft een nieuw certificaat af. Dit nieuwe certificaat heet een verbeterd certificaat.

U herkent een verbeterd uitvoercertificaat doordat in vak 2 of vak 23 een van de volgende vermeldingen is aangebracht:

a. "........... (datum) verbeterd certificaat";

b. "........... datum) verbeterd uittreksel";

met een afdruk van haar officiële dienststempel.

Daarnaast worden in voorkomende gevallen de vroegere afschrijvingen van het originele certificaat op het verbeterde certificaat overgenomen.

Wanneer de instantie van afgifte rectificatie van het certificaat (of het uittreksel) niet noodzakelijk acht, dan brengt zij op het certificaat de volgende vermelding aan:

- "op ....... (datum) geverifieerd overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EG) nr. 376/2008";

- een afdruk van haar dienststempel.

Verbeterde certificaten hebben dezelfde rechtskracht als het originele certificaat. Met dit certificaat kunnen dus ook nieuwe zendingen worden uitgevoerd.

(artikel 25, lid 2, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Zie voor meer informatie paragraaf 2.2.4.

          Duplicaten van certificaten

De instantie van afgifte kan duplicaten van certificaten of van uittreksels van certificaten afgeven, als het originele certificaat of uittreksel verloren is gegaan en met gebruikmaking van dit originele certificaat of uittreksel al zendingen uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd.

U kunt een duplicaat van een certificaat of uittreksel herkennen aan de vermelding "Duplicaat" welke diagonaal over het certificaat is aangebracht.

(artikel 38, lid 1, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Met een duplicaat van het certificaat of uittreksel kan de titularis bij de instantie van afgifte aantonen welke zendingen al uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd met gebruikmaking van het oorspronkelijke certificaat (of uittreksel). Nieuwe zendingen kunnen echter niet met gebruik van een duplicaat certificaat (of duplicaat uittreksel) uit de Gemeenschap worden uitgevoerd.

(artikel 38, lid 2, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Zie voor meer informatie paragraaf 2.2.3.

          Vervangingscertificaten

Als een certificaat of uittreksel van een certificaat verloren gaat voordat er zendingen met dit certificaat zijn uitgevoerd, dan kan de titularis bij de instantie van afgifte een vervangingscertificaat aanvragen.

Het verschil tussen vervangingscertificaten en duplicaat certificaten is dat op duplicaten uitsluitend al eerder gerealiseerde zendingen kunnen worden afgeschreven en op vervangingscertificaten uitsluitend nieuwe zendingen.

(artikel 35 en 36 Verordening (EG) nr. 376/2008)

U kunt een vervangingscertificaat herkennen aan de volgende, rood onderstreepte vermelding in vak 22:

"Certificaat (of uittreksel) ter vervanging van een verloren gegaan certificaat (of uittreksel) -nummer van het oorspronkelijke certificaat: ...."

Als het vervangingscertificaat in een andere lidstaat van de Gemeenschap is afgegeven, dan staat deze tekst vermeld in de officiële taal van die lidstaat.

(artikel 35, lid 4, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Op het vervangingscertificaat komen dezelfde aantekeningen en vermeldingen als op het originele certificaat. Dit vervangingscertificaat wordt gebruikt bij de aangifte ten uitvoer van nog te realiseren uitvoerzendingen.

(artikel 35, lid 4, Verordening (EG) nr. 376/2008)

          Tweede voorfixatiecertificaten

De titularis kan bij overmacht de instantie van afgifte verzoeken om de geldigheidsduur van een voorfixatiecertificaat te verlengen. Zolang deze instantie nog geen beslissing heeft genomen op dit verzoek, kan in afwachting van deze beslissing een tweede certificaat worden afgegeven. Dit tweede certificaat wordt afgegeven voor ten hoogste de hoeveelheid die nog niet is gebruikt van het voorfixatiecertificaat waarvoor verlenging van de geldigheidsduur is aangevraagd.

U kunt een tweede voorfixatiecertificaat herkennen doordat in vak 20 van het certificaat de volgende tekst is vermeld:

"Certificaat afgegeven overeenkomstig artikel 41 van Verordening (EG) nr. 376/2008; oorspronkelijk certificaat nr. ....."

Als het tweede voorfixatiecertifcaat in een andere lidstaat van de Gemeenschap is afgegeven, dan staat deze tekst vermeld in de officiële taal van die lidstaat.

(artikel 41, lid 1, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Dit tweede voorfixatiecertificaat kan worden gebruikt voor nog uit te voeren zendingen.

2.1.6. Invulling certificaten

Hoewel de invulling van de certificaten volledig de verantwoordelijkheid is van de instantie van afgifte, worden in deze paragraaf een aantal vakken besproken die bij de behandeling van het certificaat voor de douane van belang zijn.

          Vak 4 (Titularis)

Het certificaat wordt afgegeven op naam van degene die het certificaat aanvraagt. De naam van de aanvrager wordt vermeld in vak 4 (titularis) van het certificaat. De titularis is verplicht om ervoor te zorgen dat alle verplichtingen die uit de afgifte van het certificaat voortvloeien, ook worden nagekomen.

(artikel 7 Verordening (EG) nr. 376/2008)

Vak 6 (Rechten overgedragen aan)

De titularis kan het certificaat overdragen aan een ander. Hierbij worden dan uitsluitend de rechten en niet de verplichtingen van het certificaat overgedragen. Degene aan wie de rechten worden overgedragen (de cessionaris), wordt in vak 6 van het certificaat vermeld. De cessionaris kan ook buiten de Gemeenschap gevestigd zijn. Een cessionaris kan zijn recht niet verder overdragen.

Wel kan een cessionaris het recht van cessie weer teruggeven aan de titularis (retrocederen) voor de hoeveelheid die nog niet op het certificaat (of het uittreksel) is afgeschreven. In dit geval wordt in vak 6 van het invoercertificaat de volgende vermelding aangebracht:

"aan de titularis geretrocedeerd op ......"

(artikel 8 Verordening (EG) nr. 376/2008)

De overdracht (cessie) kan worden gedaan door:

- de instantie van afgifte van het certificaat;

- de instantie die hiervoor door een lidstaat is aangewezen.

In Nederland is uitsluitend het productschap dat het certificaat heeft afgegeven, aangewezen om de rechten over te dragen.

Op het certificaat worden in vak 6 de volgende vermeldingen opgenomen:

- de naam en het adres van de cessionaris;

- de datum waarop de vermelding wordt geplaatst.

Deze vermeldingen worden door de bevoegde instantie gewaarmerkt door plaatsing van een afdruk van het officiële dienststempel van deze instantie.

          Vak 7 (Land van bestemming)

In de meeste gevallen is het voor de Europese Commissie niet van belang naar welk derde land de goederen worden uitgevoerd. In dit geval zijn hiervoor in de basisverordening of de betreffende uitvoeringsverordening(en) dan ook geen speciale regelingen opgenomen. In vak 7 van het certificaat is de ruimte voor het woordje "NEEN" dan ingevuld met de letter X en het land van bestemming hoeft niet te worden genoemd.

          Let op

Is het land van bestemming in deze situatie toch in vak 7 op het certificaat vermeld, dan hoeft u aan deze vermelding geen aandacht te schenken. Uitvoer naar een ander derde land is in dit geval gewoon toegestaan.

In sommige gevallen wil de Europese Commissie echter wel weten naar welke landen de goederen worden uitgevoerd. In deze gevallen zijn hier speciale regels voor gegeven in de basisverordening of de betreffende uitvoeringsverordening(en).

Het derde land van bestemming is ook van belang als er voor de uit te voeren goederen een zogenaamde gedifferentieerde restitutie van toepassing is. Een gedifferentieerde restitutie is een restitutie waarbij de hoogte van het restitutiebedrag varieert, afhankelijk van het land (of de groepen van landen) waar de goederen naartoe worden geëxporteerd.

Als de Europese Commissie wel wil weten naar welke landen de goederen worden uitgevoerd, is in vak 7 van het certificaat de ruimte voor het woordje "JA" ingevuld met de letter X en is het land van bestemming ingevuld. De goederen moeten nu verplicht worden uitgevoerd naar dit aangegeven land.

(artikel 7, lid 3, Verordening (EG) nr. 376/2008)

          Vak 8 (Vaststelling vooraf gevraagd)

Als in vak 8 de ruimte voor het woord "JA" is gevuld met de letter X, dan heeft dit certificaat de functie van voorfixatiecertificaat. Als de ruimte voor het woord "NEEN" is gevuld met de letter X, dan is de restitutie niet vooraf vastgesteld. In dit laatste geval heeft het certificaat meestal de functie van een uitvoervergunning.

          Vak 11 (Totaalbedrag van de zekerheid in nationale munt)

Bedragen worden door de landen in de Eurozone steeds in cijfers en in euro's uitgedrukt.

De soort valuta waarin de zekerheid is gesteld, heeft geen gevolgen voor de behandeling van het certificaat.

          Vak 12 (Laatste dag van geldigheid)

Voor de geldigheidsduur van de certificaten wordt een combinatie van zes cijfers gebruikt. Deze combinatie is als volgt opgebouwd:

- De eerste twee posities geven de dag aan (van 01 tot en met 31).

- De middelste twee posities geven de maand aan (van 01 tot en met 12).

- De laatste twee posities geven de laatste twee cijfers van het jaar aan.

Voor de geldigheidsduur van certificaten gelden de volgende bepalingen:

- Certificaten waarvan de geldigheidsduur op de dag van aanvaarding van de aangifte is verstreken, mogen niet meer in behandeling worden genomen.

- Als de geldigheidsduur van een certificaat eindigt op een algemeen erkende feestdag, een zaterdag of zondag, zijn er op grond van de Algemene Termijnenwet de volgende twee mogelijkheden:

- In de meeste gevallen wordt de geldigheidsduur van het certificaat automatisch verlengd tot het einde van het laatste uur van de volgende werkdag.

- In sommige gevallen is echter bepaald dat de geldigheidsduur van het certificaat is beperkt tot een bepaalde datum en dat deze datum niet mag worden verlengd. Als deze datum valt op een erkende feestdag, een zaterdag of een zondag, dan mag de geldigheidsduur niet worden verlengd. Op het certificaat is dan in vak 22 een clausule opgenomen die vermeldt dat de geldigheidsduur van het certificaat niet volgens de algemene regel mag worden verlengd.

Zie voor meer informatie over een eventuele verlenging van de geldigheidsduur van het certificaat "Vak 24 (Verlenging geldigheidsduur)" in deze paragraaf.

          Vak 14 (Handelsbenaming)

In vak 14 wordt het product waar het certificaat betrekking op heeft volgens de algemeen geldende handelsbenaming vermeld.

          Vak 15 (Omschrijving volgens de Gecombineerde Nomenclatuur)

In vak 15 wordt het product waar het certificaat betrekking op heeft vermeld volgens de omschrijving in de Gecombineerde Nomenclatuur (GN). Als er voor deze goederen bij uitvoer een restitutiecode (productcode) is vastgesteld, dan moet deze restitutiecode ook in vak 15 zijn opgenomen.

          Vak 16 (GN-code)

De code van het uit te voeren product volgens de Gecombineerde Nomenclatuur wordt in vak 16 van het certificaat vermeld.

Een voorfixatiecertificaat kan in bepaalde gevallen ook worden gebruikt voor een product met een andere goederencode dan de goederencode die is vermeld in vak 16 van het uitvoercertificaat. Voorwaarde hiervoor is wel dat beide goederen onder dezelfde productgroep of categorie vallen.

Welke goederen onder welke productgroep of categorie vallen, is in aparte verordeningen vastgesteld. Om het voor de Douane gemakkelijker te maken om te controleren of het certificaat wel kan dienen voor de uitvoer van de aangeboden goederen, moeten bij dit soort zendingen in vak 22 van het uitvoercertificaat de andere goederencodes van de productgroep of de categorie worden vermeld. Deze vermelding wordt voorafgegaan door de volgende aantekening:

"Productgroep als bedoeld in artikel 4, lid 2 van Verordening (EG) nr. 612/2009".

(artikel 4, lid 2, Verordening (EG) nr. 612/2009)

          Vak 17 en vak 18 (Hoeveelheid in cijfers en in letters)

Hoeveelheden worden in de certificaten uitgedrukt in cijfers (vak 17) en in letters (vak 18) in metrieke gewichts- of inhoudseenheden. Daarbij worden de volgende afkortingen gebruikt:

Afkorting Toelichting
........... .................

t

Ton

kg

Kilogram

hl

Hectoliter

          Vak 19 (Tolerantie)

Hoewel op het certificaat in vak 17 en vak 18 een vastgestelde hoeveelheid goederen is vermeld waarvoor dit certificaat geldig is, is op deze hoeveelheid vaak toch een bepaalde afwijking toegestaan (tolerantie). Deze afwijking is het gevolg van ervaringen binnen de handel dat het vaak niet mogelijk is om exacte gewichten te leveren. In het algemeen mag er met een certificaat dus een bepaald percentage meer of minder worden uitgevoerd dan de hoeveelheid die in de vakken 17 en 18 staat vermeld.

In het algemeen mag er 105% van de hoeveelheid die op het certificaat staat vermeld, worden uitgevoerd. Het percentage van de speling (die maximaal 5% mag zijn) wordt in vak 19 van het certificaat vermeld door de instantie van afgifte.

In een aantal gevallen is deze tolerantie naar boven echter niet toegestaan. De instantie van afgifte heeft dan in vak 19 van het certificaat vermeld "0" en de maximale hoeveelheid die mag worden uitgevoerd, is de hoeveelheid die in de vakken 17 en 18 staat vermeld.

(artikel 7, lid 4, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Om aan de verplichting tot uitvoer te voldoen moet de exporteur minimaal 95% van de hoeveelheid die op het certificaat staat vermeld, uitvoeren.

(artikel 7, lid 5, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Als het certificaat betrekking heeft op levende dieren en er is sprake van een afwijkende hoeveelheid, dan wordt de uitkomst van de berekening van de tolerantie afgerond op het dichtstbijzijnde hogere aantal dieren.

(artikel 7, lid 6, Verordening (EG) nr. 376/2008)

          Vak 20

Wanneer een uitvoercertificaat is afgegeven in het kader van voedselhulpacties in de zin van artikel 10, lid 4, van de in het kader van de Uruguayronde gesloten overeenkomst inzake de landbouw, dan is in vak 20 de volgende vermelding aangebracht:

GATT-certificaat - voedselhulp

          Vak 21

Dit vak is ingevuld wanneer de restitutie vooraf is vastgesteld. In de andere gevallen staat hier een "X".

Wanneer de heffing bij uitvoer vooraf is vastgesteld, dan is in vak 21 de vermelding "Restitutie" doorgehaald en is hiervoor in de plaats de vermelding "Uitvoerheffing " aangebracht.

          Vak 22 (Bijzondere voorwaarden)

Het kan voorkomen dat certificaten worden afgegeven voor goederen die aan bepaalde eisen moeten voldoen, bijvoorbeeld wat betreft de kwaliteit van de goederen of de gebruikte verpakking. Deze bijzondere voorwaarden zijn dan vermeld in vak 22 van het certificaat. Het certificaat is in deze gevallen uitsluitend geldig voor de producten die voldoen aan deze voorwaarden.

          Vak 24 (Verlenging geldigheidsduur)

Als de geldigheidsduur van een certificaat is (of dreigt te) verlopen, dan kan de titularis verzoeken om een verlenging van de geldigheidsduur. Uitsluitend de instantie van afgifte kan over dit verzoek beslissen. Als de instantie van afgifte de geldigheidsduur verlengt, dan vermeldt deze instantie dit in vak 24 van het certificaat. Deze verlenging wordt door een geautoriseerde medewerker van deze instantie ondertekend en voorzien van een afdruk van het dienststempel.

(artikelen 39 en 40 Verordening (EG) nr. 376/2008)

2.2. Procedures en ambtelijke werkzaamheden

Bij de aangifte ten uitvoer overlegt de belanghebbende exemplaar nummer 1 van het uitvoercertificaat aan de Douane. Voor u als douaneambtenaar zijn daarbij de volgende procedures en ambtelijke werkzaamheden van belang:

- certificaat behandelen (paragraaf 2.2.1);

- certificaat afschrijven (paragraaf 2.2.2);

- duplicaat certificeren (paragraaf 2.2.3);

- wijzigingen verifiëren (paragraaf 2.2.4);

- steekproefgewijze controle door de certificaatafgevende instantie (paragraaf 2.2.5).

2.2.1. Certificaat behandelen

Bij het behandelen van een certificaat kunnen de volgende werkzaamheden worden onderscheiden

- het berekenen van de maximale hoeveelheid die met een certificaat mag worden uitgevoerd;

- het behandelen van een certificaat bij een aangifte ten uitvoer.

Als een certificaat voor de eerste keer bij de Douane wordt aangeboden, moet allereerst de maximale hoeveelheid (inclusief de toegestane tolerantie) worden berekend die met het certificaat mag worden uitgevoerd.

Als u de maximale hoeveelheid (inclusief de toegestane tolerantie) moet berekenen die met een certificaat mag worden uitgevoerd gaat u als volgt te werk:

1. Stel de hoeveelheid vast die met het certificaat mag worden uitgevoerd, inclusief de eventueel in vak 19 vermelde tolerantie.

2. Vermeld deze hoeveelheid in cijfers op de achterzijde van het certificaat in het eerste deelvakje van kolom 29 (het vak met nummer 1).

Zo'n eerste aanbieding van een certificaat kan gepaard gaan met een aangifte ten uitvoer, maar dit is niet noodzakelijk.

Als u belast bent met de behandeling van een certificaat bij de aangifte ten uitvoer gaat u als volgt te werk:

1. Ga na of het certificaat aan de volgende voorwaarden voldoet:

    - Het nummer van het certificaat dat wordt aangeboden, komt overeen met het nummer van het certificaat welke is vermeld in vak 44 van de aangifte ten uitvoer.

    - Het certificaat is afgegeven door een bevoegde instantie.

    - De exporteur op de aangifte ten uitvoer is gerechtigd het certificaat te gebruiken (zie ook paragraaf 2.1.2).

    - De geldigheidsduur van het certificaat is niet verlopen.

    - De goederen die worden uitgevoerd, komen overeen met de goederen waarvoor het certificaat geldt.

    - De goederen voldoen aan de eventuele bijzondere voorwaarden waaraan ze volgens het certificaat (vak 22) moeten voldoen.

    - De hoeveelheid goederen die wordt uitgevoerd, is nog beschikbaar op het certificaat.

    - De goederen worden uitgevoerd naar het derde land dat, als er sprake is van een verplicht land van bestemming, staat vermeld in vak 7.

    - Er komen geen wijzigingen of doorhalingen in het certificaat voor (zie paragraaf 2.2.4). Als het certificaat niet aan een of meerdere van deze voorwaarden voldoet, ga dan verder met stap 2. Voldoet het certificaat wel aan alle voorwaarden, ga dan verder met stap 3 en volgende.

2. Het certificaat kan niet dienen voor de uitvoer van de ten uitvoer aangeboden goederen. Stel in dit geval vast of de uitvoer (of een daarmee gelijkgestelde bestemming; zie paragraaf 2.1.2) van de goederen zonder een geldig uitvoercertificaat wel is toegestaan. Er zijn dan twee mogelijkheden:

    - Als er een uitvoercertificaat is voorgeschreven omdat het certificaat de functie heeft van uitvoervergunning, dan geldt er voor deze goederen een uitvoerverbod.

    - Als er geen uitvoercertificaat is voorgeschreven, kunnen de goederen wel worden uitgevoerd of een daarmee gelijkgestelde bestemming bereiken. Er bestaat dan echter geen recht op restitutie.

    Let op
    U kunt in dit geval het beste contact opnemen met de aangever. De vrijgave van de goederen voor uitvoer of een daarmee gelijkgestelde bestemming kan namelijk grote financiële gevolgen voor hem hebben. Maak een verslag van de afspraken die u hierover met de aangever maakt voeg dit in het aangiftedossier.
    Het certificaat kan in dit geval in het algemeen aan de belanghebbende worden teruggegeven in verband met artikel 200 TVo. CDW (de bij de aangifte gevoegde documenten worden door de douaneautoriteiten bewaard, tenzij zij door de aangever voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt). Bij een vermoeden van fraude kan de Douane het certificaat in het kader van het opsporingsonderzoek achterhouden.

3. Als het certificaat kan dienen voor de uitvoer (of een daarmee gelijkgestelde bestemming), schrijf het certificaat dan af naar de netto hoeveelheid die u bij de controle van de aangifte hebt bevonden. Hoe u dit doet, leest u in paragraaf 2.2.2.

4. Als de goederen een verplichte bestemming moeten volgen, ga dan na of de goederen ook daadwerkelijk naar het derde land dat op het certificaat staat aangegeven, worden vervoerd. U kunt dit aan de hand van de vervoersbescheiden controleren.

    Let op
    Als u hierbij afwijkingen constateert, geef de zending dan wel gewoon vrij, maar leg van uw bevindingen duidelijk verslag op de aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F). Met deze informatie kan het productschap een nader onderzoek instellen naar de zending.

5. Geef het certificaat terug aan de belanghebbende.

2.2.2. Certificaat afschrijven

Als u een certificaat moet afschrijven, gaat u als volgt te werk:

          1. Vermeld in het eerste vrije deelvakje (het vak met nummer 2) van kolom 29 van het certificaat in cijfers de hoeveelheid die u bij de controle van de aangifte heeft bevonden.

          2. Trek de hoeveelheid die u in het vak met nummer 2 heeft ingevuld, af van de hoeveelheid die in het vak met nummer 1 daarboven staat vermeld. Plaats de uitkomst van deze berekening in cijfers in het eerste vrije vak met nummer 1.

          3. Vermeld in het corresponderende deelvak van kolom 30 de hoeveelheid die u bij de controle van de aangifte heeft bevonden in letters.

          4. Vermeld in het corresponderende deelvak van kolom 31 de volgende gegevens:

            - het soort douanedocument dat op de zending betrekking heeft;

            - het nummer van het douanedocument dat op de zending betrekking heeft;

            - de datum van de afschrijving, dat wil zeggen de dag waarop de aangifte ten uitvoer door de Douane is aanvaard.
            (artikel 24, lid 3, Verordening (EG) nr. 376/2008)

          5. Vermeld in hetzelfde deelvak van kolom 31 een van de volgende aantekeningen:

            a. "EXPORT" als de goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap worden uitgevoerd;

            b. "INTERN" als de goederen met een bijzondere bestemming binnen de Gemeenschap worden afgeleverd;

          6. Zet in het corresponderende deelvak van kolom 32:

            - uw naam;

            - "NL";

            - uw handtekening;

            - een afdruk van het metalen dienststempel.

          Let op

Als aan de achterzijde van het certificaat onvoldoende ruimte is voor de afschrijving, hecht dan een of meer verlengstroken, oftewel allonges, aan het certificaat. Deze verlengstroken zijn voorzien van de afschrijvingsvakken die ook op de achterzijde van exemplaar 1 van het certificaat voorkomen.

Plaats hierna een afdruk van het dienststempel voor de helft op het certificaat en voor de helft op de verlengstro(o)k(en).

(artikel 27 Verordening (EG) nr. 376/2008)

Als u bij de afschrijving een fout maakt, gaat u als volgt te werk:

1. Haal de foute afschrijving door.

2. Plaats de juiste aantekening.

3. Verklaar de doorhaling en de verbetering voor echt door hierbij uw handtekening en een afdruk van het dienststempel te plaatsen.

Afschrijving van het uitvoercertificaat vindt plaats op het moment dat de goederen worden vrijgegeven. Na afschrijving geeft u het certificaat terug aan belanghebbende.

Let op
Bij twijfel over de juistheid van het overgelegde certificaat of juistheid van de goederencode schrijft u het certificaat niet af op het moment van vrijgave van de goederen. De afschrijving van het uitvoercertificaat vindt in dat geval plaats op het moment dat uit de verificatiebevindingen blijkt dat het certificaat kan worden gebruikt voor de ingediende aangifte.

          Informeren productschap

Als het certificaat reeds is afgeschreven en op een later tijdstip ontvangt u de laboratoriumuitslag gaat u als volgt te werk:

Het productschap moet worden geïnformeerd over de uitslag van het monsteronderzoek. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden:

1. Uitslag monsteronderzoek conform

Wanneer de uitslag van het (monster)onderzoek conform is, beëindigt u de verificatie. Het productschap wordt in geval van een elektronische aangifte via de download van de gegevens uit Douane Sagitta Uitvoer ingelicht. Indien een schriftelijke aangifte is ingediend maakt u een formulier IUD 13 op.

2. Uitslag monsteronderzoek niet conform

Wanneer de uitslag van de verificatie niet conform is, corrigeert u de aangifte overeenkomstig de bevindingen. Vervolgens beëindigt u de verificatie.Zowel bij een elektronische aangifte als bij een schriftelijke aangifte maakt u een IUD 13 opgemaakt. Het productschap onderneemt de noodzakelijke stappen richting de titularis c.q. cessionaris van het certificaat (bijvoorbeeld het verbeurd verklaren van de op het certificaat gestelde zekerheid). Alle door de Douane ondernomen stappen, inclusief de strafrechtelijke gevolgen, legt u vast in het FYCO-dossier. De vastgestelde onregelmatigheid legt u vast in de applicatie DFB.

Indien het uitvoercertificaat is afgegeven in een andere lidstaat zal het productschap de betreffende afgevende instantie informeren.

2.2.3. Duplicaat certificeren

Als een belanghebbende zijn originele certificaat is kwijtgeraakt, dan kan hij een duplicaat aanvragen bij de instantie die het oorspronkelijke certificaat heeft afgegeven. Daarna moet hij dit duplicaat ter certificering aanbieden bij het aangiftepunt waar de zendingen met het originele uitvoercertificaat eerd er zijn uitgevoerd.

(artikel 38, lid 3, Verordening (EG) nr. 376/2008).

Als u belast bent met het certificeren van een duplicaat certificaat, gaat u als volgt te werk:

          1. Vermeld op het duplicaat de afschrijvingen van de zendingen die eerder met het originele (uittreksel van het) certificaat bij uw aangiftepunt zijn uitgevoerd. Deze afschrijvingen kunt u aan de hand van de exemplaren nummer 3 van de aangiften ten uitvoer (bij een schriftelijke aangifte) of aan de hand van de in Sagitta uitvoer vastgelegde gegevens (bij een elektronische aangifte) vaststellen.

          2. Onderteken deze afschrijvingen en plaats hierbij een afdruk van het metalen dienststempel.

          3. Geef het aldus gecertificeerde duplicaat terug aan belanghebbende.

De belanghebbende kan met het aldus gecertificeerde duplicaat bij de instantie van afgifte van het certificaat aantonen welke zendingen al eerder zijn uitgevoerd. Voor dit gedeelte geeft deze instantie de certificaatzekerheid vrij.

Als er op het oorspronkelijke certificaat daarna nog goederen overblijven die niet uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd of een daarmee gelijksgestelde bestemming hebben bereikt dan wordt voor dit gedeelte de zekerheid verbeurd.

2.2.4. Wijzigingen verifiëren

Als de instantie van afgifte eenmaal het certificaat heeft afgegeven, dan mag de inhoud hiervan niet meer worden gewijzigd. Raderingen, doorschrijvingen en andere wijzigingen in het certificaat die niet door de instantie van afgifte zijn gewaarmerkt, mogen dus niet in het certificaat voorkomen; zij maken het certificaat ongeldig.

(artikel 25, lid 1, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Het kan voorkomen dat u twijfelt aan de juistheid van de vermeldingen in een certificaat. Het kan dan gaan om:

- een voorfixatiecertificaat, nodig voor het verkrijgen van restitutie;

- een verplicht uitvoercertificaat.

          Voorfixatiecertificaat verifiëren

Als u twijfelt aan de juistheid van de vermeldingen in het voorfixatiecertificaat, gaat u als volgt te werk:

1. Stuur het certificaat of een kopie hiervan naar de instantie die het certificaat heeft afgegeven met het verzoek om verificatie van het certificaat.
(artikel 28, lid 1, Verordening (EG) nr. 376/2008)

2. Als u het originele certificaat opstuurt, geef de belanghebbende hier dan op zijn verzoek een ontvangstbewijs voor. Aangezien hiervoor geen formulier is vastgesteld, kunt u dit doen door een ondertekende brief te geven waarin u verklaart dat u het certificaat heeft ingenomen.
(artikel 28, lid 2, Verordening (EG) nr. 376/2008)

3. Houd de verificatie van de aangifte ten uitvoer aan totdat u bericht krijgt over de verificatie van het certificaat.

4. Geef de goederen vrij voor vervoer.

5. Werk de aangifte af, zodra u de uitslag van de verificatie binnen heeft gekregen; houd daarbij rekening met die uitslag. Archiveer de uitslag van de verificatie van het certificaat in het aangiftedossier.

          Verplicht uitvoercertificaat verifiëren

Bij de verificatie van uitvoercertificaten kan onderscheid worden gemaakt tussen:

- de verificatie van uitvoercertificaten die in Nederland zijn afgegeven;

- de verificatie van uitvoercertificaten die in andere lidstaten zijn afgegeven.

In beide gevallen kunt u, zolang de uitslag van de verificatie niet binnen is, voor de goederen geen toestemming tot uitvoer geven; u twijfelt immers aan de geldigheid van het uitvoercertificaat dat bij de zending is overgelegd. U moet echter zo snel mogelijk voor duidelijkheid over die geldigheid zorgen, omdat het weigeren van vrijgave van de goederen voor uitvoer grote gevolgen voor de exporteur kan hebben.

Als u twijfelt aan de juistheid van de vermeldingen in het uitvoercertificaat dat in Nederland is afgegeven, gaat u als volgt te werk:

1. Neem telefonisch contact op met het productschap dat het uitvoercertificaat heeft afgegeven. Kondig aan dat u een fax gaat sturen van het certificaat, met het verzoek om het certificaat zo snel mogelijk te verifiëren. Zodra de uitslag bij dat productschap bekend is, ontvangt u van dit productschap een fax met die uitslag.

2. Werk de aangifte ten uitvoer af op grond van de uitslag van de verificatie van het certificaat. Archiveer de fax van het productschap in het aangiftedossier.

3. Geef de goederen al dan niet vrij voor uitvoer.

Als u twijfelt aan de juistheid van de vermeldingen in het uitvoercertificaat dat in een andere lidstaat is afgegeven, gaat u als volgt te werk:

1. Neem telefonisch contact op met het Douane Informatiecentrum en kondig aan dat u een fax gaat sturen van het certificaat. Het Douane Informatiecentrum neemt onmiddellijk contact op met de instantie in de andere lidstaat die het certificaat heeft afgegeven, met het verzoek om het certificaat zo snel mogelijk te verifiëren. Zodra de uitslag bekend is, ontvangt u via het Douane Informatiecentrum een fax met die uitslag.

2. Werk de aangifte ten uitvoer af op grond van de uitslag van de verificatie van het certificaat. Archiveer de fax van het Douane Informatiecentrum in het aangiftedossier.

3. Geef de goederen al dan niet vrij voor uitvoer.

Ook als u niet twijfelt aan de juistheid van de vermeldingen in een certificaat kunt u af en toe in het kader van steekproefsgewijze controle, certificaten inzenden naar de instantie van afgifte. Dit geldt zowel voor verplichte uitvoercertificaten als voor voorfixatiecertificaten.

Als u een certificaat in het kader van steekproefsgewijze controle wilt laten verifiëren, gaat u als volgt te werk:

1. Stuur een fotokopie van het certificaat naar de instantie die het certificaat heeft afgegeven met het verzoek om verificatie van het certificaat.

2. Houd de verificatie van de aangifte ten uitvoer aan totdat u bericht krijgt over de verificatie van het certificaat.

3. Geef de goederen vrij voor vervoer.

4. Zodra u de uitslag van de verificatie van het certificaat binnen heeft gekregen werkt u de aangifte af waarbij u rekening houdt met die uitslag. Archiveer de uitslag van de verificatie van het certificaat in het aangiftedossier.

          Verificatieprocedure

De instantie van afgifte zal het certificaat (of de fotokopie ervan) na ontvangst verifiëren door het ingezonden exemplaar te vergelijken met het gearchiveerde tweede exemplaar van het afgegeven certificaat. Naar aanleiding van deze verificatie zijn er twee conclusies mogelijk:

a. Het ingezonden exemplaar van het certificaat komt volledig overeen met het gearchiveerde exemplaar. In dit geval plaatst de instantie van afgifte in vak 2 of vak 23 van het certificaat de volgende vermelding:

"Geverifieerd op ....... (datum) overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EG) nr. 376/2008".

De instantie van afgifte plaatst hierbij een afdruk van haar officiële dienststempel.

b. Het ingezonden exemplaar komt niet volledig overeen met het gearchiveerde exemplaar. In dit geval zijn er drie mogelijkheden:

- De inhoud van het certificaat is gewijzigd (een schrijffout is bijvoorbeeld hersteld).

- Er is een (klein) gebrek opgetreden in het certificaat (het certificaat is bijvoorbeeld gescheurd of er is vloeistof overheen gegaan).

- Er is (vermoedelijk) gefraudeerd met het certificaat.

In de eerste twee gevallen zal de instantie van afgifte het certificaat intrekken en een nieuw certificaat afgeven, een verbeterd certificaat (zie paragraaf 2.1.5). In het laatste geval trekt de instantie van afgifte het certificaat in zonder een verbeterd certificaat af te geven.

2.2.5. Steekproefsgewijze controle door de certificaatafgevende instantie

In het kader van steekproefsgewijze controle van de afschrijvingen door de Douane, wordt elk jaar een aantal afgeschreven uitvoercertificaten naar de Douane teruggezonden voor een controle a posteriori. Hiervoor gebruikt de afgevende instantie een formulier zoals opgenomen in bijlage 1.

Na controle van de afschrijvingen door middel van vergelijking van de handtekeningen van de ambtenaren, de afdrukken van het gebruikte dienststempel en (eventueel andere informatie die uit het dossier van de betreffende aangifte ten uitvoer kan worden verkregen), tekent de ambtenaar vak IV van het formulier af en zendt het op de gebruikelijke wijze terug aan de certificaatafgevende instantie.

2.3. Nadere bepalingen

In deze paragraaf worden de volgende nadere bepalingen behandeld:

- certificaten afschrijven bij mengsels (paragraaf 2.3.1);

- buitenlandse certificaten behandelen (paragraaf 2.3.2);

- vervoersovereenkomst per spoor wijzigen (paragraaf 2.3.3).

2.3.1. Certificaten afschrijven bij mengsels

Bij uitvoer met aanspraak op restitutie van mengsels die worden ingedeeld in hoofdstuk 2, 10 of 11 van de Gecombineerde Nomenclatuur, wordt de restitutie op een van de volgende manieren berekend:

a. Voor mengsels waarvoor geldt dat een van de bestanddelen van het mengsel ten minste 90% van het gewicht uitmaakt, geldt de restitutie die voor dit bestanddeel is vastgesteld.

b. Voor andere mengsels (waarbij dus geen van de bestanddelen minimaal 90% van het gewicht van het mengsel uitmaakt) is de laagste restitutie die voor een van de bestanddelen geldt, voor het hele mengsel van toepassing.

Let op
Als voor een of meer bestanddelen van het mengsel geen restitutie is vastgesteld, wordt voor het hele mengsel geen restitutie verleend.

(artikel 13 Verordening (EG) nr. 612/2009)

Als de aangever bij de uitvoer gebruik maakt van een voorfixatiecertificaat, dan wordt het op het certificaat vooraf vastgestelde bedrag niet als restitutie uitbetaald wanneer de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur van het bestanddeel van het mengsel waarover de restitutie voor het hele mengsel wordt berekend, niet overeenkomt met de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur van het mengsel. Er is dus een verschil tussen de GN-code die voor de indeling van het mengsel wordt gebruikt, en de GN-code die voor de restitutieverstrekking wordt gebruikt.

(artikel 12 Verordening (EG) nr. 376/2008)

Dit houdt in dat u in dit geval het certificaat wel gewoon kunt afschrijven voor de uitgevoerde hoeveelheid goederen, voor zover de uitgevoerde goederen worden ingedeeld onder dezelfde GN-code als de code die in vak 16 van het certificaat staat vermeld. Voor de restitutie moeten de goederen nu echter onder een andere GN-code worden ingedeeld. Om deze reden zal het betaalorgaan voor dit product niet de restitutie uitbetalen die is voorgefixeerd, maar de restitutie die is vastgesteld met toepassing van artikel 13 Verordening (EG) nr. 612/2009.

Voorbeeld

Er wordt een mengsel van vlees ten uitvoer aangegeven. Dit mengsel bestaat voor 80% uit vlees zonder been, met goederencode 0201 3000 9100 en voor 20% uit vliesvlees met goederencode 0206 2999 0000. Bij de uitvoeraangifte wordt een voorfixatiecertificaat overgelegd waarbij in vak 16 als goederencode is vermeld 0201 3000 9100.

Voor de indeling in het tarief moet de zending met toepassing van indelingsregels 3B en 6 van de Gecombineerde Nomenclatuur worden ingedeeld onder GN-code 0201 3000 9100. Voor de restitutie moet artikel 13 van Verordening (EG) nr. 612/2009 worden toegepast. Als restitutiecode moet nu code 0206 2999 0000 worden gebruikt. Omdat voor deze restitutiecode geen restitutie is vastgesteld, bestaat er voor de hele partij geen recht op restitutie.

Als u een verschil constateert tussen de GN-code die voor de indeling van het mengsel wordt gebruikt en de GN-code die voor de restitutieverstrekking van toepassing is, gaat u als volgt te werk:

          1. Schrijf het certificaat gewoon af, voor zover de uitgevoerde goederen worden ingedeeld onder dezelfde GN-code als de code die staat vermeld in vak 16 van het certificaat.

          2. Plaats de vermelding "Toepassing artikel 11 Verordening (EG) nr. 376/2008)" in een van de volgende vakken:

            - als de aangifte schriftelijk is ingediend:

          1. in het vak D/J (Verificatiebevindingen) van de aangifte ten uitvoer en het landbouwformulier L(F);

          2. In het scherm "beëindiging verificatie S-aangifte" van Sagitta-uitvoer;

            - als de aangifte ten uitvoer elektronisch is ingediend: in het scherm "beëindiging verificatie E-aangifte" van Sagitta-uitvoer.

            Met deze clausule maakt u aan het betreffende betaalorgaan duidelijk dat in dit geval deze bijzondere situatie speelt.

2.3.2. Buitenlandse certificaten behandelen

Wanneer het certificaat in een andere lidstaat is afgegeven, moet niet alleen het productschap in Nederland, dat voor de betaling van de restitutie bevoegd is, bericht krijgen dat de goederen zijn uitgevoerd, maar ook de instantie van afgifte van het certificaat in die andere lidstaat.

Wanneer u belast bent met de behandeling van een certificaat dat in een andere lidstaat is afgegeven, gaat u als volgt te werk:

          1. Maak, na afloop van de afschrijving van het certificaat, een fotokopie van de voor- en achterzijde van het certificaat.

          2. Vermeld op deze kopie de datum en het nummer van de aangifte ten uitvoer.

          3. Stuur de kopie naar het productschap dat bevoegd is voor de restitutieverlening van de betreffende goederen. Er zijn twee mogelijkheden:

            - Als er bij de aangifte ten uitvoer een landbouwformulier L(F) is overgelegd (schriftelijke aangifte ten uitvoer), hecht de kopie dan hieraan en zend deze naar het productschap.

            - Als er geen landbouwformulier L(F) is overgelegd (elektronische aangifte ten uitvoer) zend de kopie dan apart naar het betrokken productschap.

          4. Geef het origineel van het certificaat terug aan de belanghebbende.

2.3.3. Vervoersovereenkomst per spoor wijzigen

Als de belanghebbende de vervoersovereenkomst per spoor wil wijzigen, zodat het vervoer binnen de Gemeenschap wordt beëindigd, kunt u dit toestaan als de certificatenzekerheid nog niet is vrijgegeven. Als deze zekerheid al wel is vrijgegeven, dan moet er opnieuw zekerheid worden gesteld. Hierbij zijn twee verschillende situaties te onderscheiden:

- gebruik van een certificaat dat in Nederland is afgegeven;

- gebruik van een certificaat dat in een andere lidstaat is afgegeven.

Bij een in Nederland afgegeven certificaat handelt u als volgt:

1. Neem contact op met het productschap van afgifte voor nadere instructies.

2. Beoordeel op grond van deze nadere instructie of u het verzoek kunt inwilligen.

3. Zend een kopie van uw beslissing naar het productschap van afgifte.

Als bij de aangifte ten uitvoer een certificaat wordt overgelegd dat in een andere lidstaat is afgegeven, moet de belanghebbende bij zijn verzoek een verklaring overleggen van de instantie van afgifte over de gestelde zekerheid. U neemt dus zelf geen contact op met deze buitenlandse instantie. Als de belanghebbende deze verklaring niet overlegt, kunt u niet aan het verzoek voldoen.

2.3.4. Vervallen

2.4. Uitzonderingen

In deze paragraaf worden de volgende uitzonderingen behandeld:

- vrijstelling van uitvoercertificaat (paragraaf 2.4.1);

- telefonische vrijgave (paragraaf 2.4.2);

- deponering voorfixatiecertificaat bij productschap (paragraaf 2.4.3);

- afgifte achteraf van een voorfixatiecertificaat (paragraaf 2.4.4).

2.4.1. Vrijstelling van uitvoercertificaat

Op de algemene verplichting om bij uitvoer een uitvoercertificaat te overleggen, zijn een aantal uitzonderingen. In deze gevallen mag er bij de aangifte ten uitvoer geen certificaat door de Douane worden geëist of door de belanghebbende worden overgelegd.

Deze uitzonderingen gelden voor producten die worden uitgevoerd:

- nadat ze eerder waren ingevoerd onder de regeling actieve veredeling;

- waarbij de uitvoer wordt toegestaan (in het kader van een bijzondere regeling) zonder de inning van de verschuldigde uitvoerrechten;

- als leverantie voor proviandering in de Gemeenschap:

- van zeeschepen;

- van luchtvaartuigen die op internationale lijnen in gebruik zijn, met inbegrip van intracommunautaire lijnen;

- als leverantie aan internationale organisaties die in de Gemeenschap zijn gevestigd;

- als leverantie aan strijdkrachten die op het grondgebied van een lidstaat zijn gestationeerd, maar niet tot die lidstaat behoren;

- als leverantie van boordproviand aan boor- en productieplatforms die zich binnen het gebied van het Europees continentaal plat bevinden, maar buiten een zone van drie mijl vanaf de kust;

- als leverantie van boordproviand aan marine- en hulpschepen die de vlag van een lidstaat voeren en in volle zee opereren;

- als leverantie van boordproviand aan schepen buiten de Gemeenschap;

- voor inslag in een bevoorradingsdepot;

- als leverantie aan Helgoland;

- in zendingen waaraan elk handelskarakter vreemd is (bijvoorbeeld reizigersbagage en kleine zendingen);

- in zendingen waarvoor de douanevrijstellingen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1186/2009 van toepassing zijn. Verwezen wordt naar de artikelen 7:2 tot en met 7:7 van de Algemene douaneregeling;

- in zendingen die hoeveelheden betreffen die niet groter zijn dan de in bijlage II van Verordening (EG) nr. 376/2008 vermelde hoeveelheden.
(
artikel 4, lid 1 Verordening (EG) nr. 376/2008).

Let op

Samengestelde producten waarbij een of meer bestanddelen eerder zijn ingevoerd onder de regeling actieve veredeling en een of meer bestanddelen uit het vrije verkeer van de Gemeenschap komen. In deze gevallen wordt geen certificaat overgelegd voor de bestanddelen die eerder onder de regeling actieve veredeling zijn ingevoerd.

Bij de uitvoer uit de Gemeenschap van deze samengestelde producten moet voor de bestanddelen die uit het vrije verkeer van de Gemeenschap komen (voor zover dit is voorgeschreven in de marktordening waaronder deze bestanddelen vallen) wel gewoon een uitvoercertificaat worden overgelegd. Als er in de betreffende marktordening voor een bestanddeel geen uitvoercertificaat is voorgeschreven, en er voor dit bestanddeel ook geen restitutie wordt aangevraagd, dan wordt hiervoor vanzelfsprekend ook geen uitvoercertificaat overgelegd;

(artikel 3, lid 4, Verordening (EG) nr. 376/2008)

Voorbeeld

Een partij koekjes van 20.000 kg wordt ten uitvoer aangegeven. Bij de bereiding van deze koekjes is (naast allerlei andere ingrediënten) gebruik gemaakt van 12.000 kg tarwemeel en 7.000 kg roggemeel. Het gebruikte roggemeel is eerder ingevoerd onder de regeling actieve veredeling. Bij de uitvoer van de koekjes mag daarom geen certificaat voor het roggemeel worden overgelegd. Wel moet een uitvoercertificaat voor het tarwemeel worden overgelegd.

2.4.2. Telefonische vrijgave

In bepaalde gevallen kan het bij uitvoer noodzakelijk zijn dat goederen toch hun bestemming uitvoer volgen zonder dat het vereiste uitvoercertificaat kan worden overgelegd. Dit kan zich bijvoorbeeld in de volgende gevallen voordoen:

- Het productschap heeft het certificaat niet direct kunnen afgeven.

- Op verschillende plekken worden zendingen goederen ten uitvoer aangeboden waarvoor hetzelfde uitvoercertificaat nodig is. De aangever is vergeten een (of meerder) uittreksel(s) van het certificaat (zie paragraaf 2.1.5) aan te vragen, zodat bij minimaal een aangifte ten uitvoer een uitvoercertificaat ontbreekt.

Om hieraan tegemoet te komen is de procedure van telefonische vrijgave ingesteld. Dit houdt in dat de goederen toch de bestemming uitvoer mogen volgen op voorwaarde dat hiervoor telefonisch toestemming is gegeven. De telefonische toestemming kan uitsluitend worden verleend door de instantie die het certificaat afgeeft.

Aangezien het vaak commerciële belangen zijn die telefonische toestemming noodzakelijk maken, moet het initiatief tot het krijgen van een dergelijke toestemming uitgaan van de belanghebbende. Tot het geven van een telefonische toestemming zijn in Nederland uitsluitend het Hoofdproductschap Akkerbouw en het Productschap Tuinbouw bevoegd. Het Hoofdproductschap Akkerbouw verleent de toestemming ook namens de andere productschappen (met uitzondering van het Productschap Tuinbouw).

De telefonische toestemming aan de douanepost wordt voorafgegaan door het noemen van een codewoord. Dit codewoord wordt eens per halfjaar (door de Centrale dienst in- en uitvoer) meegedeeld aan de douane-eenheden. Naast het codewoord omvat de toestemming de volgende gegevens:

- naam en woonplaats van de exporteur;

- omschrijving van de goederen;

- goederencode/statistieknummer;

- hoeveelheid in kilogrammen of in andere maateenheid;

- land van bestemming (voor zover van belang);

- nummer van het af te geven certificaat;

- instantie van afgifte van het certificaat;

- geldigheidsduur van de telefonische vrijgave.

In afwachting van de overlegging van het certificaat wordt de verificatie van de aangifte aangehouden.

Nadat de telefonische toestemming is verleend, wordt het uitvoercertificaat toegezonden aan de betreffende douanepost. Hierbij verwijst het productschap naar het nummer van de telefonische toestemming en de datum waarop de toestemming is verleend. Na ontvangst neemt u dit certificaat op de gebruikelijke manier in behandeling en beëindigt de verificatie van de aangifte ten uitvoer.

2.4.3. Deponering voorfixatiecertificaat bij productschap

In afwijking op de algemene regel in de certificatenverordening dat het uitvoercertificaat bij de uitvoeraangifte moet worden overgelegd bij de Douane, kan een lidstaat toestaan dat het certificaat in depot wordt gegeven bij de instantie van afgifte, of in voorkomend geval, bij de met de uitbetaling van de restitutie belaste autoriteit.

In Nederland is deze algemene regel als volgt uitgewerkt:

Op verzoek van de belanghebbende kan het voorfixatie- en/of uitvoercertificaat bij het productschap worden gedeponeerd. Het productschap schrijft het certificaat af aan de hand van de informatie die via het elektronische aangiftesysteem Sagitta-Uitvoer is ontvangen. In geval van een schriftelijke uitvoeraangifte schrijft het productschap het certificaat af aan de hand van het landbouwformulier L(F).

(artikel 24 Verordening (EG) nr. 376/2008, juncto artikel 3:8 Algemene douaneregeling)

          Verwerken verzoek deponeren voorfixatie- en/of uitvoercertificaat in Sagitta-uitvoer

In het vak "Bijzondere vermeldingen" van de elektronische uitvoeraangifte moet de aangever bescheidcode 1119, met daarachter het certificaatnummer opnemen.

Verder moet in in het 2e deelvak van vak 37 wanneer sprake is van restitutie, één van onderstaande vermeldingen worden opgenomen:

- E51 restitutie met verplicht uitvoercertificaat;

- E52 restitutie zonder verplicht uitvoercertificaat.

Wanneer het 2e deelvak niet is ingevuld handelt het om een verplicht uitvoercertificaat zonder restitutie.

          Verwerken verzoek deponeren voorfixatie- en/of uitvoercertificaat in schriftelijke uitvoeraangifte

In vak 44 van de schriftelijke uitvoeraangifte en het landbouwformulier L(F) vermeldt de aangever dat het certificaat bij het productschap is gedeponeerd en het certificaatnummer.

          Afschrijving op meerdere voorfixatie- en/of uitvoercertificaten

Als in de uitvoeraangifte naar meerdere certificaten wordt verwezen, moet per certificaat worden vermeld welke hoeveelheid goederen moet worden afgeschreven.

          Let op

Ook certificaten die in een andere lidstaat zijn afgegeven kunnen in depot worden gegeven bij het productschap.

Wanneer blijkt dat een aangever in de uitvoeraangifte verwijst naar een onjuist voorfixatie- en/of uitvoercertificaat of onvoldoende hoeveelheid open staat, zal het betreffende productschap de Douane hierover informeren.

2.4.4. Afgifte achteraf van een voorfixatiecertificaat

Voor de toekenning van restituties in de sector groenten en fruit op basis van uitvoercertificaten zijn deels afwijkende uitvoeringsbepalingen vastgesteld. Naast de normale procedure (aanvraag certificaat vooraf en overlegging bij de aangifte ten uitvoer, deze certificaten heten A-certificaten) is een afwijkende procedure vastgesteld waarbij de uitvoercertificaten achteraf worden aangevraagd. Dit is het zogenaamde B-stelsel.

(Verordening (EG) nr. 1961/2001)

Voor de certificaten van het B-stelsel geldt dat de exporteur die voor restitutie in aanmerking wil komen, een uitvoercertificaat aanvraagt bij het Productschap Tuinbouw. Dit moet hij uiterlijk hebben gedaan op de tweede werkdag na de dag waarop de aangifte ten uitvoer door de Douane is aanvaard, bij de aangifte ten uitvoer wordt in dit geval dus geen uitvoercertificaat overgelegd. In de aangifte ten uitvoer verklaart de exporteur dat hij voor deze producten uitvoerrestitutie zal gaan aanvragen. Op de aangifte ten uitvoer moet de aangever ook de volgende vermelding hebben aangebracht:

"Uitvoer waarvoor achteraf een uitvoercertificaat zonder vaststelling vooraf van de restitutie (B-stelsel) zal worden aangevraagd".

Achteraf dient de aangever een certificaataanvraag in bij het Productschap Tuinbouw. Voor deze certificaten wordt een zekerheid gesteld bij het productschap. De certificaten worden in dit geval rechtstreeks door het productschap zelfstandig afgehandeld. De Douane heeft hier verder geen bemoeienis mee.

2.5. Strafbepalingen

Overtreding van de bepalingen van artikel 3:2 Algemeen douanebesluit is strafbaar gesteld bij artikel 7:3 Algemeen douanebesluit. Ook vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur een boete op kan leggen (artikel 6:3 Algemeen douanebesluit).

Overtreding van de bepalingen van artikel 3:1 Algemene douaneregeling, is strafbaar gesteld bij artikel 11:3 Algemene douaneregeling.

Terug naar tekstnavigatie

Algemeen

Terug naar tekstnavigatie

Domeinen

Website Belastingdienst
Website Douane
Website Toeslagen
Terug naar tekstnavigatie

Vaste functies

Terug naar tekstnavigatie