6.00.00 Douanetarief
6.00.00 Douanetarief, 5 december 2011, Versie 7
In EG-verband zijn diverse financiële maatregelen vastgesteld voor de in- en uitvoer van goederen. Deze zijn voor een deel gebaseerd op tariefafspraken die in het kader van de Wereld Handel Organisatie zijn gemaakt. In
"De bij het ontstaan van een douaneschuld wettelijk verschuldigde rechten zijn op het douanetarief van de Europese Gemeenschap gebaseerd".
Onder "rechten bij invoer" wordt het volgende verstaan:
- douanerechten en heffingen van gelijke werking bij de invoer van goederen;
- belastingen bij invoer vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen voor goederen die uit landbouwproducten zijn verkregen.
Ook invoerrechten worden aangemerkt als rechten bij invoer (
(
Het douanerecht wordt geheven op grond van het CDW en de Algemene douanewet. In paragraaf 8.4 wordt hier verder aandacht aan besteed. Het doel van het douanerecht of invoerrecht is inkomsten te verwerven voor de Staat. Dit aspect is in de loop van de tijd in de ontwikkelde landen in belang afgenomen en is verschoven naar het aspect van bescherming van de industrie, de landbouw en de visserij. De rechten bij invoer die in Nederland worden geheven, worden afgedragen aan de Europese Gemeenschap.
De tarieven van het gemeenschappelijk douanetarief worden door de Raad van de Europese Gemeenschap vastgesteld. In de gecombineerde nomenclatuur zijn de "normale" tarieven opgenomen, dat wil zeggen de tarieven die vaak in de Wereld Handel Organisatie zijn overeengekomen. Deze tarieven gelden als er bij andere verordeningen geen speciale tarieven zijn vastgesteld (zoals schorsingen van tarieven of preferentiële tarieven). Zowel de tarieven die zijn opgenomen in de GN als de andere tariefmaatregelen vindt u terug in het Gebruikstarief.
Als heffingen van gelijke werking als het douanerecht worden de antidumpingheffing en de compenserende heffing aangemerkt. Deze heffingen worden opgelegd als een onderzoek van de Europese Commissie uitwijst, dat bedrijven in derde landen goederen op de EG-markt brengen onder een bepaald prijsniveau (kostprijs). Door dit zogenoemde dumpen ontstaat schade voor die bedrijfstak in de Gemeenschap. Van compenserende heffingen is sprake als de lagere prijs het gevolg is van subsidie die is verleend aan producerende bedrijven in die landen.
Voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid waren landbouwheffingen vastgesteld. Deze zijn in het kader van de GATT-onderhandelingen (Uruguay-ronde) vervangen door douanerechten. Gebleven zijn:
- invoerrechten voor granen en rijst;
- aanvullende invoerrechten in de gevallen dat marktverstoring in de Gemeenschap dreigt. Het instellen en de hoogte van deze rechten is afhankelijk van de prijzen en/of hoeveelheden die bij de invoer worden geregistreerd.
De compenserende heffing is gebleven. Bij deze aanvullende heffing wordt gewerkt met een systeem waarbij een (minimum)invoerprijs wordt gehanteerd.
In de groente-, fruit- en wijnsector (de hoofdstukken 7, 8 en 22 van de gecombineerde nomenclatuur) is de waarde (de invoer- of entreeprijs) van het ingevoerde product vaak bepalend voor de hoogte van de heffing. Verder zijn in de sectoren groenten en fruit (hoofdstukken 7 en 8) tijdgebonden rechten ingesteld (die verband houden met de verkoopseizoenen). De invoerrechten op granen en rijst en het aanvullende invoerrecht en de compenserende heffing zijn door het marktgevoelige karakter daarvan variabel.
Onder "rechten bij uitvoer" wordt het volgende verstaan:
- douanerechten en heffingen van gelijke werking bij de uitvoer van goederen;
- belastingen bij uitvoer vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen voor goederen die uit landbouwproducten zijn verkregen.
(
Bij tariefafspraken in het kader van de Wereld Handel Organisatie worden de goederencodes van de nomenclatuur gebruikt. Dat betekent dat de indeling van een goed in deze nomenclatuur de financiële gevolgen bepaalt. Het volgende voorbeeld laat het verband zien tussen de indeling in de nomenclatuur en de financiële maatregelen die daarbij horen.
Voorbeeld
Een bedrijf importeert uit de Verenigde Staten een product dat wordt gebruikt bij de afwerking van brood: bakkerijpoedermix type K. Als dit product wordt aangebracht op de bovenzijde van een nog ovenwarm brood, gaat het brood glanzen. Naast melkpoeder bevat het product in gewichtspercenten:
| Bestanddeel | Gewichtspercentage |
| ................ | ........................ |
Kippeneigeel |
8% |
Sacharose |
8% |
Glucose |
4% |
Lactose |
2% |
Zout |
1% |
Het product is verpakt in dozen met een binnenzak van kunststof met een netto-inhoud van 25 kilo. Het bedrijf geeft 5.000 kilo met een waarde van € 22.690 aan om in te voeren. Dit gebeurt onder post 21.06 (GN-code 2106 9098). Hieronder vallen inderdaad bepaalde bereidingen voor bakkerijdoeleinden. Voor deze partij is bijvoorbeeld aan douanerecht 9% over de waarde verschuldigd, dus € 2.042,10.
Volgens de verificatieambtenaar vallen de goederen onder post 04.08, gedroogd eigeel (GN-code 0408 1180). Het douanerecht bij deze code is per 100 kilo bijvoorbeeld € 142,30. Verschuldigd is dus 50 x € 142,30 = € 7.115. Op wereldhandelsniveau is dit een betrekkelijk kleine zending, maar voor het betreffende bedrijf is het toch van groot financieel belang.
Bij de heffingsgrondslag worden vier elementen onderscheiden:
- het belastbare feit;
- het voorwerp van de belasting;
- de maatstaf van heffing;
- het tarief bij invoer.
Het belastbare feit vindt u onder andere in
In
De maatstaf van heffing kan onder meer zijn:
- de douanewaarde;
- de hoeveelheid (uitgedrukt in kilogram, liter enzovoort);
- het gehalte (bijvoorbeeld: het alcohol-volumegehalte);
- het aantal vierkante meters.
Combinaties van deze elementen zijn ook mogelijk.
Het tarief bij invoer is het tarief bedoeld bij de rechten bij invoer zoals in
lndien de rechten bij invoer worden uitgedrukt in een percentage van de douanewaarde (zie onderdeel 9.00.00
Voorbeeld
Het tarief bij de invoer van bepaalde wijn (GN-code 2204 2910) is € 32 per hectoliter. De maatstaf is dus de hoeveelheid. Een combinatie is ook mogelijk: het tarief bij de invoer van vermout (GN-code 2205 1090) bestaat uit de volgende twee componenten:
- € 0,9 per procent alcohol per hectoliter;
- € 6,4 per hectoliter.
De maatstaf bestaat hier dus uit het alcoholgehalte en de hoeveelheid.
De heffing kan ook een combinatie zijn van een waarderecht en een specifiek recht, gebonden aan een minimum- en een maximumgrens per eenheid.
Voorbeeld
Het tarief bij de invoer van een horloge (GN-code 9101 1100) is 4,5% van de waarde, maar minstens € 0,3 en hoogstens € 0,8 per stuk. Voor een horloge met een douanewaarde van € 454 is dus € 0,8 verschuldigd en niet € 20,43.
De Raad van de Europese Gemeenschap heeft het tarief van de rechten bij invoer vastgesteld. De hoogte van dat tarief is vaak afhankelijk van overeenkomsten tussen de Gemeenschap en andere landen of groepen van landen.
De Europese Gemeenschap kan het algemeen recht eenzijdig hebben vastgesteld. Het kan ook het gevolg zijn van overeenkomsten met andere landen in verband met de Wereld Handel Organisatie. Omdat de afspraken deel uitmaken van het douanetarief van de Europese Gemeenschap, vindt u deze in het Gebruikstarief niet aanwijsbaar terug.
Het algemene recht is voor sommige goederen verlaagd of op 0% gezet. Dit wordt een gehele of gedeeltelijke schorsing van het algemene douanerecht genoemd, de zogenaamde autonome schorsing.
Op verzoek van het bedrijfsleven worden ook tijdelijke schorsingen van het douanerecht verleend. Het gaat dan om goederen die binnen de Europese Gemeenschap niet worden gemaakt of waar een tekort aan is.
Voorbeeld
De ontwikkelingen in de elektronica-industrie in de Verenigde Staten en Japan zijn verder dan in Europa. De Europese industrie heeft de producten ervan wel nodig om andere producten te maken. Op zo'n moment ontstaat er een reden voor een schorsing van het douanerecht. Die is dus gericht op een bepaald goed en niet op een bepaald land.
In sommige gevallen wordt zo een schorsing verleend in het kader van een contingent, een zogenoemd tariefcontingent. Dat houdt in dat in de tariefverlaging wordt verleend tot een bepaalde hoeveelheid. Het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is beleidsverantwoordelijk voor deze tariefsverlagingen.
De Europese Gemeenschap heeft met veel landen (bijvoorbeeld Israël) of groepen van landen (bijvoorbeeld de Machrak-landen: Egypte, Jordanië, Libanon en Syrië) overeenkomsten gesloten om in het onderlinge goederenverkeer tariefverlagingen te bereiken (tariefpreferenties). Voorwaarde is meestal dat het om goederen "van oorsprong" gaat. Meer informatie hierover vindt u in onderdeel 8.00.00
Bij bilaterale overeenkomsten worden wederzijds tariefverlagingen vastgesteld in geval van bij voorbeeld het verdrag met landen uit Afrika, Caribischgebied en Stille Zuidzee (ACS). Bij unilaterale vaststelling wordt de tariefsverlaging eenzijdig toegestaan. Een voorbeeld daarvan is het Algemeen preferentieel systeem (APS), waarbij ontwikkelingslanden tariefvoordelen krijgen, terwijl daar geen tariefvoordelen tegenover staan voor de Europese Gemeenschap.
Als de preferentie is gebonden aan een bepaalde hoeveelheid (tariefcontingent), dan eindigt deze preferentie als het contingent is uitgeput. Het algemene douanerecht wordt dan weer van kracht.
(
De douanerechten worden geschorst voor wapens en militaire uitrusting die in het vrije verkeer worden gebracht door of namens de autoriteiten van de militaire defensie van de lidstaten van de Europese Unie. Deze goederen moeten worden gebruikt als volgt:
- door of namens de strijdkrachten van een lidstaat van de Europese Unie;
- individueel of in samenwerking met andere staten voor het verdedigen van de territoriale integriteit van de lidstaat van de Europese Unie;
- individueel of in samenwerking met andere staten voor het deelnemen aan internationale vredeshandhavings- of steunverleningsoperaties; of
- voor andere militaire doeleinden, zoals de bescherming van de onderdanen van de Europese Unie tegen sociale of militaire onrust.
(
De schorsing van de douanerechten geldt ook voor de volgende goederen:
- delen, componenten en subassemblages om te worden verwerkt in of aangebracht aan de goederen opgenomen in de bijlagen I en II;
- delen, componenten en subassemblages daarvan;
- delen, componenten en subassemblages die dienen voor het herstellen, in goede staat brengen of onderhouden daarvan; of
- goederen die worden gebruikt bij opleidingen of bij testen van de goederen opgenomen in de bijlagen I en II.
(
Deze goederen zijn onderworpen aan de voorwaarden voor het eindgebruik zoals bedoeld in de
In het onderdeel 6.10.00
(
Gebruik van de goederen van de
(
Bij de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer wordt een certificaat gebruikt van het model van de bijlage III van de verordening (EG) nr. 150/2003 dat is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van de Europese Unie van de strijdkrachten waarvoor de goederen zijn bestemd. De goederen moeten aan de Douane worden aangeboden. In voorkomend geval kan bij het brengen in het vrije verkeer worden volstaan met het gebruik van het certificaat zonder dat een aangifte voor het brengen in het vrije verkeer wordt gedaan.
(
In verband met de militaire geheimhouding kunnen het certificaat en de goederen worden voorgelegd aan andere autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie dan de Douane. In dat geval zendt de autoriteit die het certificaat heeft afgegeven voor 31 januari en 31 juli van elk jaar een overzicht aan de Douane van de goederen die in het vrije verkeer worden gebracht. Dit halfjaarlijkse overzicht bevat informatie over de aantallen, nummers en datums van de certificaten, datums van het brengen in het vrije verkeer, de totale waarde en het totale gewicht van de goederen.
(
Indien binnen de drie jaren van het douanetoezicht op het eindgebruik het gebruik wordt verlegd wordt daarvan mededeling gedaan aan de autoriteit die het certificaat heeft afgegegeven en aan de Douane.
In het onderdeel 6.10.00
(
Procedures en ambtelijke werkzaamheden
De ambtelijke werkzaamheden wat betreft het in het vrije verkeer brengen van wapens, miltaire uitrusting en andere militaire goederen voor het Nederlandse Ministerie van Defensie zijn belegd bij de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Groningen/team klantbehandeling Unit Groningen (Postbus 380, 9700 AJ Groningen). Bedrijven die een contract hebben met het Ministerie van Defensie en de met Defensie belaste autoriteiten van andere lidstaten van de Europese Unie kunnen een aangifte voor het in het vrije verkeer brengen doen met een certificaat kunnen doen. In dat geval moet een kopie van het certificaat worden doorgezonden naar de afgevende instantie.
Bij het verlenen van schorsing van douanerechten voor wapens, militaire uitrusting en andere militaire goederen handelt u als volgt.
1. Stel vast of een geldig door bevoegde autoriteit afgegeven certificaat voor wapens, militaire uitrusting en andere militaire goederen is bijgevoegd. 2. Stel vast of sprake is van goederen genoemd in bijlage I en II bij de verordening en of de juiste goederencodes zijn gebruikt. |
De douanerechten worden geschorst voor goederen van de hoofdstukken 25 tot en met 97 van het gemeenschappelijk douanetarief voor zover die worden aangebracht aan of gebruikt in burgerluchtvaartuigen en voor zover daarvoor een luchtwaardigheidscertificaat wordt gebruikt dat is afgegeven door instanties die daarvoor zijn gemachtigd door de luchtvaartautoriteiten van een lidstaat van de Europese Gemeenschap of door de luchtvaartautoriteiten van een derde land.
(
Bij de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer wordt het origineel van het luchtwaardigheidscertificaat overgelegd. Indien het origineel niet kan worden overgelegd (bijvoorbeeld omdat het origineel in handen blijft van het buitenlands erkende bedrijf) kan worden volstaan met de handelsfactuur of een aanvullend document waarin een verklaring van de verkoper is vermeld. In de aangifte brengen in het vrije verkeer moeten de van toepassing zijnde codes uit het Codeboek Sagitta, onderdeel invoer, zijn vermeld. (zie hiervoor
(
Indien er gegronde twijfel bestaat aan de echtheid van een luchtwaardigheidscerticaat kan een beroep worden gedaan op de deskundigheid van de luchtvaartautoriteiten van een lidstaat van de Europese Gemeenschap. Hiervoor kan contact worden opgenomen met:
Ministerie van Verkeer en Waterstaat,
Divisie Luchtvaart,
info.register@ivw.nl
(telefoon: 070-4563147 of 070-4563117).
In overleg met deze instantie wordt bepaald welke actie moet worden ondernomen. De kosten hiervoor zijn voor rekening van de importeur. Rekening dient te worden gehouden met de verhouding van het voordeel van de schorsing van de douanerechten tot de kosten voor het inschakelen van deskundigheid.
(
Procedures en ambtelijke werkzaamheden
Bij het verlenen van schorsing van douanerechten voor goederen van de soort die wordt aangebracht aan of worden gebruikt in burgerluchtvaartuigen handelt u als volgt.
1. Stel bij de verificatie vast of de van toepassing zijnde codes uit het codeboek Sagitta, onderdeel invoer zijn vermeld en of een luchtwaardigheidscertificaat (of een factuurverklaring) wordt overgelegd. 2. Stel vast of sprake is van goederencodes van de hoofdstukken 25 tot en met 97 van het Gebruikstarief, van de soort die wordt aangebracht aan of worden gebruikt in burgerluchtvaartuigen. |
Bijzonderheden
Indien het vliegtuig als zodanig in het vrije verkeer wordt gebracht moet ook een luchtwaardigheidscertificaat worden overgelegd.
De douanerechten worden vrijgesteld van de volgende soorten farmaceutische producten die in het vrije verkeer worden gebracht:
- de farmaceutische stoffen die bekend staan onder de Chemical Abstracts Service Registry Numbers (CAS RN) en de International Nonproprietary Names (INN) opgenomen in
- zouten, esters en hydraten van de met INN aangeduide stoffen, die verder aangeduid worden door een combinatie van de INN van bijlage 3 (Zie HvJ zaak C-11/10) en de voor- of achtervoegsels van
- zouten, esters en hydraten van de met INN aangeduide stoffen, die zijn opgenomen in
- de farmaceutische tussenproducten die in
(
De INN hebben alleen betrekking op de stoffen die zijn beschreven in de lijsten van INN en bekend zijn gemaakt door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).
Indien het aantal door de INN benoemde stoffen minder is dan het aantal stoffen benoemd door de CAS RN, wordt alleen vrijstelling verleend voor de stoffen van INN.
Indien een product van bijlage 3 of 6 aangeduid wordt met een CAS RN dat overeenstemt met een bepaalde isomeer, kan alleen vrijstelling worden verleend voor dat isomeer.
De dubbele derivaten (zouten, esters en hydraten) van de met INN aangeduide stoffen, die verder aangeduid worden door een combinatie van de INN van bijlage 3 en de voor- of achtervoegsels van bijlage 4 - voor zover deze derivaten kunnen worden ingedeeld onder dezelfde zescijferige GS-onderverdeling als de corresponderende INN - komen in aanmerking voor vrijstelling. Een voorbeeld daarvan is methylalaninaathydrochloride.
Indien een met een INN aangeduide stof van bijlage 3 een zout is (of een ester), komt geen enkel ander zout (of ester) van het zuur dat overeenstemt met de INN in aanmerking voor vrijstelling. Voorbeelden: kaliumoxprenoaat (INN); wel vrijstelling en natriumoxprenoaat; geen vrijstelling.
(
Procedures en ambtelijke werkzaamheden
Bij het verlenen van de vrijstelling van douanerechten voor farmaceutische stoffen handelt u als volgt.
Ga na of sprake is van farmaceutische stoffen die bekend staan onder de Chemical Abstracts Service Registry Numbers (CAS RN) en de International Nonproprietary Names (INN) zoals opgenomen in |
