30.05.00 Intellectuele eigendomsrechten
30.05.00 Intellectuele eigendomsrechten, 6 april 2009, Versie 3.1
In de volgende paragrafen worden de intellectuele eigendomsrechten toegelicht waarop de
Het merkenrecht is geregeld op Beneluxniveau, op communautair niveau en op internationaal niveau. Hieronder wordt het merkenrecht op elk van deze niveaus toegelicht.
Sinds 1 september 2006 is op Beneluxniveau het merkenrecht geregeld in het Benelux Verdrag inzake Intellectuele Eigendom (BVIE). Dit verdrag vervangt de Eenvormige Beneluxwet op de merken (BMW) en beschermt merken die gedeponeerd zijn bij het Benelux Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Dit bureau is sinds 1 september 2006 de vervanger van het Benelux-Merkenbureau.
Het depot vindt plaats in bepaalde klassen van producten en diensten. Het depot en daarop volgende registratie bij dit bureau is een voorwaarde voor bescherming. Merkenbescherming is niet aan een termijn gebonden, mits de inschrijving iedere tien jaar wordt verlengd.
Het merkenrecht beschermt geregistreerde tekens die dienen om producten of diensten van een onderneming te onderscheiden. Onder deze tekens vallen ook driedimensionale tekens, zoals verpakkingen. Het recht beschermt deze tekens onder nadere voorwaarden tegen gebruik door anderen. Hiervan is sprake wanneer een merk of een overeenstemmend teken voor dezelfde of soortgelijke producten wordt gebruikt als waarvoor het is gedeponeerd. Als dit gebeurt zonder dat de merkhouder daarvoor toestemming heeft gegeven, is er sprake van inbreuk op het merkenrecht. Overigens geldt dit alleen bij gebruik van het merk door anderen in het economische verkeer, dat wil zeggen voor een zakelijke activiteit waarmee economisch voordeel wordt beoogd.
Wanneer de merkhouder van mening is dat een ander inbreuk pleegt op zijn merkrecht, dan zal hij dit voor de rechter moeten stellen en zonodig bewijzen. BVIE, artikel 2.20, noemt diverse criteria voor merkinbreuk. Drie belangrijke criteria worden toegelicht:
Namaak of plagiaat
Ten eerste is er sprake van merkinbreuk wanneer een merk of teken in het economisch verkeer wordt gebruikt voor precies dezelfde producten of diensten als waarvoor het merk is ingeschreven. Dit wordt ook wel namaak of plagiaat genoemd.
Associatiegevaar
Ten tweede is er sprake van merkinbreuk wanneer een merk of teken in het economisch verkeer wordt gebruikt voor dezelfde of soortgelijke producten en daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan in die zin dat daardoor een associatiegevaar ontstaat van het merk en het product. Dit associatiegevaar biedt een ruime bescherming aan de houder van het recht. Dit gevaar omvat kort gezegd de volgende situaties:
- Het gevaar dat men de merken of tekens zelf door elkaar haalt (direct verwarringgevaar).
- Het gevaar dat men door de gelijkenis van de merken of tekens meent dat er een verband tussen de producten bestaat. Zo kan men bijvoorbeeld denken dat de ondernemingen die de producten maken dezelfde zijn of dat deze met elkaar een of andere juridische (licentie) en/of economische (franchising) band hebben (indirect verwarringgevaar).
- Het gevaar dat men door de gelijkenis tussen de merken of tekens onbewust verbanden tussen de producten legt. Daarbij gaat het om situaties waarin de waarneming van het ene merk de herinnering aan het andere merk opwekt (zodanig dat geen direct of indirect verwarringgevaar optreedt).
Om te beoordelen of er een associatiegevaar bestaat, moet eerst zeker zijn dat er een gelijkenis is tussen twee merken of tekens. Deze gelijkenis kan auditief, visueel of begripsmatig worden vastgesteld. Er is sprake van een auditieve gelijkenis wanneer het uitgesproken klankbeeld van beide merken (bijna) gelijk is (bijvoorbeeld: Tikkels en Tikkis of Boss en Boos). Er is sprake van een visuele gelijkenis als het beeld van beide merken en datgene wat er van dit beeld (woord en tekens) in het geheugen blijft hangen, (bijna) gelijk is. Hierbij spelen onder andere de kleuren van het merk een grote rol.
Daarnaast kan er tussen twee merken een taalkundige gelijkenis bestaan. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer in twee woorden grotendeels dezelfde letters voorkomen (Caron en Canon of Hugo en Hogo). Om een merkinbreuk vast te stellen kan het al voldoende zijn als aan een van deze vormen van gelijkenis wordt voldaan. Overigens hoeft niet elke gelijkenis tot associatiegevaar te leiden.
Soortgelijkheid
Voor beide bovengenoemde criteria geldt dat een merk of teken in beginsel slechts beschermd is als het wordt gebruikt voor dezelfde of soortgelijke producten of diensten als die waarvoor het merk is gedeponeerd. Wanneer het merk dus voor een totaal ander product wordt gebruikt, is het in principe niet beschermd.
Het is echter niet eenvoudig om duidelijk vast te stellen wanneer er sprake is van soortgelijkheid. Uitgangspunt daarbij is dat tussen de producten en/of diensten een zodanige verwantschap bestaat dat het publiek hieraan - ongeacht de merken - eenzelfde of verwante herkomst toekent. De rechtspraak gaat daarnaast ook uit van de vraag of het publiek door de gelijkenis van zowel de merken als de aard van de producten of diensten bepaalde verbanden zal leggen. Als hulpmiddelen bij de beoordeling van soortgelijkheid let men onder andere op verwantschap in eigenschappen, gebruiksbestemming, productiewijze, productieplaatsen of handelskanalen.
Niet-soortgelijkheid
Ten derde is er sprake van merkinbreuk wanneer een merk of teken in het economisch verkeer wordt gebruikt voor niet-soortgelijke producten of diensten als dit merk bekend is in het Benelux-gebied en door het gebruik, zonder geldige reden, van het teken ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.
Als een merk of teken aan één van de drie criteria voldoet, kan de houder van het recht de gebruiker van het merk verbieden om:
- het merk of teken op de producten of op de verpakking aan te brengen
- producten onder dit merk of teken aan te bieden, in de handel te brengen of daartoe in voorraad te hebben
- diensten onder dit merk of teken aan te bieden of te verrichten
- producten onder dit merk of teken in- of uit te voeren
- het merk of teken te gebruiken in teksten voor zakelijk gebruik en in advertenties
De bescherming van communautaire merken binnen de Europese Unie is gebaseerd op Verordening (EG) nr. 40/94 (Pb. 1994 L 11). Het communautaire merkensysteem stelt particulieren en ondernemingen in staat door middel van één enkele procedure een Gemeenschapsmerk te verkrijgen dat geldt voor alle landen van de EU. Deze Gemeenschapsmerken genieten een eenvormige bescherming en kunnen rechtsgevolgen hebben op het gehele grondgebied van de Gemeenschap. Voorwaarde voor deze bescherming is de registratie van het Gemeenschapsmerk bij het Europees Bureau voor Harmonisatie binnen de Interne Markt (Organisation Harmonisation Internal Market (OHIM), www.oami.eu.int). Pas wanneer de inschrijving van het merk gepubliceerd is, kan de merkhouder een beroep doen op het recht dat aan het Gemeenschapsmerk verbonden is.
Het Gemeenschapsmerk geeft de houder, zoals ook het geval is bij een
Benelux-merk, een uitsluitend recht. Dit houdt in dat de houder van het recht iedere derde kan verbieden een bepaald merk of teken in het economisch verkeer te gebruiken wanneer hij daar geen toestemming voor heeft verkregen. De criteria voor een inbreuk op een Gemeenschapsmerk zijn gelijk aan die op
De internationale bescherming van merken is gebaseerd op het Protocol bij de Schikking van Madrid van 14 april 1891. Dit Protocol regelt de internationale inschrijving van merken en is aangenomen in Madrid op 27 juni 1989. Wanneer men een merk internationaal wil inschrijven, moet men daarvoor een aanvraag indienen bij het nationale merkenbureau van het basisland. Dit bureau stuurt de aanvraag door naar de
Inbreuk op het merkenrecht is strafbaar gesteld in
Het modellenrecht is geregeld op Beneluxniveau en op communautair niveau.
Beneluxniveau
Vanaf 1 september 2006 is op Beneluxniveau het tekeningen en modellenrecht geregeld in het Benelux Verdrag inzake Intellectuele Eigendom (BVIE). Dit verdrag vervangt de Eenvormige Beneluxwet inzake Tekeningen of Modellen (BTMW). Dit verdrag beschermt tekeningen en modellen die gedeponeerd en vervolgens geregistreerd zijn bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Dit bureau is sinds 1 september 2006 de vervanger van het Benelux-Bureau voor Tekeningen.
De BVIE beschermt de uiterlijke vormgeving van producten met een gebruiksfunctie. Producten die alleen decoratief zijn, zoals kunstvoorwerpen, vallen niet onder deze wet. Er is sprake van "tekeningen", als het gaat om tweedimensionale dessins of patronen. Er is sprake van "modellen", als het gaat om driedimensionale vormen, zoals apparaten, kleding en meubelen. De bescherming onder de BTMW bedraagt maximaal vijftien jaar (gerekend vanaf de aanvraagdatum). Onder BVIE is de bescherming uitgebreid tot 25 jaar.
Communautair niveau
Op communautair niveau worden modellen en tekeningen beschermd op basis van Verordening (EG) nr. 6/2002 (Pb. 2002 L 003). Deze is op 1 april 2003 in werking getreden. Voorwaarde voor deze bescherming is de registratie van het model als zogenaamd Gemeenschapsmodel bij het Europees Bureau voor Harmonisatie binnen de Interne Markt (Organisation Harmonisation Internal Market (OHIM), www.oami.eu.int).
Internationaal niveau
De internationale bescherming van modellen en tekeningen is gebaseerd op de Overeenkomst van `s-Gravenhage. Wanneer men een model of tekening internationaal wil inschrijven dan dient men de aanvraag hiertoe direct te verrichten via de
Inbreuk is strafbaar
Inbreuk op het modellenrecht is strafbaar gesteld in
Het auteursrecht is geregeld op nationaal en internationaal niveau.
Het auteursrecht is in Nederland geregeld in de
De Aw 1912 geeft in artikel 10 aan wat deze wet onder een werk beschouwt. Volgens dit artikel is een werk "in het algemeen ieder voortbrengsel op het gebied van letterkunde, wetenschap of kunst, op welke wijze of in welke vorm het ook tot uitdrukking zij gebracht".
Dit komt erop neer dat werken voortbrengselen zijn met een eigen, oorspronkelijk karakter, die het persoonlijk stempel van de maker dragen. Boeken, films, cd's, tekeningen, gedichten, kaarten, foto's, beeldhouwwerken, architectuur, animaties, schilderijen en computerprogramma's zijn allemaal voorbeelden van voortbrengselen die onder het auteursrecht kunnen vallen.
Openbaar maken
Onder openbaar maken wordt verstaan een groot aantal handelingen waardoor het werk voor het publiek toegankelijk kan worden gemaakt, zoals bijvoorbeeld het uitgeven van een cd of boek, de onthulling van een beeld, de uitvoering van een muziekstuk, vertoning van een film enzovoorts.
Verveelvoudigen
Verveelvoudigen is het maken van identieke exemplaren van een werk. Volgens de Auteurswet vallen daaronder ook vertalingen, verfilmingen en toneelbewerkingen. In het algemeen gaat het hier om alle bewerkingen of nabootsingen in gewijzigde vorm die niet als een nieuw oorspronkelijk werk kunnen worden aangemerkt. Een van de manieren om een werk te verveelvoudigen is reproduceren. Reproduceren beperkt zich echter tot de "één-op-één" kopie, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, geheel of gedeeltelijk, ongeacht de middelen of vorm.
Reproduceren
In de Aw 1912 wordt in artikel 16b en verder, een onderscheid gemaakt tussen verveelvoudigen en reproduceren. Reproduceren is een vorm van verveelvoudigen en het reproductiebegrip valt in de wet dan ook onder het verveelvoudigingsbegrip. Dit onderscheid is het gevolg van de implementatie van Richtlijn 2001/29 (Pb.2001, L 167). In deze richtlijn is bepaald dat voor een `reproductie' een redelijke tegemoetkoming moet worden betaald.
Er is sprake van een inbreuk op het Auteursrecht, wanneer een ander een werk zonder toestemming van de maker, verveelvoudigt of openbaar maakt.
Deze algemene regel gaat echter niet altijd op. Op grond van artikel 16b Aw 1912 is er geen inbreuk op het auteursrecht als:
- de verveelvoudiging van het werk beperkt blijft tot enkele exemplaren
en
- deze exemplaren uitsluitend dienen tot eigen oefening, studie of gebruik van een natuurlijke persoon
en
- de verveelvoudiging geen commercieel oogmerk heeft
en
- de natuurlijke persoon het werk eigenhandig verveelvoudigt of daartoe uitsluitend ten behoeve van zichzelf opdracht geeft
Het gaat dan onder meer om het fotokopiëren, namaken of naknutselen van teksten of kunstwerken voor privé-doeleinden.
Op dit artikel 16b Aw 1912 zijn twee belangrijke uitzonderingen:
1. Dit artikel is niet van toepassing op computerprogramma's. Voor de verveelvoudiging van computerprogramma's geldt artikel 45h en verder. Een back-up alleen is toegestaan als deze is vervaardigd door de rechtmatige gebruiker van het werk (artikel 45k Aw 1912).
2. Dit artikel is slechts ten dele van toepassing op het reproduceren van audiovisuele middelen op blanco beeld- en geluidsdragers. Denken daarbij aan het kopiëren van cd's, dvd's en video's. Op grond van artikel 16c Aw 1912, is het onder bovengenoemde voorwaarden alleen toegestaan om deze audiovisuele middelen voor eigen gebruik te reproduceren als de natuurlijke persoon dit eigenhandig doet. De natuurlijke persoon mag zelf een privé-kopie maken van bijvoorbeeld zijn (eigen of andermans) cd of dvd, maar hij mag dit niet door een ander laten doen. Doet hij dit toch, dan is er sprake van inbreuk op het auteursrecht.
Tijdens een douanecontrole (bijvoorbeeld in
Het zonder toestemming van de maker (of diens rechtverkrijgende) afgeven van een privé-kopie is noch onder het regime van artikel 16b Aw 1912, noch onder het regime van artikel 16c Aw 1912 toegestaan, tenzij de afgifte geschiedt ten behoeve van een rechterlijke of administratieve procedure (artikelen 16b, lid 4 en 16c, lid 7 Aw 1912).
Buiten Nederland is het auteursrecht beschermd op grond van de Berner Conventie (1886) en, als aanvulling daarop, het World Intellectual Property Organisation (WIPO)-Verdrag inzake auteursrecht (Trb.1997, 318).
Inbreuk op het auteursrecht is strafbaar gesteld in de artikelen 31 en verder Aw 1912. In deze artikelen is het opzettelijk in-, door- en uitvoeren van voorwerpen die inbreuk maken op het auteursrecht strafbaar gesteld.
Naburige rechten lijken op auteursrechten. Ze richten zich echter alleen op de prestaties van uitvoerend kunstenaars, producenten van fonogrammen (platenmaatschappijen), filmproducenten en omroeporganisaties. Het gaat hier bijvoorbeeld om de uitvoering van een muziekstuk of om de opname daarvan op een fonogram of film. Het muziekstuk zelf is beschermd door het auteursrecht, de uitvoering en de opname ervan door de naburige rechten.
Naburige rechten geven uitvoerend kunstenaars, producenten van fonogrammen, filmproducenten en omroeporganisaties een exclusief recht. Dit betekent dat alleen zij het recht hebben aan anderen toestemming te verlenen of te ontzeggen om:
- hun prestaties op te nemen, vast te leggen, te reproduceren of uit te zenden
en/of
- met de vastgelegde prestaties handelingen te verrichten, zoals verhuur en verkoop
Bescherming op nationaal niveau
De naburige rechten zijn in Nederland beschermd op basis van de
Bescherming op internationaal niveau
Internationaal worden de rechten beschermd op basis van de Conventie van Rome (Trb. 1986, 182), de Conventie van Genève (Trb. 1986, 183) en het World Intellectual Property Organisation (WIPO)-verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen (Trb.1998, 248).
Inbreuk is strafbaar
Inbreuk op de naburige rechten is strafbaar gesteld in de artikelen 22, 24 en 29 Wnr.
Het octrooirecht is geregeld op nationaal, communautair en internationaal niveau.
Nationaal niveau
Op nationaal niveau is het octrooirecht geregeld in de
Op grond van de Rijksoctrooiwet kan een octrooi (ook wel "patent" genoemd) worden verleend aan degene die een nieuw voortbrengsel of een nieuwe werkwijze heeft uitgevonden (artikel 1a ROW 1995). Het octrooirecht beschermt uitvindingen die nieuw zijn en die toegepast kunnen worden op het gebied van de nijverheid. Daarnaast moeten de uitvindingen op "uitvinderswerkzaamheid" berusten, dat wil zeggen een bepaalde mate van inventiviteit hebben. De octrooihouder heeft het exclusieve recht de geoctrooieerde uitvinding te gebruiken en anderen te verbieden dat te doen.
Octrooien kunnen worden onderscheiden in product-octrooien en procédé-octrooien. Het product-octrooi geeft een producent het alleenrecht om een bepaald product te produceren. Het procédé-octrooi geeft een producent het alleenrecht op een bepaalde productiemethode en op de daaruit voortvloeiende producten.
Communautair niveau
Op communautair niveau is het octrooirecht geregeld in het Europees Octrooiverdrag (EOV, München, 5 oktober 1973). Naast de EU-lidstaten heeft nog een aantal andere landen dit verdrag ondertekend. Op grond van dit verdrag kan men bij het Europees Octrooibureau in München een Europees octrooi aanvragen. Vervolgens kan men met dit octrooi via één procedure nationale octrooien verkrijgen voor de afzonderlijke lidstaten.
Internationaal niveau
Op internationaal niveau is het octrooirecht geregeld in het Internationaal Octrooiverdrag 1970 (Patent Coöperation Treaty (PCT).
Controlebeleid Douane
Inbreuk is strafbaar
Inbreuk op het octrooirecht is strafbaar gesteld in artikel 79 van de ROW 1995.
Op basis van Verordening (EEG) nr. 1768/92 Pb. 1992 L 182 of Verordening (EG) nr. 1610/96 Pb. 1996 L 198) geldt voor het octrooirecht op gewasbeschermingsmiddelen en geneesmiddelen een aparte regeling. De reden hiervoor is dat bij deze middelen vaak een zeer lange periode verstrijkt tussen de aanvraag van het octrooi en de toekenning van de vergunning om de middelen in de handel te brengen. Hierdoor is de normale geldigheidsduur van het octrooi ontoereikend om de investeringen die in het onderzoek zijn gedaan af te schrijven of terug te verdienen.
Op grond van artikel 90 ROW 1995 en het Besluit certificaat gewasbeschermingsmiddelen (Stb.1997, 42) kan men daarom voor deze middelen een aanvullend beschermingscertificaat aanvragen. Dit certificaat maakt een effectieve octrooibescherming mogelijk. Wanneer men zowel een octrooi als een certificaat bezit, kan men namelijk in aanmerking komen voor een exclusief octrooirecht van ten hoogste 15 jaar. Deze periode gaat in na de afgifte van de eerste vergunning om het product in de Gemeenschap in de handel te brengen.
Controlebeleid Douane
Het kwekersrecht is een recht dat kan worden toegekend aan de ontwikkelaar van een nieuw plantenras. Het kwekersrecht bepaalt dat anderen een nieuw plantenras niet mogen `namaken' zonder de toestemming van de rechthebbende. Het kwekersrecht voor een plantenras is vergelijkbaar met het octrooirecht voor industriële uitvindingen.
Nationaal en internationaal kwekersrecht
In Nederland is het kwekersrecht geregeld in de
Om het kwekersrecht te verkrijgen, dient een ras nieuw te zijn en zich duidelijk te onderscheiden van alle bestaande, algemeen bekende rassen. Daarnaast moeten de essentiële eigenschappen van het ras voldoende homogeen en bestendig zijn. De houder van het kwekersrecht is exclusief bevoegd teeltmateriaal van het ras voort te brengen, te vermeerderen en te verhandelen. Hij kan het recht laten registreren in het Nederlandse Rassenregister bij de Raad voor plantenrassen. Het kwekersrecht biedt het ras 25 jaar bescherming.
Controlebeleid Douane
Communautair kwekersrecht
Sinds 1995 bestaat er een communautair kwekersrecht. Op basis van Verordening (EG) nr. 2100/94 (Pb. 1994 L 227) is het Communautair Bureau voor Plantenrassen (www.cpvo.fr) bevoegd dit recht te verlenen. Deze communautaire regeling bestaat naast de nationale regelingen en maakt het mogelijk kwekersrechten toe te kennen die in de hele Gemeenschap geldig zijn. Het Communautair Bureau voor Plantenrassen voert deze regeling uit. De structuur van het rechtssysteem en de handhaving is gelijk aan die van de verordening voor de
Om voor een communautair kwekersrecht in aanmerking te komen, moet het betrokken ras zich duidelijk onderscheiden van elk ander ras dat algemeen bekend is op het moment van de aanvraag van het kwekersrecht (onderscheidbaarheid). Daarnaast moeten de essentiële eigenschappen van het ras voldoende homogeen en bestendig zijn (homogeniteit en bestendigheid). Deze vereisten noemt men ook wel de DUS-vereisten (Distinctness, Uniformity en Stability). Tot slot moet het ras nieuw zijn (nieuwheid) en moet het ras een naam krijgen (rasnaam).
Inbreuk is strafbaar
Inbreuk op het kwekersrecht is strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten (Wed). Daarbij gaat het specifiek om de overtreding van artikel 40 Zaaizaad en Plantgoedwet en artikel 13, lid 2, etc. van de verordening (EG) nr. 2100/94. De bevoegde opsporingsdienst is de Algemene Inspectiedienst (AID) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Vaak staan op de etiketten (aanduiding) van levensmiddelen geografische aanduidingen vermeld. Te denken valt bijvoorbeeld aan Noord-Hollandse Edammer, Gouda kaas, Prosciutto di Parma, Jambon d'Ardenne en Tiroler Speck. Verordening ( EEG) nr. 2081/92 (Pb. 1992 L 208) beschermt deze geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen. Dat gebeurt door middel van een registratieprocedure. De registratie zorgt ervoor dat de aanduiding beschermd is tegen misbruik ervan. Er is sprake van misbruik wanneer het product gemaakt wordt door producenten die niet in het geografische gebied gevestigd zijn of wanneer de producten niet aan de gestelde eisen voldoen.
Op nationaal niveau is deze verordening verder uitgewerkt in het Besluit van 16 december 1993, houdende vaststelling van het Landbouwkwaliteitsbesluit geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en specificiteitscertificering. Op grond van dit besluit verzorgt het Hoofdproductschap Akkerbouw de registraties van de genoemde aanduidingen en benamingen in Nederland. Het productschap draagt de registraties over aan de Commissie EU. Deze commissie maakt ze vervolgens bekend in het Publicatieblad van de EU.
Aan producten kan een Beschermde Oorsprongsbenaming (BOB) of een Beschermde Geografische Aanduiding (BGA) worden toegekend. Daarvoor moeten de producten aan bepaalde eisen voldoen. Alleen producten die aan alle eisen voldoen komen in aanmerking voor het betreffende label.

De beschermde oorsprongsbenaming
De Beschermde Oorsprongsbenaming (BOB) wordt verleend aan producten waarvan de productie, verwerking en bereiding plaatsvindt binnen een bepaald geografisch gebied en volgens een erkende en gecontroleerde werkwijze. Oorsprongsbenamingen beschermen het gebruik van de naam van een streek of plaats voor de producten die uit deze streek komen. Daarbij gaat het om producten waarvan de kwaliteit of kenmerken hoofdzakelijk zijn toe te schrijven aan het geografische milieu. Zowel de natuurlijke als de menselijke factoren van dit geografische milieu spelen daarbij een rol.
De beschermde geografische aanduiding
De Beschermde Geografische Aanduiding (BGA) wordt verleend aan producten waarvan minimaal een van de productie-, verwerkings- of bereidingsstadia toegeschreven kan worden aan de geografische oorsprong. Verder dient het product een bepaalde faam te genieten binnen een afgebakend geografisch gebied.
Zie voor registratie van de BOB en BGA: www.europa.eu.int.
Controlebeleid Douane
Inbreuk is strafbaar
inbreuk op het Landbouwkwaliteitsbesluit geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en specificiteitscertificering is strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten (Wed). De bevoegde opsporingsdienst is de Algemene Inspectiedienst (AID) van het Ministerie Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
