5.00.00 Overige bepalingen
5.00.00 Overige bepalingen, 16 mei 2011, Versie 7
Vooral in strafzaken en civiele procedures kan voor betrokkenen kennisname van bij de douane aanwezige gegevens dikwijls van essentieel belang zijn. Meestal zijn het dan ook advocaten, Officieren van Justitie of opsporingsdiensten, die zich voor het verkrijgen van bepaalde informatie over klanten tot de douane wenden. De douane-ambtenaren zijn echter gebonden aan een geheimhoudingsplicht. Deze geheimhouding is op communautair niveau geregeld in het CDW.
(
De achtergrond van de geheimhoudingsplicht is gelegen in de omstandigheid, dat de persoon die het aangaat er op moet kunnen vertrouwen dat de informatie die hij/zij aan de Belastingdienst verstrekt ook alleen maar gebruikt wordt voor het uitvoeren van de douane- en belastingwetgeving. Als de informatie namelijk ook zou worden gebruikt voor andere doeleinden, dan is de kans groot dat de belastingplichtige informatie zou achterhouden.
Hoofdregel is dus geheimhouding.
Daarop zijn echter uitzonderingen. Als een persoon vraagt om zijn eigen gegevens, moet het verstrekken van die gegevens mogelijk zijn.
Verder is het voor de douanecontrole en het douanetoezicht soms noodzakelijk gegevens uit te wisselen met anderen. De basis om dit te mogen doen is allereerst gelegen in
Nationaal is de gegevensuitwisseling verder geregeld in
In artikel 1:33, lid 3 is de informatieverstrekking geregeld door de inspecteur aan overheids- of semi-overheidsinstellingen voor zover die gegevens voor deze instellingen van belang zijn voor hun taken in artikel 1:1 genoemde regelingen of krachtens de Algemene douanewet zelf.
In het vierde lid van artikel 1:33 is onder meer de informatieverstrekking door de inspecteur aan de douaneautoriteiten van de andere lidstaten of de Commissie van de Europese Gemeenschap geregeld. Deze internationale informatieuitwisseling verloopt via het DIC (Douane Rotterdam).
Verder zijn er nog enkele specifieke uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht in het kader van bijzondere wetgeving. Denk bijvoorbeeld aan de verplichting op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen om informatie te verschaffen die nodig is voor bijvoorbeeld het handhaven van BPM- accijns- en milieuwetgeving en het afleggen van getuigenverklaringen in een strafproces.
In deze paragraaf komen achtereenvolgens aan de orde:
- informatieverstrekking aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon zelf (paragraaf 13.2.1);
- Informatieverstrekking inzake goederen en het goederenverkeer (paragraaf 13.2.2);
- informatieverstrekking nodig voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting (paragraaf 13.2.3);
- stroomlijning van de behandeling van de verzoeken om informatie (paragraaf 13.2.4).
De volgende informatie kan zonder voorbehoud worden verstrekt:
a. de bescheiden en gegevens die door de betrokken persoon zelf zijn aangeleverd, worden op verzoek van die persoon altijd aan hem openbaar gemaakt (door in kopie te verstrekken of ter inzage te geven);
b. een afschrift van een controlerapport wordt uit eigen beweging door de Douane aan de gecontroleerde persoon verstrekt. Hierbij valt te denken aan een controlerapport, opgemaakt op basis van
Indien iemand zich in persoon vervoegt met een vraag om informatie dient hij zijn identiteit aan te tonen. Bij het verstrekken van informatie aan de persoon zelf is bijvoorbeeld een rijbewijs voldoende ter identificatie. Op telefonisch verzoek van een persoon en/of andere wijze van communicatie, wordt slechts statusinformatie ter zake van de eigen aangifte verstrekt. Andere informatie mag alleen schriftelijk worden verzonden naar het bij de Douane bekende postadres.
Zoals in paragraaf 1.1.6 van dit hoofdstuk al is aangegeven heeft de Algemene douanewet een grote reikwijdte. De Algemene douanewet ziet op de douanecontrole en het douanetoezicht ter zake van goederen en het goederenverkeer. Het gaat dus niet alleen om het veilig stellen van de heffing van de rechten bij invoer, maar bijvoorbeeld ook om de handhaving van een groot aantal VGEM-taken. Zo kunnen veel verschillende wetten en controle-instanties een rol spelen. Informatieuitwisseling tussen de verschillende diensten om hun taken in het kader van de Algemene douanewet uit te kunnen voeren is daarom van groot belang.
Als uitzondering op de geheimhouding van
In artikel 1:33, lid 4, Algemene douanewet wordt bepaald dat de verstrekking van gegevens en inlichtingen waartoe de inspecteur ingevolge
Let op
Gegevensuitwisseling op grond van
Net zoals de inspecteur gegevens en inlichtingen kan vragen op grond van 1:33, lid 1, Algemene douanewet kan aan de inspecteur gevraagd worden om informatie te verstrekken op grond van een andere wettelijke basis. Een voorbeeld daarvan is artikel 55 Algemene wet inzake rijksbelastingen. De inspecteur is dan gehouden om de gevraagde informatie te verstrekken. Zie hiervoor ook hoofdstuk 10.
Nadat een verzoek om informatie is ontvangen wordt dit voorgelegd aan een van de functionarissen die op de eenheid zijn aangewezen om verzoeken om informatie te behandelen. Dit zal veelal een specialist formeel recht zijn of een van de medewerkers die zich bezig houdt met de materie rondom de boete-fraudecoördinatie.
Verzoeken tot structurele (niet incidentele)-uitwisseling van informatie worden altijd voorgelegd aan de specialist formeel recht of een van de medewerkers die zich bezig houden met de materie rondom de boete-fraudecoördinatie. Deze zorgt na beoordeling dat het verzoek wordt doorgezonden naar DGBel (Team Particulieren en Formeel Recht).
Bepalingen over geheimhouding zijn ook opgenomen in:
-
-
- de personeelsvoorschriften.
Nationaal bestaan er naast de geheimhoudingsplicht van de gegevens van de klanten van de douane, ook de verplichtingen van overheidsorganen, dus ook van de Belastingdienst, om informatie te verstrekken. Het betreft dan informatie over een bestuurlijke aangelegenheid. Dit is geregeld in de
Let op
De Algemene douanewet (anders dan ter zake van de invoer) is niet van toepassing op de belastingen die op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden geheven. Denk bijvoorbeeld aan de accijnzen en de BPM. Voor deze belastingen geldt een geheimhoudingsplicht op grond van
Een ambtenaar die door de rechtbank wordt opgeroepen om als getuige mededeling te doen over aangelegenheden die hem bekend zijn geworden bij de uitoefening van zijn werkzaamheden, moet voor de rechter verschijnen. Als hem over hetgeen hem wordt gevraagd geheimhouding is opgelegd, moet hij zich in een aantal gevallen met een beroep op zijn wettelijke plicht tot geheimhouding verschonen. Het verschoningsrecht is neergelegd in
In strafzaken die enkel het gevolg zijn van overtredingen van de douanewetgeving of een andere wet waarvoor ambtenaren van de Douane bevoegd zijn geldt dat het afleggen van een getuigenis valt onder de uitvoering van die wet. De ambtenaar kan zich niet verschonen en kan zonder ontheffing een getuigenverklaring afleggen.
Bij oproeping als getuige of deskundige in een strafzaak of administratiefrechtelijke zaak die niet alleen het gevolg is van een overtreding van de douanewetgeving of een andere wet waarvoor de Douane bevoegd is, beslist de contactambtenaar of de ambtenaar zich al dan niet moet beroepen op zijn verschoningsrecht.
Opmerking verdient in dit verband dat geen beroep op het verschoningsrecht moet worden gedaan als het een zaak betreft waarvan ingevolge het bepaalde in hoofdstuk 13.5 aangifte is gedaan.
Door de Hoge Raad is in 1991 (beschikking van 8 november 1991, NJ 1992, 277) uitgemaakt dat een ambtenaar van de Belastingdienst een verschoningsrecht heeft met betrekking tot alle gegevens welke onder de fiscale geheimhoudingsplicht vallen. In deze beschikking heeft de Hoge Raad aangegeven dat de strekking van de fiscale geheimhoudingsplicht tot gevolg heeft dat de woorden "een ander" in die fiscale geheimhoudingsbepaling zien op ieder ander dan degene tot wie het in dat artikel vervatte verbod zich richt. De Hoge Raad is van mening dat de fiscale geheimhoudingsplicht zijn rechtvaardiging vindt in het algemeen belang. Het publiek (belastingplichtigen) moet niet van het verstrekken van inlichtingen en bescheiden aan de Belastingdienst worden weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de aan de Belastingdienst opgedragen taak. Daarnaast heeft de Hoge Raad aangegeven dat het er daarbij niet toe doet of een belastingplichtige om wiens gegevens het gaat toestemming heeft gegeven aan de Belastingdienst om die gegevens verder te verstrekken. Met andere woorden: het algemeen belang bij de fiscale geheimhouding prevaleert boven het individuele belang van betrokkenen.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 februari 1997 (Vakstudie Nieuws 1997, blz.1296) blijkt echter dat de ambtenaar van de Belastingdienst die als getuige in een civiele procedure wordt opgeroepen niet het recht heeft zich bij voorbaat, dus nog zonder dat hem vragen zijn gesteld, op zijn verschoningsrecht te beroepen. Hij zal van vraag tot vraag moeten beoordelen of hij een antwoord kan geven zonder zijn fiscale geheimhoudingsplicht te schenden.
Uit het arrest kan worden afgeleid dat bij vragen van organisatorische aard het verschoningsrecht niet snel met kans op succes kan worden ingeroepen. Een vraag van organisatorische aard is bijvoorbeeld de vraag óf er gesprekken tussen de Belastingdienst en de belastingadviseur hebben plaatsgevonden. Overigens geeft de Hoge Raad in dit arrest enige voorbeelden van onderwerpen die wél onder het verschoningsrecht vallen: de inhoud van de betrokken belastingaanslagen, de resultaten van enig door de Belastingdienst ter zake van die aanslagen ingesteld onderzoek en punten van geschil tussen belastingplichtige en de Belastingdienst.
In de situatie dat de voorzitter MT van mening is dat er een bijzonder belang is om geen beroep op het verschoningsrecht te doen en over te gaan tot het afleggen van een getuigenverklaring, legt hij de zaak voor aan DGBel, Team Particulieren en Formeel recht.
Bij een oproep om als getuige/deskundige in het buitenland te verschijnen dient contact te worden opgenomen met de FIOD. Zie hiervoor ook paragraaf 3.4.6 van onderdeel 44.00.00 van dit Handboek
Een ieder is verplicht van de zeer ernstige misdrijven als genoemd in
In de gevallen genoemd in
Als een ambtenaar van de Douane bij het vervullen van zijn taak het vermoeden heeft of kennis krijgt van een dergelijk misdrijf, legt hij de zaak, door tussenkomst van de voorzitter MT, met advies voor aan de voorzitter MT van de FIOD. De voorzitter MT van de FIOD gaat over tot het doen van aangifte als ook hij dat misdrijf vermoedt.
Op deze regel geldt een belangrijke uitzondering. Als namelijk een medewerker van de Douane bij het vervullen van zijn taak het vermoeden heeft of kennis krijgt van corruptie (i.c. steekpenningen c.q. andere integriteitsdelicten) dan meldt hij dat rechtstreeks bij de daarvoor aangewezen contactambtenaar Belastingdienst/Utrecht-Gooi.
Een ieder is, op grond van
In het geval een ambtenaar van de Belastingdienst in de uitoefening van zijn functie van een strafbaar feit niet vallend onder de
1. de directeur MT van de FIOD, als het feit gepleegd is door een ambtenaar;
2. de contactambtenaar in de overige gevallen.
De directeur van de FIOD, respectievelijk de contactambtenaar, doet van de volgende delicten in ieder geval aangifte:
- delicten in de vermogensrechtelijke sfeer (diefstal, oplichting, verduistering, heling e.d.) wanneer het met het delict gemoeide financiële belang een bedrag van € 25.000,- te boven gaat.
- delicten die een (in)directe bedreiging vormen voor de (geestelijke) volksgezondheid en die een bedrijfsmatig karakter hebben. Van het produceren of verhandelen van kinderporno en het bedrijfsmatig kweken van hennep of de handel in harddrugs wordt in alle gevallen aangifte gedaan.
- paspoortfraude.
- het aannemen of betalen van steekpenningen, mits er sprake is van een misdrijf in de zin van het Wetboek van strafrecht.
- bedreiging of mishandeling van belastingdienstambtenaren.
- misdrijven ter zake waarvan de belastingplichtige door de Nederlandse strafrechter kan worden veroordeeld en waarvan de met die misdrijven verband houdende kosten van aftrek in de belastingaangifte zijn uitgesloten op grond van
Ten aanzien van andere delicten beslist de directeur van de FIOD, respectievelijk de contactambtenaar, of aangifte wordt gedaan. In daartoe aanleiding gevende gevallen legt de directeur van de FIOD c.q. de contactambtenaar de zaak voor aan het Team Particulieren en Formeel recht, alvorens aangifte te doen.
Hier kan ook nog verwezen worden naar Hoofdstuk 5 van de
Als een ambtenaar van de Belastingdienst bij het vervullen van zijn taak het vermoeden heeft of kennis krijgt van een mogelijke overtreding van disciplinaire en/of strafrechtelijke normen door een collega, wordt gehandeld conform de "Gedragslijn bij strafbare feiten begaan door ambtenaren van de Belastingdienst in functie", besluit van 7 maart 2001, nr. BOB2001/518M.
Op grond van het tweede lid van
Als sprake is van een delict als omschreven in
Op grond van
De voorzitter MT van een organisatieonderdeel kan op schriftelijk verzoek van de opsporingsambtenaar, en na gebleken instemming van de officier van justitie, tot uitlevering van de gevraagde stukken overgaan.
Een rechter-commissaris kan in geval van verdenking van bepaalde strafbare feiten (geldboete vijfde categorie) een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) instellen. Dit gebeurt naar aanleiding van een met redenen omklede vordering van de officier van justitie, bij machtiging. Ten behoeve van een SFO kan op basis van
Bestuursorganen beschikken op grond van de
Bestuursorganen kunnen zich bij het nemen van die beslissingen daaromtrent laten adviseren door het Ministerie van Veiligheid en Justitie, Bureau BIBOB.
In
Een verzoek om informatie van het Bureau BIBOB wordt gericht aan één centraal punt binnen de Belastingdienst (LTO, Unit Externe Samenwerking). Door dit centrale punt wordt het verzoek doorgezonden naar de betrokken regio/ kantoor van de Belastingdienst c.q. de FIOD. De gevraagde informatie wordt binnen de gestelde termijn eveneens gezonden aan dit centrale punt. Vanuit dit centrale punt wordt de informatie weer doorgeleid naar het Bureau BIBOB. De informatieverstrekking vindt in beginsel schriftelijk plaats. Het betreft informatie die is opgenomen in bestanden. Ook kunnen persoonsgegevens uit de aan de registraties ten grondslag liggende dossiers worden opgevraagd.
De
Een verzoek aan de Douane om inzage in een proces-verbaal wordt, behoudens in het geval dat het proces-verbaal is opgemaakt door de FIOD, ter beoordeling voorgelegd aan de contactambtenaar die beslist of er inzage kan worden verleend. In zijn beoordeling betrekt de contactambtenaar de WOB. Indien het proces-verbaal is opgemaakt door de FIOD wordt het verzoek overgedragen aan de voorzitter van het directeur van de FIOD. In zaken waarbij de Officier van justitie het onderzoek leidt of waarbij het proces-verbaal aan hem is ingezonden bepaalt deze of inzage wordt verleend. Is dit het geval, dan draagt de contactambtenaar respectievelijk de directeur van de FIOD het verzoek onmiddellijk over aan die Officier van justitie.
Indien een proces-verbaal niet wordt ingezonden aan het Openbaar Ministerie (zie
In internationaal verband zijn er verdragen en andere regelingen die verplichten tot het verstrekken van informatie aan andere landen. Teneinde het buitenland informatie te kunnen verstrekken behoeft geen ontheffing van de geheimhoudingsplicht te worden verleend. Daarbij neemt neemt de medewerker van de Douane niet zelf contact op met de buitenlandse autoriteit, maar zendt de informatie aan één van de volgende instanties:
- Belastingdienst/Douane Rotterdam/Douane Informatie Centrum als het douane- en accijnsgegevens betreft;
- Belastingdienst/Douane Noord voor de bijstand bij de douane-invordering en de invordering van accijnzen;
- Belastingdienst/CLO als het gegevens met betrekking tot de omzetbelasting betreft;
- FIOD.
Zie voor meer informatie over dit onderwerp onderdeel 44.00.00 van dit Handboek.
Convenanten zijn een uitwerking van de samenwerking tussen (semi-) overheidsinstanties. Ze werken de bevoegdheden en verplichtingen die op basis van regelgeving bestaan verder uit, maar ze kunnen ze niet uitbreiden. Momenteel zijn er convenanten die op meerdere partijen betrekking hebben, maar die niet allemaal dezelfde taken uitvoeren. Hierbij moet steeds bekeken worden welke gegevens wel en niet verstrekt kunnen worden en aan welke partij. De regels met betrekking tot de geheimhouding zijn hierbij onverkort van toepassing.
Nieuwe convenanten en samenwerkingsverbanden met andere instanties worden indien informatieuitwisseling plaatsvindt, altijd voorgelegd aan de specialist formeel recht of een van de medewerkers die zich bezig houdt met de materie rondom de boete-fraudecoördinatie.
