20.07.00 Heffingen bij uitvoer van landbouwgoederen

Tekstnavigatie

Inhoud

Talen

Doelgroepen

Zoeken

Algemeen

Domeinen

Vaste functies

Waar ben ik?

Inhoud

Inhoudsopgave

Handboek Douane

20.07.00 Heffingen bij uitvoer van landbouwgoederen, 4 april 2011, Versie 4

2. Heffingen bij uitvoer van landbouwgoederen

2.1. Algemeen

Bij verstoringen van de markt kunnen er in het handelsverkeer met derde landen maatregelen worden genomen om die verstoringen tegen te gaan. Een van die maatregelen is het vaststellen van een uitvoerheffing. De daadwerkelijke instelling van een uitvoerheffing gebeurt bij verordening. Het bedrag van de uitvoerheffing is voor de hele Gemeenschap gelijk. In bepaalde gevallen kan de hoogte van de heffing afhankelijk zijn van de bestemming (de zogenaamde gedifferentieerde heffing).

Het instellen van een uitvoerheffing komt maar zelden voor. Als een uitvoerheffing wordt ingesteld, wordt u daarvan via een mededeling op DouaneNet op de de hoogte gebracht. Daarnaast zal voor de betreffende goederen een centraal "oranje" profiel worden ingesteld in het systeem Sagitta-uitvoer.

In Verordening (EEG) nr. 120/89 zijn de gemeenschappelijke bepalingen opgenomen voor de toepassingen van de uitvoerheffingen van landbouwproducten. In hoofdstuk VI (artikelen 102 tot en met 111) van de Regeling In- en uitvoer landbouwgoederen zijn de nationale bepalingen opgenomen voor de uitvoerheffingen.

Als er uitvoerheffingen zijn vastgesteld, dan gelden deze bij elke definitieve of tijdelijke uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap van:

- producten die zich in het vrije verkeer van de Gemeenschap bevinden. Hierbij is niet van belang of de verpakking van die producten zich al dan niet in het vrije verkeer bevindt;

- producten die zich niet in het vrije verkeer van de Gemeenschap bevinden, maar die bestanddelen bevatten waarvoor de volgende voorwaarden gelden:

- Voor de bestanddelen gelden uitvoerheffingen.

- De bestanddelen bevonden zich geheel of gedeeltelijk in het vrije verkeer, voordat zij bij de vervaardiging van de uitgevoerde producten werden gebruikt. Het gaat dan bijvoorbeeld om bestanddelen uit het vrije verkeer die worden verwerkt in goederen die zijn geplaatst onder de regeling actieve veredeling (schorsingssysteem).

(artikel 2 Verordening (EEG) nr. 120/89)

Er zijn echter een aantal uitzonderingen. Als een uitvoerheffing is vastgesteld, is deze niet van toepassing op:

- producten waarvoor op een tijdstip dat er nog geen heffing maar wel een restitutie van toepassing was, de restitutie vooraf is vastgesteld of in het kader van een inschrijving is bepaald. Bij samengestelde producten heeft het niet van toepassing zijn van de heffing alleen betrekking op die bestanddelen waarvoor de restitutie vooraf is vastgesteld;

- gevallen waarvoor op grond van Titel III van Verordening (EG) nr. 1186/2009 vrijstelling van rechten bij uitvoer wordt verleend. Het betreft hier bijvoorbeeld zendingen met een te verwaarlozen waarde;

- producten die in de Gemeenschap voor bevoorrading aan boord worden gebracht van zeeschepen of luchtvaartuigen in gebruik voor het verkeer op internationale lijnen. Voorwaarde is wel dat de hoeveelheid van die producten beperkt blijft tot de normale behoeften voor het gebruik aan boord van die schepen of luchtvaartuigen;

- producten bestemd voor de strijdkrachten van een lidstaat die buiten het douanegebied van de Gemeenschap zijn gelegerd;

- kleine zendingen zonder handelskarakter, als het gewicht van de belastbare producten niet meer dan drie kilogram per zending bedraagt;

- producten in de persoonlijke bagage van reizigers, als het gewicht van de belastbare producten niet meer dan drie kilogram per reiziger bedraagt;

- leveranties van boordproviand (boor- of productieplatforms en marine- en hulpschepen) zoals bedoeld in artikel 41, lid 1, van Verordening (EG) nr. 612/2009 waarop de voorwaarden die in artikel 44 zijn aangegeven van toepassing zijn.

Let op
Er zijn voorwaarden gesteld aan het niet toepassen van een uitvoerheffing voor producten bestemd voor de strijdkrachten van een lidstaat, die buiten het douanegebied van de Gemeenschap zijn gelegerd. Het niet toepassen van een uitvoerheffing is in dit geval alleen mogelijk als:

- de betrokken strijdkrachten een bewijs afgeven waarin de bestemming van de betreffende producten is aangegeven;

- de betrokken strijdkrachten waarborgen kunnen bieden voor de aankomst van de producten op de plaats van bestemming.

(artikel 3 Verordening (EEG) nr. 120/89)

Naast deze uitzonderingen kunnen in verordeningen specifieke bepalingen zijn opgenomen dat de uitvoerheffing niet wordt toegepast bij uitvoer in het kader van voedselhulp. In dat geval zal dit moeten blijken uit het uitvoercertificaat dat bij uitvoer wordt overgelegd.

De volgende onderwerpen die van belang zijn voor aangiften ten uitvoer met uitvoerheffingen worden hierna behandeld:

- hoogte van de heffing (paragraaf 2.1.1);

- gedifferentieerde uitvoerheffingen (paragraaf 2.1.2);

- voldoen van de heffing en zekerheidstelling (paragraaf 2.1.3);

- verhoging heffing (paragraaf 2.1.4);

- uitnodiging tot betaling (paragraaf 2.1.5);

- terugbetaling of kwijtschelding (paragraaf 2.1.6);

- invordering (paragraaf 2.1.7).

2.1.1. Hoogte van de uitvoerheffing

Bij uitvoer is de heffing van toepassing die geldt op de dag waarop de Douane de aangifte ten uitvoer voor de betrokken producten aanvaardt, tenzij de uitvoerheffing vooraf is vastgesteld of in het kader van een inschrijving is bepaald.

Als een aangifte ten uitvoer is aanvaard, moeten de goederen in principe binnen zestig dagen na de aangifte ten uitvoer het douanegebied van de Gemeenschap verlaten. Zo niet, dan kan een andere heffing ("hoogste heffing") van toepassing zijn. De termijn van zestig dagen wordt bewaakt door het controle-exemplaar T5 (zie ook paragraaf 2.2.2).

      Hoogste heffing

Onder het begrip "hoogste heffing" moet worden verstaan: de hoogste uitvoerheffing (uitgedrukt in euro's) die voor het product en de bestemming hebben gegolden in de periode waarin de heffingen zijn vergeleken.

De hoogste heffing is, afgezien van overmacht, in de volgende situaties van toepassing:

- De betreffende producten hebben het douanegebied van de Gemeenschap pas na de zestigste dag verlaten (te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer).

- Het bewijs dat de producten het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten (bewijs van uitgang), wordt niet geleverd binnen een termijn van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer.

In die gevallen is de hoogste van de volgende uitvoerheffingen van toepassing:

- de heffing die gold in de periode van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer tot en met de datum waarop de producten het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten;

- (in voorkomend geval) de vooraf vastgestelde heffing.

Voor de toepassing van de hoogste heffing wordt geen rekening gehouden met een restitutie die in de tussenliggende periode wordt vastgesteld.

(artikel 4 Verordening (EEG) nr. 120/89)

De instantie waar de uitvoerheffing wordt betaald (de inspecteur of het productschap) controleert de termijnen van zestig dagen en twaalf maanden. Als niet aan de termijnen wordt voldaan, stelt deze instantie tevens vast of er sprake is van overmacht.

      Overige situaties

In overige situaties dan bedoeld in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 120/89 en wanneer geen restitutiebedrag wordt toegekend voor de producten, geldt de volgende procedure voor het vaststellen van de hoogte van de uitvoerheffing. 1)

      .....

      1) Een voorbeeld van een dergelijke situatie is dat de voorwaarden die gelden voor vrijstelling van de uitvoerheffing niet worden nagekomen, terwijl op die vrijstelling wel aanspraak is gemaakt.

Bij een overschrijding van de termijn van zestig dagen ontstaat een douaneschuld ten laste van de aangever op grond van artikel 209 CDW. Deze douaneschuld wordt berekend volgens het tarief van de "hoogste heffing", zoals bedoeld in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 120/89. Dit gebeurt op basis van de gegevens die in de oorspronkelijk aanvaarde uitvoeraangifte zijn vermeld.

De bepaling dat door het niet inachtnemen van de gestelde termijn de betreffende aangifte ongeldig wordt, is niet van toepassing op deze situatie.

(artikel 251, lid 2, laatste alinea, TVo. CDW)

Vanaf de dag dat een uitvoerheffing voor goederen is ingesteld, brengt het douanekantoor van uitgang het douanekantoor van uitvoer op de hoogte van de datum waarop de goederen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten. Dit gebeurt door aftekening van het controle-exemplaar T5 (zie ook paragraaf 2.2.2). Het douanekantoor van uitgang vermeldt op het controle-exemplaar T5 de volgende clausule:

"Toepassing van artikel 4bis van Verordening (EEG) nr. 120/89".

Ook een vergelijkbare clausule in een van de andere tien talen van de Gemeenschap is mogelijk.

(artikel 4bis Verordening (EEG) nr. 120/89)

2.1.2. Gedifferentieerde uitvoerheffingen

De uitvoerheffing kan, afhankelijk van de bestemming van de goederen, verschillen. Er is dan sprake van de zogenaamde gedifferentieerde heffing. In dat geval wordt de heffing opgelegd die geldt voor de bestemming die de aangever in de aangifte ten uitvoer heeft aangegeven.

      Zekerheid stellen

Voor het eventuele verschil tussen de toegepaste heffing en de hoogste heffing die op de dag van uitvoer geldt, moet de aangever zekerheid stellen om de inning van de heffing te verzekeren voor het geval de goederen de aangegeven bestemming niet bereiken. De aangever moet dit doen bij de inspecteur bij wie de heffing is betaald of bij het productschap waar zekerheid is gesteld. Zie ook paragraaf 2.1.3.

      Bewijs van invoer

Als de zekerheid is gesteld, moet de exporteur binnen twaalf maanden na aanvaarding van de aangifte ten uitvoer het bewijs leveren dat het product in het land van bestemming is ingevoerd. Dit bewijs levert hij overeenkomstig artikel 17 Verordening (EG) nr. 612/2009.

Als de exporteur het bewijs van invoer niet binnen twaalf maanden levert, wordt aangenomen dat de producten zijn aangekomen op de bestemming waarvoor de hoogste heffing geldt. De zekerheid wordt dan als uitvoerheffing verbeurd door de instelling waar de zekerheid is gesteld. Voor het begrip "hoogste heffing" wordt verwezen naar paragraaf 2.1.1.

Als er sprake is van overmacht (bijvoorbeeld een staking van de douaneautoriteiten in het land van bestemming), kan de termijn van twaalf maanden worden verlengd. Dit is echter alleen mogelijk als de exporteur het nodige heeft gedaan om de bewijzen binnen de termijn te verkrijgen. De instantie waar de zekerheid is gesteld, verlengt de termijn voor de duur die zij wegens de aangevoerde omstandigheden nodig acht.

Als de exporteur het bewijs van invoer binnen de voorgeschreven termijn levert, wordt de zekerheid vrijgegeven (afhankelijk van de bereikte bestemming en de hoeveelheden waarvoor het bewijs is geleverd). Als de zekerheid niet of slechts gedeeltelijk wordt vrijgegeven, wordt het niet-vrijgegeven bedrag als uitvoerheffing verbeurd.

Als de exporteur binnen de voorgeschreven termijn het bewijs levert dat het product een bestemming heeft bereikt waarvoor het bedrag van de heffing lager is dan het geheven bedrag, wordt het te betalen bedrag aangepast en de eventueel gestelde zekerheid vrijgegeven.

(artikel 5 Verordening (EEG) nr. 120/89)

2.1.3. Voldoen van de heffing en zekerheidstelling

De aangever kan in principe kiezen of hij de uitvoerheffing bij de inspecteur of bij het productschap betaalt.

Als de aangever kiest voor het productschap, dan deelt hij dit mee aan de inspecteur. Dit kan hij op twee manieren doen:

- Bij schriftelijke aangiften moet hij een verklaring van het productschap overleggen die is gesteld op het Landbouwformulier L(F) (zoals bedoeld in artikel 39 van de Douaneregeling).

- Bij elektronische aangiften moet hij een verklaring van het productschap overleggen die is gesteld op het formulier zekerheidstelling. Het formulier zekerheidstelling is opgenomen als bijlage 1 bij dit onderdeel.

(artikel 105 Regeling In- en uitvoer landbouwgoederen)

In een aantal gevallen kan de aangever niet kiezen tussen de inspecteur of het productschap. Die gevallen komen hieronder aan de orde.

      Betaling/zekerheidstelling bij de inspecteur

De aangever kan uitsluitend bij de inspecteur terecht in de volgende gevallen:

- De goederen vallen onder de marktordening in de sector verwerkte producten op basis van groenten en fruit.

- De inspecteur kent de voorwaardelijke vrijstelling van de uitvoerheffing toe.

      Betaling/zekerheidstelling bij het productschap

De aangever kan uitsluitend bij het productschap terecht in de volgende gevallen:

- Het productschap heeft toestemming verleend aan de exporteur om de vermelding van het gehalte, de samenstelling of de hoedanigheid van de uit te voeren goederen achterwege te laten.

(artikel 20, lid 1, Regeling In- en uitvoer landbouwgoederen);

- De volgende goederen worden uitgevoerd:

- durumtarwe (GN-code 1001 1000);

- zachte tarwe en spelt (GN-code 1001 9099);

- meel van zachte tarwe en spelt (GN-code 1101 0015);

- meel van mengkoren (GN-code 1101 0090);

- gries en griesmeel van zachte tarwe en spelt (GN-code 1103 1190).

- Het productschap kent de voorwaardelijke vrijstelling van de uitvoerheffing toe.

(artikel 103 Regeling In- en uitvoer landbouwgoederen)

      Vormen van zekerheidstelling

Er zijn verschillende vormen van zekerheidstelling toegestaan. Naast de vormen van zekerheid die in artikel 193 CDW staan, kunnen de volgende andere vormen van zekerheid worden aanvaard:

- storting van geld, maar geen euro's, of deponering van door de ontvanger als betaalmiddel erkende cheques of andere waardepapieren, niet in euro's;

- hypotheek;

- verpanding van goederen, waardepapieren of vorderingen.

(artikel 104 Regeling In- en uitvoer landbouwgoederen)

Voor de overige vormen van zekerheidstelling wordt verwezen naar onderdeel 27.00.00, Zekerheidstelling voor het bedrag van de douaneschuld, van dit Handboek.

2.1.4. Verhoging uitvoerheffing

Als de aangever het bewijs van uitgang (controle-exemplaar T5) (zie ook paragraaf 2.1.1) en het bewijs van invoer (zie ook paragraaf 2.1.2) binnen zes maanden na afloop van de termijn van twaalf maanden levert, bestaat de uitvoerheffing uit een optelling van:

a. de heffing die zou zijn betaald als de termijn van twaalf maanden in acht zou zijn genomen;

b. een verhoging met 15% van het verschil tussen de betaalde heffing en het bedrag vermeld onder a.

(artikel 6 Verordening (EEG) nr. 120/89)

      Let op

De verhoging wordt niet toegepast als de termijn van twaalf maanden is verlengd met toestemming van de instantie waar de aangever zekerheid heeft gesteld.

2.1.5. Uitnodiging tot betaling

Als er een douaneschuld ontstaat, verzendt het productschap of de inspecteur een uitnodiging tot betaling aan de aangever. Een douaneschuld bij uitvoer ontstaat bij:

- uitvoer uit het douanegebied van de EG met een aangifte ten uitvoer;

- uitvoer uit het douanegebied van de EG zonder aangifte ten uitvoer;

- niet nakomen van de voorwaarden die gelden voor vrijstelling van rechten bij uitvoer, terwijl op die vrijstelling wel aanspraak is gemaakt.

(artikelen 209, 210 en 211 CDW)

De uitnodiging tot betaling kan worden verzonden door het productschap en door de inspecteur.

      Uitnodiging tot betaling van het productschap

Het productschap maakt een uitnodiging tot betaling op voor het bedrag aan uitvoerheffingen, zoals bedoeld in artikel 221, lid 1, CDW en zendt deze aan de schuldenaar als voor verzekering van de voldoening van de heffing de aangever zekerheid bij het productschap heeft gesteld.

      Uitnodiging tot betaling van de inspecteur

De inspecteur maakt een uitnodiging tot betaling op voor het bedrag aan uitvoerheffingen en zendt deze aan de schuldenaar van het bedrag aan uitvoerheffingen, in de volgende gevallen:

- De aangever wil de douaneschuld onmiddellijk betalen.

- Er moet aangenomen worden dat bij het productschap geen of onvoldoende zekerheid is gesteld.

- Er is een douaneschuld ontstaan als gevolg van onregelmatige uitvoer of niet nakoming van de voorwaarden (bedoeld in de artikelen 210, lid 1, en 211, lid 1, CDW).

- Er wordt in de hiervoor vermelde situaties tot boeking achteraf overgegaan.

(artikel 106 Regeling In- en uitvoer landbouwgoederen)

2.1.6. Terugbetaling of kwijtschelding

Als het productschap de uitnodiging tot betaling heeft opgemaakt, dan maakt het productschap ook de beschikking tot terugbetaling of kwijtschelding van de uitvoerheffing op, bedoeld in artikel 886 van de TVo. CDW.

(artikel 107 Regeling In- en uitvoer landbouwgoederen)

Als de inspecteur de uitnodiging tot betaling heeft opgemaakt, dan maakt hij ook de beschikking tot terugbetaling of kwijtschelding van de uitvoerheffing op.

Voor terugkerende goederen waarvoor rechten bij uitvoer zijn geheven, is de terugbetaling of kwijtschelding aan bepaalde voorwaarden gebonden. (artikel 882 TVo. CDW)

      Uitvoer van goederen na verzoek tot terugbetaling of kwijtschelding

Goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht en waarvoor een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer is ingediend, kunnen opnieuw worden uitgevoerd. Als voor die goederen een uitvoerheffing is vastgesteld, moet de aangever voor de uit te voeren goederen een zekerheid stellen die gelijk is aan die van de uitvoerheffing (zie paragraaf 2.1.3). Voor de zekerheid geldt het volgende:

a. De zekerheid wordt vrijgegeven als op de aanvraag om terugbetaling of kwijtschelding van de heffingen bij invoer gunstig wordt beschikt.

b. De zekerheid wordt als uitvoerheffing verbeurd als beide hieronder genoemde situaties van toepassing zijn:

- Op de aanvraag om terugbetaling of kwijtschelding van de heffingen bij invoer wordt niet gunstig beschikt.

- De uitvoerheffing is niet betaald binnen dertig dagen na de dag van het verzoek om betaling.

(artikel 11 Verordening (EEG) nr. 120/89)

2.1.7. Invordering

Als het productschap de uitnodiging tot betaling heeft opgemaakt, is het ook belast met de invordering van de uitvoerheffing.

(artikel 108 Regeling In- en uitvoer landbouwgoederen)

Als de inspecteur de uitnodiging tot betaling heeft opgemaakt, is hij ook belast met de invordering van de uitvoerheffing.

2.2. Procedures en ambtelijke werkzaamheden

In deze paragraaf staan de procedures en ambtelijke werkzaamheden beschreven die gelden als een aangifte ten uitvoer wordt ingediend voor goederen waarvoor een uitvoerheffing is vastgesteld.

De volgende procedures en ambtelijke werkzaamheden komen aan de orde:

- aangifte ten uitvoer afhandelen (paragraaf 2.2.1);

- bewijs verlaten Gemeenschap afhandelen (paragraaf 2.2.2);

- betaling uitvoerheffing bij de Douane afhandelen (paragraaf 2.2.3);

- betaling uitvoerheffing bij het productschap afhandelen paragraaf 2.2.4);

- werkzaamheden na het verlaten van het grondgebied (paragraaf 2.2.5).

2.2.1. Afhandelen aangifte ten uitvoer

De procedures voor de aangifte ten uitvoer van goederen met uitvoerheffingen wijken niet af van die van de "normale" uitvoer. Deze procedures staan beschreven in onderdeel 20.00.00, Uitvoer, van dit Handboek en onderdeel 20.10.00, Geautomatiseerde behandeling aangiften ten uitvoer, van dit Handboek.

      Uitvoercertificaat

Voor goederen waarvoor een uitvoercertificaat is voorgeschreven, moet de aangever dit bij de aangifte ten uitvoer overleggen. Informatie over het al dan niet overleggen van een uitvoercertificaat is opgenomen in het gebruikstarief. Als de uitvoerheffing vooraf is vastgesteld, moet de aangever als bewijs daarvoor een certificaat met vaststelling vooraf van de restitutie overleggen.

Goederen waarvoor een uitvoerheffing is vastgesteld, worden geacht zich na het aanvaarden van de aangifte ten uitvoer niet langer in het vrije verkeer van de Gemeenschap te bevinden.

(artikel 7, Verordening (EEG) nr. 120/89)

Deze goederen worden op de gebruikelijke wijze onder dekking van de uitvoeraangifte vervoerd naar het laatste kantoor. Zie voor meer informatie, paragraaf 5.1 van het onderdeel Controle-exemplaren T 5, opgenomen in dit Handboek, onder nummer 14.30.00.

Wanneer u belast bent met het afhandelen van een aangifte ten uitvoer gaat u daarbij als volgt te werk:

1. Leg een dossier aan en archiveer in dit dossier de volgende bescheiden:

    - een kopie van de schriftelijke aangifte ten uitvoer of een uitdraai van de elektronische aangifte;

    - de kopie van het controle-exemplaar T5 (zie paragraaf 2.2.2);

    - een kopie van het betalingsbewijs en, indien van toepassing, een kopie van het bewijs dat er zekerheid is gesteld, als het afhandelen van de betaling van de uitvoerheffing bij de Douane gebeurt (zie paragraaf 2.2.3);

    - een kopie van het Landbouwformulier L(F) of het originele formulier Zekerheidstelling als het afhandelen van de betaling van de uitvoerheffing bij het productschap gebeurt (zie paragraaf 2.2.4).

2. Werk de aangifte ten uitvoer en de aangifte voor de regeling extern communautair douanevervoer op de gebruikelijke wijze af. Voor de behandeling van het controle-exemplaar T5 wordt verwezen naar paragraaf 2.2.2.

2.2.2. Afhandelen bewijs verlaten Gemeenschap

Het bewijs dat de producten het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten, wordt op dezelfde wijze geleverd als voor de restituties. Dit houdt dus in dat een controle-exemplaar T5 in tweevoud moet worden opgemaakt. Aan de hand van het controle-exemplaar T5 kunt u controleren of de goederen binnen de termijn van zestig dagen de Gemeenschap hebben verlaten (zie ook paragraaf 2.1.1).

Als het controle-exemplaar T5 niet binnen een termijn van twaalf maanden (te rekenen vanaf de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard) wordt overgelegd, wordt de laatste dag van deze termijn beschouwd als de datum waarop de producten het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten.

(artikel 4, lid 1, Verordening (EEG) nr. 120/89)

Als het afhandelen van de betaling van de uitvoerheffing bij de Douane gebeurt en u bent belast met het behandelen van het controle-exemplaar T5, gaat u daarbij als volgt te werk:

1. Haal het in vak B vermelde terugzendingsadres door.

2. Vermeld in vak B het terugzendingsadres van de douanepost waar u werkzaam bent.

3. Werk het controle-exemplaar T5 op de gebruikelijke wijze af (zie onderdeel 14.30.00, Controle-exemplaar T5, van dit Handboek).

Als het afhandelen van de betaling van de uitvoerheffing bij het productschap gebeurt en u bent belast met het behandelen van het controle-exemplaar T5, dan controleert u of in vak B als terugzendingsadres het Centraal Verzendadres in Heerlen is vermeld. Werk het controle-exemplaar T5 op de gebruikelijke manier af.

2.2.3. Afhandelen betaling uitvoerheffing bij de Douane

Als de aangever de uitvoerheffing bij de inspecteur voldoet, wordt de procedure van contante betaling toegepast. Dit wordt gedaan omdat het systeem Sagitta-uitvoer geen comptabele verwerking kent en om overige uitvoeringsproblemen te voorkomen.

      Werkzaamheden kantoor van uitvoer vóór betaling

Voordat de aangever een aangifte ten uitvoer kan betalen, moet u hem daar eerst van op de hoogte stellen.

Als de aangever een aangifte ten uitvoer contant moet betalen, gaat u als volgt te werk:

1. Deel de aangever mee dat voor de aangifte ten uitvoer met het nummer ... contante betaling moet plaatsvinden ten bedrage van ...

2. Maak een uitnodiging tot betaling op en voer deze in, in het systeem Inning. Het systeem maakt de acceptgiro met betalingskenmerk aan. Deel de aangever mee dat hij de uitnodiging tot betaling moet voldoen op een postkantoor.

3. Houd de verificatie van de aangifte aan. Geef de goederen nog niet vrij voor uitvoer.

      Werkzaamheden kantoor van uitvoer na betaling

Als de aangever de betaling heeft voldaan, moet u deze verwerken.

Nadat de aangever de betaling van de uitvoeraangifte heeft voldaan, gaat u als volgt te werk:

1. Voer het bedrag en het betalingskenmerk in, in het scherm "Beëindiging S- of E-aangifte".

2. Vermeld bij een schriftelijke aangifte deze gegevens ook in vak B van de aangifte.

3. Werk de aangifte af op de gebruikelijke manier.

      Niet-tijdige betaling

    Als de aangever de betaling van de uitvoeraangifte niet op tijd voldoet, gaat u als volgt te werk:

    1. Stel een onderzoek in als de aangever na vijf werkdagen nadat hij de uitnodiging tot betaling heeft gekregen, niet is teruggekeerd met een geldige kwitantie voor het voor die aangifte betaalde bedrag.

    2. Stel de aangifte buiten werking als uit onderzoek blijkt dat er geen betaling plaatsvindt.

    3. Maak een ambtshalve teruggaaf op en verwerk deze in het systeem Inning.

De aangever moet na aanvaarding en verificatie van de aangifte en vóór vrijgave van de goederen de uitvoerheffing betalen. Als de goederen van het kantoor van uitvoer naar het kantoor van uitgang moeten worden vervoerd, zal dit met een aangifte voor extern communautair douanevervoer en een controle-exemplaar T5 moeten plaatsvinden (zie ook de paragrafen 2.2.1 en 2.2.2).

2.2.4. Afhandelen betaling uitvoerheffing bij het productschap

Het afhandelen van de betaling van de uitvoerheffing bij het productschap is afhankelijk van de manier waarop de aangifte is gedaan: schriftelijk of elektronisch.

Als de aangever de uitvoerheffing bij het productschap voldoet, moet hij zekerheid bij het productschap stellen. Van het stellen van de zekerheid bij het productschap wordt mededeling gedaan door een gewaarmerkte verklaring van het productschap op de achterzijde van het Landbouwformulier L(F) (zoals bedoeld in artikel 39 van de Douaneregeling). In die verklaring vermeldt het productschap de volgende gegevens:

- de hoeveelheid van het goed waarop de zekerheid betrekking heeft;

- de soort van het goed waarop de zekerheid betrekking heeft;

- de tijdsduur waarvoor de zekerheid geldt.

Als u samen met een aangifte ook het Landbouwformulier L(F) ontvangt, gaat u als volgt te werk:

1. Vergelijk de gegevens van het Landbouwformulier L(F) met de gegevens van de aangifte.

2. Controleer of het vak "Verklaring zekerheidstelling" is ingevuld en of er voldoende zekerheid is gesteld.

    Als het vak "Verklaring zekerheidstelling" niet of onjuist is ingevuld of er niet voldoende zekerheid is gesteld, dan zal de betaling van de heffing bij de Douane moeten gebeuren (zie ook paragraaf 2.1.5). In deze gevallen wordt de aangever alsnog in staat gesteld dit te corrigeren.

3. Zend het Landbouwformulier L(F) na behandeling op de gebruikelijke wijze in aan het betreffende productschap.

4. Vermeld op de aangifte en/of in Sagitta-uitvoer (scherm "Beëindiging S-of E-aangifte") dat er zekerheid is gesteld bij het productschap.

5. Werk de aangifte ten uitvoer op de gebruikelijke manier af.

6. Geef de goederen vrij voor de regeling Uitvoer.

Als de goederen van het kantoor van uitvoer naar het kantoor van uitgang moeten worden vervoerd, zal dit met een aangifte voor extern communautair douanevervoer en een controle-exemplaar T5 moeten plaatsvinden (zie ook paragraaf 2.2.1 en paragraaf 2.2.2).

Voor het stellen van de zekerheid bij het productschap wordt mededeling gedaan door een Formulier Zekerheidstelling (zie bijlage 1).

Als u een formulier Zekerheidstelling controleert, gaat u als volgt te werk:

1. Vergelijk de gegevens van het formulier Zekerheidstelling met de gegevens van de aangifte.

2. Controleer of het formulier Zekerheidstelling volledig en juist is ingevuld en of er voldoende zekerheid is gesteld. Er zijn nu twee mogelijkheden:

    a. Het formulier zekerheidstelling is niet of niet juist ingevuld of er is niet voldoende zekerheid gesteld. In dat geval moet de betaling van de heffing bij de Douane geschieden (zie ook paragraaf 2.1.5). In deze gevallen wordt de aangever alsnog in staat gesteld dit te corrigeren.

    b. Het formulier zekerheidstelling is juist ingevuld. Ga in dat geval verder met stap 3.

3. Bewaar het formulier Zekerheidstelling bij het dossier van de aangifte.

4. Vermeld in het scherm "Beëindiging S- of E-aangifte" dat er zekerheid is gesteld bij het productschap en dat de aangever een formulier Zekerheidstelling heeft overgelegd.

5. Werk de aangifte ten uitvoer op de gebruikelijke wijze af.

6. Geef de goederen vrij voor de regeling Uitvoer.

Als de goederen van het kantoor van uitvoer naar het kantoor van uitgang moeten worden vervoerd, zal dit met een aangifte voor extern communautair douanevervoer en een controle-exemplaar T5 moeten plaatsvinden (zie ook paragraaf 2.2.1 en paragraaf 2.2.2).

2.2.5. Werkzaamheden na het verlaten van het grondgebied

      Afwerken controle-exemplaar T5

Nadat de goederen het grondgebied van de EU hebben verlaten, wordt het controle-exemplaar T5 door het kantoor van uitgang gezonden aan het terugzendingsadres dat in vak B is vermeld. Afhankelijk van de situatie kunt u controle-exemplaar T5 op verschillende manieren afwerken:

- Als het afhandelen van de betaling van de uitvoerheffing bij het productschap heeft plaatsgevonden, dan stuurt het Centraal Verzendadres het controle-exemplaar T5 naar het betreffende productschap. De Douane heeft hier geen verdere bemoeienis mee.

- Als het afhandelen van de betaling van de uitvoerheffing bij de Douane heeft plaatsgevonden, dan zendt het kantoor van uitgang het controle-exemplaar T5 naar het kantoor van uitvoer dat in vak B is vermeld. Het kantoor van uitvoer controleert de aftekening in vak J. Daarbij kunnen zich de volgende situaties voordoen:

Als uit de aftekening in vak J geen onregelmatigheden blijken, gaat u als volgt te werk:

1. Archiveer het controle-exemplaar T5 in het dossier (zie ook paragraaf 2.2.1).

2. Zend een kopie van de voor- en achterzijde van het controle-exemplaar T5 aan het betreffende productschap, als de goederen zijn afgeschreven op een uitvoercertificaat.

Als uit de aftekening in vak J blijkt dat er minder goederen zijn uitgevoerd dan omschreven in het controle-exemplaar T5, gaat u als volgt te werk:

1. Ga over tot ambtshalve teruggaaf en verwerk deze in het systeem Inning.

2. Zend een kopie van de voor- en achterzijde van het controle-exemplaar T5 aan het betreffende productschap, als de goederen zijn afgeschreven op een uitvoercertificaat

Als uit de aftekening in vak J blijkt dat er meer goederen zijn uitgevoerd dan omschreven in het controle-exemplaar T5, gaat u als volgt te werk:

1. Ga over tot boeking achteraf. Maak een uitnodiging tot betaling op en verwerk deze in het systeem Inning.

Let op

Als de betaling van de uitvoerheffing van de meer bevonden goederen al op het kantoor van uitgang is gedaan, vindt er geen boeking achteraf plaats.

2. Zend een kopie van de voor- en achterzijde van het controle-exemplaar T5 aan het betreffende productschap, als de goederen zijn afgeschreven op een uitvoercertificaat.

2.3. Nadere bepalingen

In dit hoofdstuk is de volgende nadere bepaling opgenomen:

- zekerheid stellen bij Douane bij gedifferentieerde uitvoerheffing (paragraaf 2.3.1).

Wanneer er sprake is van een gedifferentieerde uitvoerheffing, moet naast het betalen van de uitvoerheffing ook in bepaalde situaties zekerheid worden gesteld. Deze zekerheid bedraagt het eventuele verschil tussen de toegepaste heffing en de hoogste heffing die op de dag van uitvoer geldt. In paragraaf 2.1.2 zijn de wettelijke bepalingen uitgewerkt die gelden voor het stellen van zekerheid bij een gedifferentieerde uitvoerheffing.

In deze paragraaf wordt de werkwijze beschreven die gevolgd moet worden als de zekerheid wordt gesteld bij de Douane. Het afhandelen van de betaling van de uitvoerheffing bij de Douane is opgenomen in paragraaf 2.2.3. Voor het stellen van zekerheid wordt verwezen naar paragraaf 4.2.1 van onderdeel 27.00.00, Zekerheidstelling voor het bedrag van de douaneschuld, van dit Handboek.

2.3.1. Zekerheid stellen bij de Douane bij gedifferentieerde uitvoerheffing

In deze paragraaf komen de volgende onderwerpen aan bod:

- werkzaamheden kantoor van uitvoer bij aanvaarding/verificatie;

- werkzaamheden kantoor van uitvoer na uitgang van de goederen;

- bijzondere situaties.

      Werkzaamheden kantoor van uitvoer bij aanvaarding/verificatie

Als u vaststelt dat naast het betalen van een uitvoerheffing ook zekerheid gesteld moet worden, deelt u dit mee aan de aangever. Voor de procedure wordt verwezen naar paragraaf 4.2.1 van onderdeel 27.00.00, Zekerheidstelling voor het bedrag van de douaneschuld, van dit Handboek.

      Werkzaamheden kantoor van uitvoer na uitgang van de goederen

Nadat de goederen het grondgebied van de EU hebben verlaten, wordt het controle-exemplaar T5 door het kantoor van uitgang gezonden aan het terugzendingsadres dat in vak B is vermeld. Zie voor het afwerken van het controle-exemplaar T5 paragraaf 2.2.5.

Als er zekerheid is gesteld omdat er sprake is van een gedifferentieerde uitvoerheffing, moet de exporteur binnen twaalf maanden na aanvaarding van de aangifte ten uitvoer het bewijs leveren dat het product in het land van bestemming is ingevoerd. Dit bewijs levert hij overeenkomstig artikel 17 Verordening (EG) nr. 612/2009.

Als de exporteur het bewijs van invoer van alle ten uitvoer aangegeven goederen binnen twaalf maanden levert, wordt de zekerheid vrijgegeven.

Voor het vrijgeven van de zekerheid gaat u als volgt te werk:

1. Neem het bewijs van invoer van de aangever in ontvangst.

2. Informeer bij het betreffende productschap als u twijfelt aan de echtheid van het bewijs van invoer.

3. Geef na acceptatie van het bewijs van invoer de zekerheid voor de zending vrij. Voor de procedure wordt verwezen naar paragraaf 4.2.2 van onderdeel 27.00.00, Zekerheidstelling voor het bedrag van de douaneschuld, van dit Handboek.

      Bijzondere situaties

Er kunnen zich een aantal bijzondere situaties voordoen. Het kan zijn dat:

- de exporteur de termijn van twaalf maanden voor het leveren van het bewijs van invoer overschrijdt;

- de termijn van twaalf maanden wordt verlengd;

- de heffing wordt verhoogd;

- de exporteur het bewijs van invoer slechts voor een deel van de goederen levert;

- de exporteur het bewijs van invoer voor een andere bestemming levert.

Die situaties worden hieronder beschreven.

De aangever of exporteur moet binnen twaalf maanden na aanvaarding van de aangifte ten uitvoer het bewijs leveren dat het product in het land van bestemming is ingevoerd. Als de aangever of exporteur het bewijs niet binnen twaalf maanden levert, wordt aangenomen dat de producten zijn aangekomen op de bestemming waarvoor de hoogste heffing geldt. Voor het begrip "hoogste heffing" wordt verwezen naar paragraaf 2.1.1.

Als de termijn van twaalf maanden wordt overschreden, gaat u als volgt te werk:

1. Maak een uitnodiging tot betaling op voor het verschil tussen de reeds bij uitvoer betaalde heffing en de hoogste heffing en verwerk deze in het systeem Inning.

2. Verzend de uitnodiging tot betaling aan de aangever.

3. Geef de gestelde zekerheid vrij nadat de aangever de uitnodiging tot betaling heeft voldaan. Dit controleert u in het systeem Inning.

De termijn van twaalf maanden kan in bepaalde situaties worden verlengd. Verwezen wordt naar paragraaf 2.1.2.

Als het voorgeschreven bewijs binnen zes maanden na afloop van de termijn van twaalf maanden wordt geleverd, moet in bepaalde situaties een verhoging worden opgelegd. Zie voor verhoging van de uitvoerheffing paragraaf 2.1.4.

Als voor de heffing een verhoging wordt opgelegd, gaat u als volgt te werk:

1. Maak een uitnodiging tot betaling op en verwerk deze in het systeem Inning.

2. Verzend de uitnodiging tot betaling aan de aangever.

3. Geef de gestelde zekerheid vrij nadat de uitnodiging tot betaling is voldaan. Dit controleert u in het systeem Inning.

Als de exporteur binnen de voorgeschreven termijn slechts voor een gedeelte van de uitgevoerde goederen het bewijs levert dat de goederen in het land van bestemming zijn ingevoerd, gaat u als volgt te werk:

1. Maak voor de hoeveelheid goederen waarvoor het bewijs van invoer niet is geleverd een uitnodiging tot betaling op. Doe dit voor het verschil tussen de heffing die al bij uitvoer is betaald en de hoogste heffing. Gebruik hierbij het systeem Inning. Zie voor het begrip "hoogste heffing" paragraaf 2.1.1.

2. Verzend de uitnodiging tot betaling aan de aangever.

3. Geef de gestelde zekerheid vrij nadat de uitnodiging tot betaling is voldaan. Dit controleert u in het systeem Inning.

Wanneer de exporteur binnen de voorgeschreven termijn voor de uitgevoerde goederen het bewijs levert dat de goederen in een ander land van bestemming zijn ingevoerd dan in de uitvoeraangifte is vermeld, gaat u als volgt te werk:

1. Maak, als voor deze bestemming een hogere uitvoerheffing geldt dan bij uitvoer is betaald, een uitnodiging tot betaling op voor het verschil tussen de heffing die al bij uitvoer is betaald en de hoogste heffing die geldt voor de aangetoonde bestemming. Gebruik hierbij het systeem Inning. Zie voor het begrip "hoogste heffing" paragraaf 2.1.1.

2. Verzend de uitnodiging tot betaling aan de aangever.

3. Geef de gestelde zekerheid vrij nadat de uitnodiging tot betaling is voldaan. Dit controleert u in het systeem Inning.

Als voor de bestemming een lagere uitvoerheffing geldt dan bij uitvoer is betaald, wordt overgegaan tot ambtshalve teruggaaf. U verwerkt deze teruggaaf in het systeem Inning.

2.4. Uitzonderingen

In dit hoofdstuk zijn geen uitzonderingen opgenomen.

2.5. Strafbepalingen

In artikel 45 van de Douanewet is een bepaling opgenomen die het strafbaar stelt om in strijd met de wettelijke bepalingen goederen:

- niet aan te brengen bij het kantoor van uitgang;

- buiten het douanegebied van de Gemeenschap te voeren in strijd met artikel 183 CDW.

Degene die deze bepaling overtreedt, wordt gestraft met een geldboete van de derde categorie.

Terug naar tekstnavigatie

Algemeen

Terug naar tekstnavigatie

Domeinen

Website Belastingdienst
Website Douane
Website Toeslagen
Terug naar tekstnavigatie

Vaste functies

Terug naar tekstnavigatie