30.05.00 Intellectuele eigendomsrechten

Tekstnavigatie

Inhoud

Talen

Doelgroepen

Zoeken

Algemeen

Domeinen

Vaste functies

Waar ben ik?

Inhoud

Inhoudsopgave

Handboeken

Handboek VGEM

30.05.00 Intellectuele eigendomsrechten

Handboek VGEM

30.05.00 Intellectuele eigendomsrechten, 14 juni 2011, Versie 5.0

6. De werking van Verordening 1383/2003

6.1. Doel van Verordening 1383/2003

In de Verordening staat beschreven hoe de Douane optreedt wanneer zij goederen aantreft die vermoedelijk inbreuk maken op bepaalde intellectuele eigendomsrechten. Het doel van de verordening is te voorkomen dat deze goederen in het vrije verkeer terechtkomen. Daarbij gaat het uitsluitend om goederen die van oorsprong of herkomst zijn uit derde landen. De Verordening heeft ook betrekking op de uitvoer en wederuitvoer van goederen.

De Verordening voorziet in een procedure die de Douane de mogelijkheid geeft op te treden in het geval van een vermoedelijke inbreuk op een bepaald intellectueel eigendomsrecht. De Douane schort de vrijgave van de goederen op of houdt de goederen vast. De houder van het recht heeft een bepaalde termijn om na te gaan of het daadwerkelijk gaat om goederen die inbreuk maken op zijn intellectuele eigendomsrechten en om civielrechtelijk op te treden.

6.1.1. Doel is niet absoluut

Het doel van de Verordening is niet absoluut aangezien vermoedelijk inbreukmakende goederen kunnen worden vrijgegeven als de houder van het recht niet binnen de vastgestelde termijnen aan de voorwaarden van de verordening voldoet (artikel 13, lid 1 van de Verordening).

In dat geval is het wel mogelijk dat na het doorlopen van de voorgeschreven procedure in opdracht van de boetefraudecoördinator, de zaak strafrechtelijk wordt afgedaan.

6.1.2. Verordening niet altijd toegepast

In bepaalde gevallen past de Douane het strafrecht toe en niet de Verordening. De Douane treedt altijd zelfstandig strafrechtelijk op bij het aantreffen van vermoedelijk inbreukmakende goederen bij reizigers en bij post-,pakket-, en koerierszendingen en cargo als de aangetroffen vermoedelijk inbreukmakende goederen onder een vastgestelde hoeveelheid blijven.

6.2. Waarop is Verordening van toepassing?

De Verordening is van toepassing op goederen die worden beschermd door de volgende intellectuele eigendomsrechten (artikel 2, lid 1):

- Merkenrecht

- Tekeningen- en Modellenrecht

- Auteursrecht

- Naburige rechten

- Octrooirecht

- Aanvullend beschermingscertificaat

- Kwekersrecht

- Benamingen van oorsprong of geografische aanduidingen

- Geografische benamingen

      Mallen en matrijzen

De Verordening is ook van toepassing op mallen of matrijzen die specifiek gemaakt of aangepast zijn om bovengenoemde goederen te vervaardigen. Deze mallen en matrijzen zijn gelijkgesteld aan de inbreukmakende goederen (artikel 2 lid 3).

6.3. Waarop is Verordening niet van toepassing?

De Verordening is niet van toepassing op de volgende goederen:

1. Goederen die worden beschermd door een ander intellectueel eigendomsrecht dan de rechten die in de vorige paragraaf genoemd zijn.

2. Goederen die niet van oorsprong of herkomst zijn uit derde landen. De Douane heeft geen controletaak voor communautaire goederen tenzij deze voor de douaneregeling uitvoer worden aangegeven.

3. Goederen die zijn vervaardigd onder andere voorwaarden dan die met de houder van het recht zijn overeengekomen. Hierbij gaat het om een privaatrechtelijke rechtsverhouding waarin de Douane niet treedt. De Douane weet niet welke onderliggende overeenkomsten tussen de licentiehouder en houder van het recht zijn gesloten. Hierbij is niet van belang welk intellectueel eigendomsrecht wordt geschonden.

4. Goederen die met toestemming van de houder van het recht zijn vervaardigd, maar zich zonder zijn toestemming in een in-, uit-, of wederuitvoersituatie bevinden (artikel 3, lid 1). Hierbij gaat het bijvoorbeeld om goederen die buiten de officiële distributieketen door een niet-geautoriseerde importeur worden ingevoerd. Dit zal zich bijvoorbeeld voordoen bij parallelhandel of overproductie van goederen die elders op de wereldmarkt worden afgezet. De Douane treedt in dit geval niet op. Bovendien is het in de praktijk niet mogelijk deze goederen tijdens een douanecontrole te identificeren als inbreukmakende goederen. Deze goederen bezitten namelijk veelal geen uiterlijke kenmerken die wijzen op een mogelijke inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht.

5. Niet-commerciële goederen die zich in de persoonlijke bagage van reizigers bevinden (artikel 3, lid 2).

6.4. Situaties waarin de Douane optreedt

Op grond van de Verordening kan de Douane optreden als voldaan wordt aan elk van de volgende drie voorwaarden:

1. Er is sprake van een douanecontrole als bedoeld in paragraaf 1.2.4 van de Algemene douanewet en artikel 68 CDW.

2. De goederen die zijn aangetroffen maken vermoedelijk inbreuk op de in de Verordening genoemde intellectuele eigendomsrechten.

3. Het gaat om goederen als bedoeld in artikel 1, lid 1, van de Verordening die:

- worden aangegeven voor het vrije verkeer (artikel 61 CDW)

- worden aangegeven voor uitvoer of wederuitvoer (artikel 61 CDW)

- worden aangetroffen bij een controle op goederen onder douanetoezicht (artikel 37 CDW)

- zijn geplaatst onder een schorsingsregeling(artikel 84, lid 1, onder a CDW)

- worden aangetroffen bij een controle waarvoor een kennisgeving van wederuitvoer is gedaan

- zijn geplaatst in een vrije zone of een vrij entrepot (artikel 166 CDW)

In bepaalde situaties wordt de Verordening niet toegepast maar past de Douane het strafrecht toe. De Douane treed altijd zelfstandig strafrechtelijk op bij het aantreffen van vermoedelijk inbreukmakende goederen bij:

- reizigers

- bij post-,pakket-, en koerierszendingen en cargo als de aangetroffen vermoedelijk inbreukmakende goederen onder een vastgestelde hoeveelheid blijven.

6.5. Procedures voor optreden Douane

De Verordening voorziet in twee procedures voor het optreden van de Douane:

1. De Douane treedt op verzoek van de houder van het recht op. In dit geval treedt de Douane op wanneer de houder van het recht daartoe een schriftelijk verzoek heeft ingediend.

2. De Douane treedt ambtshalve op (eigen initiatief, zonder verzoek van de houder van het recht) op.

In beide procedures schort de Douane de vrijgave van de goederen op voor het vrije verkeer, de uitvoer en de wederuitvoer. In sommige gevallen houdt de Douane de goederen vast. Dit geldt voor goederen:

- die onder een schorsingsregeling worden geplaatst

- die in een vrije zone of vrij entrepot worden opgeslagen

- die met kennisgeving weder worden uitgevoerd

- die in het douanegebied worden binnengebracht

- die het douanegebied verlaten

De Afdeling IER informeert in beide procedures de houder van het recht over de aangetroffen goederen. Deze krijgt dan de gelegenheid om na te gaan of het daadwerkelijk gaat om goederen die inbreuk maken op zijn intellectuele eigendomsrechten. Vervolgens kan hij ervoor kiezen om ofwel een civielrechtelijke procedure te starten tegen de inbreukmaker ofwel een schikking met hem te treffen.

Niet alle inbreuken op de intellectuele eigendomsrechten kunnen op basis van visuele waarnemingen en de kenmerken van de goederen worden geconstateerd. Specifiek gerichte ambtshalve controles in relatie tot het octrooirecht, het aanvullende beschermingscertificaat, het kwekersrecht, het recht van benamingen van oorsprong, geografische aanduidingen en geografische benamingen, kunnen niet goed plaats vinden. Dergelijke specifieke controles worden uitsluitend uitgevoerd als de houder van het recht een verzoek om optreden door de Douane heeft ingediend en daarbij informatie wordt overgelegd die noodzakelijk is om de relevante zendingen met zekerheid te kunnen identificeren.

6.6. Indienen verzoek om douaneoptreden

De houder van een intellectueel eigendomsrecht kan de Douane om optreden verzoeken wanneer hij meent dat inbreuk wordt gepleegd op een intellectueel eigendomsrecht.

In elke lidstaat kan de houder van het recht schriftelijk om optreden van de Douane verzoeken (artikel 5, lid 1). De lidstaten wijzen een dienst aan die bevoegd is voor het ontvangen van deze verzoeken (artikel 5, lid 2).

In Nederland is de afdeling IER van Douane regio Groningen door de algemeen directeur van het landelijk kantoor Douane aangewezen als bevoegde dienst om beslissingen op de ingediende verzoeken te nemen.

6.6.1. Vereiste informatie

Het verzoek tot douaneoptreden wordt ingediend op een voorgeschreven formulier. Hierop moet zo gedetailleerd mogelijke informatie worden ingevuld, zodat de Douane de goederen in de goederenstroom kan traceren en met zekerheid kan identificeren.

Het gaat dan om de volgende verplichte gegevens:

- een nauwkeurige en gedetailleerde technische beschrijving van de goederen

- bijzonderheden betreffende het type of patroon van de fraude (als de houder van de rechten daarvan op de hoogte is)

- de lidstaat/lidstaten waar om optreden van de Douane wordt verzocht

- de personalia van de houder van het recht (of zijn vertegenwoordiger) in elk van de betrokken lidstaten

6.6.2. Aanvullende informatie

Voor zover bekend verstrekt de houder op het formulier ook de volgende aanvullende informatie:

- de waarde, exclusief belastingen, van de oorspronkelijke goederen op de legale nationale markt van de lidstaat waar het verzoek om optreden wordt ingediend

- de plaats waar de goederen zich bevinden of de plaats van bestemming

- gegevens ter identificatie van de zending of de colli

- de geplande datum van aankomst of vertrek van de goederen

- de gebruikte vervoermiddelen

- de identiteit van de importeur, exporteur of houder van de goederen

- het land of de landen waar de goederen zijn vervaardigd, de gevolgde trajecten

- voor zover bekend, de technische verschillen tussen authentieke en verdachte goederen

- bijzondere en specifieke gegevens betreffende het type intellectueel eigendomsrecht waarnaar in het verzoek om optreden wordt verwezen

6.6.3. Verklaring aansprakelijkheid

Bij het verzoek om optreden moet de houder van het recht ook een verklaring voegen dat hij de aansprakelijkheid aanvaardt (verklaring overeenkomstig artikel 6 Verordening (EG) nr. 1383/2003). Dit voor het geval hij een ingeleide procedure bij de civiele rechter niet voortzet of wanneer achteraf wordt vastgesteld dat de goederen geen inbreuk maken op een intellectueel eigendomsrecht.

6.6.4. Behandeling van het verzoek

De afdeling IER neemt het verzoek in behandeling en stelt de indiener binnen 30 werkdagen na ontvangst schriftelijk op de hoogte van het besluit. Aan de houder worden geen kosten in rekening gebracht.

De afdeling IER zendt een kopie van het verzoek aan:

- de DIA/Douane Noord (i.v.m. risicobeheersing)

- de FIOD-ECD

- de betreffende lidstaat of lidstaten waarvoor ook om optreden door de Douane wordt verzocht

Daarnaast wordt de beschikking geplaatst op het Douane intranetportaal.

Als het verzoek om optreden niet de verplichte gegevens bevat, kan de afdeling IER deze niet in behandeling nemen. In dat geval geeft de afdeling IER een toelichting op deze beslissing en verstrekt informatie over de beroepsprocedure. Een verzoek kan alleen opnieuw worden ingediend als het volledig is.

6.7. Optreden door houder van het recht

Het optreden tegen een inbreuk op intellectuele eigendomsrechten is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de houder van het recht zelf. De houder van het recht kan, wanneer hij meent dat inbreuk wordt gepleegd op zijn intellectuele eigendomsrecht een civielrechtelijke procedure starten tegen de inbreukpleger of een schikking treffen.

De Douane neemt in dit hele proces een neutrale positie in. De douanetaak is volstrekt facilitair.

6.7.1. Civielrechtelijk optreden door houder van het recht

Het optreden tegen een inbreuk op intellectuele eigendomsrechten is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de houder van het recht zelf. De houder van het recht kan, wanneer hij meent dat inbreuk wordt gepleegd op zijn intellectuele eigendomsrecht een civielrechtelijke procedure starten tegen de inbreukpleger.

Er is een breed scala aan civiele maatregelen om de schade, die de inbreuk veroorzaakt voor de houder van het recht, te beperken en tegen te gaan. Die juridische middelen zijn geregeld in de specifieke intellectuele eigendomswetgeving, in het Burgerlijk Wetboek (BW) en in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

      Mogelijke civiele maatregelen die een houder van het recht kan vorderen

De volgende civiele maatregelen zijn bijvoorbeeld mogelijk:

- verbod op de inbreukmakende handelingen

- nietigverklaring en doorhaling van het ingeschreven en inbreukmakende of ten onrechte verleende recht

- schadevergoeding

- winstafdracht

- het opeisen van de inbreukmakende goederen door de rechthebbende dan wel de vernietiging of onbruikbaarmaking daarvan

- recall: gebod tot het terughalen van de inbreukmakende goederen bij afnemers (niet zijnde consumenten)

- publicatie van het vonnis of gebod tot het schrijven van een brief aan de afnemers of andere betrokkenen

- gebod om informatie te verstrekken over de identiteit van afnemers van de inbreukmakende producten en over de hoeveelheden

Bij een groot aantal van deze maatregelen kan ook een dwangsom worden gevorderd voor het geval de inbreukmaker het vonnis niet nakomt.

      Conservatoir beslag

De houder van het recht kan conservatoir beslag leggen om te voorkomen dat -voorafgaande aan het uitbrengen van een dagvaarding of het treffen van andere maatregelen- de inbreukmakende goederen worden verduisterd.

      Overzicht civielrechtelijke bescherming

De onderstaande tabel maakt inzichtelijk dat bijvoorbeeld een teken civielrechtelijk bescherming kan genieten op grond van verschillende wettelijke bepalingen.

Type merk Auteurswet Benelux Merkenwet (BMW) Artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad)
................... .......... ............. ................

Woordmerken

X

X

X

Lettercombinaties

X

X

X

Cijfercombinaties

X

X

X

Een woord in speciale schrijfwijze

X

X

X

Logo's/beeldmerken

X

X

X

Lay-out verpakkingen

X

X

X

Vormen van verpakkingen

X

X

X

Vormen van producten

X

X

X

Kleuren

 

X

X

Klanken

X

 

X

Niet gedeponeerde merken

X

   

Op één product kunnen verschillende intellectuele eigendomsrechten van toepassing zijn. Van een koffiezetapparaat kan het merk worden beschermd door het merkenrecht, het model door het modellenrecht, de handleiding en documentatie door het auteursrecht en de techniek door een octrooi.

Ook vindt bescherming plaats aan de hand van preventieve technische beschermingsmaatregelen (encryptie, codes, kenmerken).

      De civielrechtelijke bescherming niet altijd afdoende

De houder van het recht beschikt over een ruim arsenaal aan rechtsvorderingen tegen eventuele inbreukmakers. In de praktijk voldoet dit niet altijd. Het is bijvoorbeeld niet altijd mogelijk de identiteit en woon- of verblijfplaats vast te stellen van de inbreukmaker.

Daarnaast staan de kosten voor de houder van het recht niet altijd in een redelijke verhouding tot de geleden schade of is executie van de rechterlijke uitspraak tot betaling van een schadevergoeding door het ontbreken van verhaal niet mogelijk. In die gevallen kan het strafrecht een rol spelen.

6.7.2. Private organisaties

Voor de bescherming van de intellectueel eigendomsrechten zijn bundelingen van belanghebbenden actief, zoals bijvoorbeeld de IFPI (International Federation of Phonographic Industry) die wereldwijd de belangen van de "recording industry" bewaakt. Zij opereren internationaal en voorzien wereldwijd opsporing- en handhavingdiensten van actuele informatie.

In Nederland spelen diverse organisaties een rol bij de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten, onder andere:

      Stichting BREIN

BREIN staat voor Bescherming Rechten Entertainment Industrie Nederland. De Stichting is in 1998 opgericht door organisaties van recht- en belanghebbenden in de entertainmentbranches. BREIN onderzoekt, controleert en coördineert activiteiten ten aanzien van de piraterijbestrijding op het gebied van film, muziek, videospellen en andere interactieve software namens auteurs, artiesten en producenten.

      De Business Software Alliance

De Business Software Alliance (BSA) is een samenwerkingsverband van softwareproducenten die strijden tegen illegaal gebruik en illegale verspreiding van software. BSA informeert computergebruikers over de wetgeving inzake het softwareauteursrecht en bestrijdt softwarepiraterij.

      SNB-REACT

De Stichting Namaakbestrijding (SNB) is in 1991 opgericht. Doelstelling is de bestrijding van namaakhandel namens en met de aangesloten merkhouders. De SNB heeft ook een internationale tak, die in diverse landen actief is onder de naam REACT. In 2002 is de SNB samengesmolten met REACT in SNB-REACT.

6.8. De civielrechtelijke procedure

In de civielrechtelijke procedure stelt de rechter vast of de goederen daadwerkelijk inbreuk maken op een intellectueel eigendomsrecht. Deze procedure kan lang duren. Tijdens de gehele procedure schort de Douane de vrijgave van de goederen op of houdt de goederen vast.

Na afloop van de procedure informeert de houder van het recht de afdeling IER over het resultaat. De afdeling IER informeert vervolgens de vraagbaak IER.

6.8.1. Het conservatoir beslag

Tijdens de procedure kan de houder van het recht conservatoir beslag op de goederen laten leggen door de gerechtsdeurwaarder. Een conservatoir beslag is een beslag tot bewaring van de goederen in afwachting van de uitspraak van de rechter. Hiermee kan de houder van het recht zijn belangen zeker stellen en voorkomen dat de goederen waarop het beslag rust, tijdens de procedure in andere handen komen. Het onttrekken van goederen aan een conservatoir beslag is een misdrijf.

6.8.2. De rechterlijke beslissing

Als de rechter heeft vastgesteld dat de goederen inderdaad inbreuk maken op een intellectueel eigendomsrecht, moeten de goederen vernietigd worden (artikel 16).

De goederen mogen namelijk niet:

- in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht

- in het vrije verkeer worden gebracht

- buiten het douanegebied van de Gemeenschap worden gebracht

- worden uitgevoerd

- worden wederuitgevoerd

- onder een schorsingsregeling worden geplaatst

- in een vrije zone of een vrij entrepot worden opgeslagen

In de praktijk kan het voorkomen dat de rechter in zijn uitspraak anders beslist. De Douane voldoet aan de rechterlijke uitspraak.

6.9. De schikking

In plaats van een civielrechtelijke procedure te starten, kan de houder van het recht ook een schikking treffen met de aangever, houder of eigenaar van de goederen (artikel 11). Met het treffen van deze schikking heeft de Douane geen bemoeienis.

Het bereiken van een schikking tussen de houder van het recht en de andere partij moet geschieden binnen de termijn van 10 werkdagen (met eventuele verlenging van maximaal 10 werkdagen).

Daarmee verschilt deze procedure van het voorleggen van een geschil aan de civiele rechter, omdat de procedure bij de civiele rechter slechts behoeft te worden gestart binnen de termijnen en de afloop niet binnen de termijnen behoeft te vallen. Overigens kan de houder van het recht binnen de termijnen alsnog besluiten, als geen schikking tot stand wordt gebracht, een civielrechtelijke procedure te starten.

      Twee soorten schikkingen:

Er zijn met toepassing van de Verordening twee soorten schikkingen mogelijk:

1. een schikking in de vorm van een schriftelijke verklaring

2. een schikking in de vorm van een veronderstelde toestemming

Beide soorten schikkingen hebben vernietiging van de goederen tot doel. In dit geval is er geen rechterlijke beslissing en is artikel 16 van de Verordening niet van toepassing. Dit betekent dat de goederen vóór de vernietiging wel vervoerd mogen worden naar een andere locatie of elders mogen worden opgeslagen.

Voor de Douane is het niet van belang of de houder van het recht over de goederen kan beschikken op grond van een schikking in de vorm van een schriftelijke verklaring of in de vorm van een veronderstelde toestemming.

6.9.1. Schikking in de vorm van schriftelijke verklaring

Wanneer de schikking de vorm heeft van een schriftelijke verklaring, moet uit die verklaring blijken dat de aangever, de houder of de eigenaar van de goederen instemt met de vernietiging ervan. De houder van het recht moet deze verklaring aan de afdeling IER overleggen.

De afdeling IER informeert de vraagbaak IER. De houder van het recht, degene die in de schikking wordt genoemd of een derde, kan vervolgens een verzoek doen tot vernietiging.

6.9.2. Schikking in de vorm van veronderstelde toestemming

Van een schikking met veronderstelde toestemming is sprake wanneer de aangever, de houder of de eigenaar van de goederen zich binnen de gegeven termijn niet uitdrukkelijk tegen de vernietiging verzet.

De houder van het recht kan in dit geval bij de Douane een verzoek doen tot vernietiging. Dit kan vanzelfsprekend alleen als hij over de goederen kan beschikken.

Wanneer een schikking in deze vorm aan de orde is, moet de houder van het recht dit tijdig schriftelijk kenbaar te maken aan de afdeling IER. De afdeling IER brengt de vraagbaak IER op de hoogte.

In het geval van een schikking met een veronderstelde toestemming worden de genomen monsters van de vermoedelijk inbreukmakende goederen opgeslagen in het Douane Laboratorium.

6.10. Monsterneming en -opslag bij schikkingen

De Douane neemt altijd monsters uit de partij vermoedelijk inbreukmakende goederen en bewaart deze op het douanekantoor. De goederen worden voor dit doel worden verzegeld met een duidelijke verwijzing naar het relevante zaakdossier.

      Aantal te nemen representatieve monsters

Neem bij de aanvang van het optreden van Douane meteen representatieve monsters van de vermoedelijk inbreukmakende artikelen. Voor accijnsgoederen neemt u drie representatieve monsters van elk inbreukmakend merk en van de overige goederen twee representatieve monsters.

      Monsteropslag in Douane laboratorium

Het is denkbaar dat een procedure voor de civiele rechter plaatsvindt als de eigenaar van de goederen van oordeel is dat de aangever (namens hem) geen instemming aan de vernietiging mocht geven omdat de goederen geen inbreuk maakten op een intellectueel eigendomsrecht.

Ook is het denkbaar dat de eigenaar -wanneer de goederen zijn vernietigd op grond van een schikking in de vorm van een veronderstelde toestemming- deze actie van de houder van het recht voor de rechter wilt aanvechten omdat hij van mening is dat de goederen geen inbreuk maken. In dit laatste geval is sprake van een schikking in de vorm van een veronderstelde toestemming zal de Douane de genomen monsters opslaan in het Douanelaboratorium als bewijsmateriaal.

6.10.1. Geen monsteropslag bij schikking met schriftelijke verklaring

In dit geval wordt het genomen monster niet voor opslag naar het Douanelaboratorium gestuurd. De verwachting is dat deze gevallen geen gerechtelijke procedures tot gevolg hebben waarbij bewijsmateriaal bewaard moet worden. De genomen monsters worden op het douanekantoor bewaard en samen met de vermoedelijk inbreukmakende goederen vernietigd.

6.10.2. Geen monsteropslag bij uitdrukkelijk verzet

Ook in dit geval wordt het genomen monster niet naar het Douane laboratorium gestuurd voor opslag maar bewaard op het douanekantoor.

In dit geval komt geen schikking tot stand en kan de houder van het recht (binnen de termijn) een civielerechtelijk procedure inleiden (en eventueel conservatoir beslag leggen). De houder van het recht kan reeds over een monster beschikken en de goederen zijn nog aanwezig (onder douanetoezicht).

De genomen monsters worden samen met de vermoedelijk inbreukmakende goederen vernietigd of vrijgegeven, afhankelijk van de uitslag van de gevoerde procedure.

6.10.3. Wel monsteropslag bij schikking met veronderstelde toestemming

In dit geval wordt een verzoek tot vernietiging gedaan bij de Douane. De verzoeker moet over de goederen kunnen beschikken. Het is voor de Douane niet van belang of dit mogelijk is als gevolg van een veronderstelde toestemming. In deze situatie bestaat echter een kans dat een gerechtelijke procedure wordt gevoerd na de vernietiging.

Alleen in deze situatie wordt het genomen monster - na vernietiging van de goederen- naar het Douanelaboratorium gezonden.

Pas nadat de afdeling IER de vraagbaak IER op de hoogte heeft gesteld dat er een schikking op basis van een veronderstelde toestemming tot stand is gekomen en de goederen daadwerkelijk zijn vernietigd, zendt de vraagbaak IER het monster naar het Douanelaboratorium.

Op het Douanelaboratorium aangekomen worden de monsters administratief ingeboekt en opgeslagen. De monsters worden zes maanden bewaard en daarna vernietigd. Alleen in het geval de afdeling IER het Douanelaboratorium bericht dat langere opslag noodzakelijk is, wordt de vernietiging uitgesteld.

Het verzoek van de houder van het recht of een andere belanghebbende aan de Douane om in het kader van een gerechtelijke procedure te mogen beschikken over het monster t.b.v. de bewijsvoering, wordt gericht aan de afdeling IER. Het afgeven van dit monster door het Douanelaboratorium geschiedt onder verzegeling en een ontvangstbevestiging.

6.11. Monsterneming bij rookwaren

Accijnsgoederen die u aantreft, kunnen ook inbreuk maken op bepaalde intellectuele eigendomsrechten. Het gaat dan veelal om tabaksproducten (rookwaren). In het kader van een mogelijke samenloop met de Wet op de Accijns kunnen zich de volgende situaties voordoen:

a. smokkel en/of het onrechtmatig voor handen hebben van onveraccijnsde rookwaar;

b. reguliere aangifte veraccijnsde rookwaar en vermoedelijke inbreuk intellectueel eigendomsrecht

c. fysiek toezicht veraccijnsde rookwaar en vermoedelijke inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht (bijvoorbeeld bij een Mobiel Toezicht Goederen (MTG) of bij overige ambulante controles

      In alle gevallen drie representatieve monsters

In alle gevallen wordt per merk rookwaar drie representatieve monsters in de vorm van een volledige slof rookwaren die als doorsnee van de partij kunnen worden beschouwd. Deze monsters worden (samen met een kopie van het proces-verbaal en een kopie van alle beschikbare bescheiden) naar de FIOD-ECD gezonden.

De FIOD-ECD stuurt een monster voor onderzoek naar een falsificatenexpert van de Douane, een naar de houder van het recht en een naar het Douanelaboratorium. Deze onderzoeken de monsters en bepalen of de rookwaren vermoedelijk inbreuk maken op een intellectueel eigendomsrecht. Na afloop van het onderzoek informeert de FIOD-ECD de afdeling IER over de vermoedelijke inbreuken.

Voor de monsterneming bij het aantreffen van rookwaar gelden specifieke instructies.

6.12. Opslag en vervoer van mogelijk inbreukmakende goederen

De Verordening verbiedt niet dat vermoedelijk inbreukmakende goederen waarvan de rechter nog niet heeft vastgesteld (artikel 9 lid 3) dat het inbreukmakende goederen betreft, onder de douaneregeling douanevervoer en het stelsel van douane-entrepots worden geplaatst.

De goederen kunnen op deze wijze naar een andere opslaglocatie (entrepot) worden overgebracht. Dit geldt ook als de houder van het recht niet een juridische procedure start, maar een schikking tracht overeen te komen met de inbreukmaker. Deze situatie zal zich met name voordoen wanneer de opslag elders minder kosten met zich meebrengt.

      Alleen entrepot type C toegestaan

Alleen de verplaatsing naar een entrepot type C in Nederland is toegestaan. Andere douaneregelingen zijn in dit kader voor vermoedelijk inbreukmakende goederen niet toegestaan en ook worden de goederen niet ter beschikking gesteld.

In dit voorschrift is aangegeven welke werkzaamheden u moet verrichten.

      Verzoek door (of namens) houder van het recht bij een schikking

De houder van het recht kan verzoeken, als de goederen als gevolg van een overeengekomen schikking aan hem zijn afgestaan, verzoeken dat de goederen op een andere locatie worden opgeslagen. De houder van het recht doet het verzoek zelf of dit wordt namens hem gedaan.

      Verzoek door of namens de inbreukmaker

Het verzoek kan ook worden gedaan door of namens de vermoedelijke inbreukmaker. Het toestaan van de opslag op een andere locatie is niet afhankelijk van de toestemming van de houder van het recht. De houder van het recht moet wel op de hoogte worden gebracht van de nieuwe opslaglocatie.

6.13. Verschuiving fysieke controle toegestaan

De Douane heeft bij de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten een bewakingfunctie. Dit komt vooral tot uiting tijdens de logistieke fase nadat de goederen zijn binnengebracht en voordat deze weer in het vrije verkeer komen of ten uitvoer worden aangegeven.

Verschuiving van de fysieke controle is in principe mogelijk. In dat geval voert u de gebruikelijke werkzaamheden uit (Handboek Douane, onderdeel 12.00.00, paragraaf 6.2.4 en 6.2.7).

De controle ambtenaren en vraagbaak IER van het uitvoerende kantoor handelen volgens de instructies uit de hoofdstukken over optreden van de Douane op verzoek van de houder van het recht of ambtshalve optreden van de Douane.

6.14. De termijnen van de Verordening

De houder van het recht krijgt een beperkte termijn om een civielrechtelijke procedure in gang te zetten of een schikking te treffen. Wanneer het hem niet lukt een schikking te treffen, kan hij binnen de gestelde termijn alsnog een procedure starten. De lengte van de termijn bedraagt 10 plus eventueel nog eens maximaal 10 werkdagen (artikelen 5, 8 en 13).

De termijn voor aan bederf onderhevige goederen bedraagt echter maar drie werkdagen en wordt niet verlengd.

Als de houder van het recht niet binnen de vastgestelde termijn aan de voorwaarden van de verordening voldoet, kan de Douane de vermoedelijk inbreukmakende goederen vrijgeven (artikel 13, lid 1). Wel is het mogelijk dat in opdracht van de boetefraudecoördinator de goederen alsnog in beslag worden genomen.

De Verordening kent verschillende termijnen en gebruikt daarbij het begrip werkdag.

6.14.1. Het begrip werkdag

Verordening (EEG) nr. 1182/71 (Pb. 1971 L 124), houdende de vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltermijnen, verstaat in artikel 2 onder een werkdag: elke andere dag dan een officiële feestdag, de zondag en de zaterdag.

6.14.2. Aanvang termijn

In Verordening nr. 1182/71 is bepaald dat een in dagen omschreven termijn ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of handeling plaatsvindt en wordt de dag waarop deze gebeurtenis of handeling plaatsvindt, niet bij de termijn inbegrepen.

De termijnen vangen dus aan op de dag nadat de kennisgeving door de houder van het recht is ontvangen en niet vanaf het moment dat de afdeling IER de kennisgeving heeft verstuurd. In de Uitvoeringsverordening is aangesloten bij de aanvangsmomenten uit de Verordening (EEG) nr. 1182/71.

Voordat de in de Verordening genoemde bevoegdheden van toepassing zijn, is er sprake van een reguliere douanecontrole en zijn de bepalingen van het CDW onverkort van toepassing (CDW, artikel 4, lid 14 en artikel 68 en Algemene douanewet, paragraaf 1.2.4). Tot het moment dat het proces-verbaal van bevinding compleet is, worden de vermoedelijk inbreukmakende goederen opgehouden voor onderzoek op grond van deze bepalingen. Daarna wordt de bevoegdheid uit de verordening gebruikt om de vrijgave van de goederen op te schorten of vast te houden als gevolg van de vermoedelijke inbreuk.

Het is van belang onderscheid te maken tussen de bevoegdheid de vrijgave van de goederen op te schorten of de goederen vast te houden en de in de verordening genoemde termijnen. Aan het gebruik van deze bevoegdheid door de Douane is geen termijn gebonden. De opschorting kan net zo lang plaatsvinden als de procedure bij de civiele rechter duurt.

      De verzoekprocedure

Bepalend is dat de houder van het recht binnen de termijn de voorwaarden uit de Verordening vervult. De houder van het recht moet binnen de termijn van 10 werkdagen een juridische procedure inleiden of een schikking treffen. Deze termijn gaat lopen op de dag nadat de houder van het recht een kennisgeving heeft ontvangen van de afdeling IER.

      De ambtshalve procedure

In de situatie dat de houder van het recht geen verzoek heeft ingediend, krijgt hij 3 werkdagen om een verzoek in te dienen. De Douane schort de vrijgave van de goederen op. De termijn van 3 werkdagen, waarbinnen het verzoek moet zijn ingediend, begint te lopen op de dag na ontvangst van de kennisgeving door de houder van het recht.

6.14.3. Overzicht termijnen

De volgende termijnen worden in de verordening genoemd:

a. De termijn van 3 werkdagen voor het indienen van een verzoek vanaf het tijdstip waarop de houder van het recht de kennisgeving heeft ontvangen (artikel 4). Deze termijn wordt niet verlengd.

b. De termijn van 10 werkdagen waarbinnen de houder van het recht de afdeling IER, na ontvangst van de kennisgeving ter zake de opschorting van de vrijgave of vasthouding, kenbaar moet maken dat een civiele procedure is ingeleid of een schikking tot stand is gekomen (artikel 11, lid 1, en artikel 13, lid1).

c. De verlenging van de onder b genoemde termijn van 10 werkdagen met ten hoogste 10 werkdagen( artikel 11, lid 1, en artikel 13, lid 1).

d. De termijn van 3 werkdagen voor aan bederf onderhevige goederen (artikel 11, lid 1, en artikel 13, lid 2). Deze termijn wordt niet verlengd.

e. De termijn van 20 werkdagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving om een civiele procedure in te leiden (artikel 14, lid 2).

f. De verlenging van de onder e genoemde 20 werkdagen termijn tot ten hoogste 30 werkdagen (artikel 14, lid 2).

6.14.4. Afdeling IER bewaakt termijnen

De bewaking van de termijnen en de beslissing omtrent een eventuele verlenging, is de taak en verantwoordelijkheid van de afdeling IER.

De afdeling IER zorgt dat de houder van het recht en andere bekende belanghebbenden op de hoogte worden gebracht van de toepasselijke termijn, de verlenging van een termijn of het aflopen van een termijn (door middel van een afschrift van de beschikking).

Terug naar tekstnavigatie

Algemeen

Terug naar tekstnavigatie

Domeinen

Website Belastingdienst
Website Douane
Website Toeslagen
Terug naar tekstnavigatie

Vaste functies

Terug naar tekstnavigatie